of 59345 LinkedIn

Nu de transitie nog

Historici moeten het maar onafhankelijk bevestigen, maar ik durf de stelling aan dat de inmiddels breed gewenste transformatie van de jeugdzorg al jaren geleden is begonnen vanuit de gelederen van de jeugdzorg zelf. Als je daar nog eens goed over nadenkt, is dat ook niet zo vreemd.

De ervaring leert dat mensen werkzaam in een bepaalde sector of organisatie vaak zelf het scherpste zicht hebben op tekortkomingen en verbetermogelijkheden. Historisch onderzoek zal uitwijzen dat al ruim voor dat de brede politieke consensus die tot stand kwam met het uitkomen van het rapport van de parlementaire werkgroep jeugdzorg, op allerlei plekken in het land door jeugdzorginstellingen zelf concreet werk werd gemaakt van het transformationele gedachtegoed van eigen kracht, pedagogische civil society, normaliseren, nabijheid en 1 gezin, 1 plan, 1 medewerker. Deze beweging bleef echter beperkt tot een weinig krachtige onderstroom van kleinschalige lokale experimenten.

 

Ook dat is niet zo vreemd. De ervaring leert immers ook dat het, de positieve uitzonderingen daargelaten, voor de meeste direct betrokkenen moeilijk is om zich, ondanks grote onvrede en inspirerende toekomstvisies aan de eigen haren uit het moeras van in decennia gegroeide contraproductieve groeven te trekken. De wel degelijk breed aanwezige positieve energie in de jeugdzorgsector zelf om te transformeren bleef dan ook lang onaangeboord door institutionele verlamming veroorzaakt door de conserverende krachten en perverse prikkels van het bestaande jeugdzorgstelsel.

 

De brede “goed gejatte” politieke consensus die enige jaren geleden ontstond en sindsdien in diverse regeer- en bestuursakkoorden steeds weer bekrachtigt is, heeft er de afgelopen jaren toe geleid dat de al langer sluimerende positieve energie in de jeugdzorgsector letterlijk en figuurlijk is ontketend. De al langer aanwezige onderstroom van succesvolle innovaties is zich steeds meer aan het ontwikkelen tot een krachtige hoofdstroom. Aangemoedigd door de politieke consensus en de onvermijdelijkheid van het toekomstig opdrachtgeverschap van gemeenten is het overgrote deel van de jeugdzorgorganisaties, Bureaus Jeugdzorg en ja zelfs de instellingen voor jeugdGGZ al een aantal jaren bezig om zich voor te bereiden op de nakende nieuwe jeugdzorgtijd.

 

Ik vraag me soms af of de gemeenten als toekomstige opdrachtgevers zich wel voldoende realiseren dat de ook door hun zo gewenste transformatie van de jeugdzorg al volop gaande is. En dat het niet alleen mooie nieuwe initiatieven als de Opvoedpoli en Buurtzorg Jong zijn die de toon zetten. Dat hele jeugdzorgsector, enkele negatieve uitzonderingen daargelaten (laat die vooral failliet gaan!), met dank aan het “tipping point” van de politieke besluitvorming al ruim voor de transitiedatum van 1-1-2015 enthousiast aan het transformeren is geslagen.

 

In dit licht is het op zijn zachtst gezegd jammer dat de gemeenten de jeugdzorgsector tot op heden in volledige onzekerheid laten over wat hun te wachten staat vanaf 1-1-2015. Visie is er inmiddels genoeg, maar van een concrete vertaling naar een concreet pakket van eisen is nog geen sprake. De jeugdzorgsector zelf is al veel verder met het naar beste eer en geweten in de praktijk brengen van het gedachtegoed achter de transformatie, maar weet niet zeker of dit is waar de gemeenten op zitten te wachten. Deze voortdurende onzekerheid is een steeds groter afbreukrisico aan het worden voor de hele stelselherziening en vooral voor de veiligheid van de meest kwetsbare kinderen.

 

De oplossing is simpel. Begin vandaag met de transitie. Wettelijk gaat de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg weliswaar pas per 1-1-2015 over naar de gemeenten, maar niets weerhoudt gemeenten om vanaf vandaag te starten met invulling geven van, voorlopig nog virtueel, opdrachtgeverschap. De bestaande proeftuinen met betrekking tot een klein deel van de ambulante zorg zijn te kleinschalig en beperkt om zoden aan de dijk te zetten. Virtueel opdrachtgeverschap over de hele linie is zeker geen lege huls, want jeugdzorginstellingen zullen zeer gemotiveerd zijn om zo snel mogelijk te gaan voldoen aan de eisen die hun toekomstige opdrachtgevers aan hun stellen. Gemeenten doen er goed aan om nu al in gesprek te gaan met jeugdzorginstellingen over de prijs en de kwaliteit van de dienstverlening die ze verwachten. Bij voorkeur gebaseerd op concrete praktijkervaringen met functionele aansturing van in wijkteams samenwerkende jeugdzorginstellingen. Ze zouden nog wel eens positief verrast kunnen worden over het innovatieve aanbod dat inmiddels al ontwikkeld is en over de bereidheid van de jeugdzorginstellingen op partner te worden in verder doorinnoveren. Een stevige regierol van gemeenten is overigens ook cruciaal om de al gaande zijnde transformatie het laatste zetje richting veilige haven te geven.

 

Kortom, de transformatie van de jeugdzorg is al gaande en is gebaat bij een snelle start van de transitie in de vorm van integraal virtueel opdrachtgeverschap van gemeenten op zo kort mogelijke termijn. Wachten met de transitie tot het formele moment per 1-1-2015 en de daarmee gepaard gaande voortdurende onzekerheid voor de jeugdzorgsector zal leiden tot een rem op de transformatie, kapitaalvernietiging en het niet halen van bezuinigingstaakstellingen met alle risico’s voor kinderen in de knel van dien.

 

De transformatie is op stoom, nu de transitie nog.

Erik Gerritsen 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Joost Langezwaal op
De transformatie is al aan de gang?

Volgens Gerritsen zou de transformatie al aan de gang zijn op basis van 'positieve energie' en 'succesvolle innovaties'. Wat dat concreet betekent wordt niet duidelijk.

In werkelijkheid zien kinderen en ouders steeds weer oude wijn in nieuwe zakken op zich afkomen. Zij hebben er echter niet zoveel aan als het werk van de bekende actoren met de bekende benadering en de bekende gebreken op grond van het adagium één gezin, één plan, één hulpverlener, straks via die ene 'hulpverlener' over hen wordt uitgestort.

Onderzoek naar de feiten ontbreekt nog altijd. Vele gezinsvoogden nemen nog altijd onwaarheden en verzinsels op in rapporten en verslagen om hun visie door te drukken. Beoordelingen zijn vaak het (als formaliteit) bevestigde (voor-)oordeel van een maatschappelijk werker, en dus niet valide. En de lijdelijke civiele rechter verlaat zich er te vaak op, want die weet het zelf ook niet.

Gezien de recente berichten vanuit het veld dreigt het hele ondeugdelijke 'circus' zich te gaan richten op 'preventie' en 'signalering'. Men neme kennis van het Amsterdamse plan 'Om het kind' als afschrikwekkend voorbeeld.
Drang onder dreiging van dwang. Helaas is het veelal niet bevorderlijk om succesvol een gesprek of samenwerking op gang te brengen als je al vooraf dreigt met dwang.

En de opvoedpoli als laagdrempelig alternatief, inclusief hoge kwaliteit, dreigt ten onder te gaan als gevolg van een wetswijziging, een te verwachten neveneffect van de geplande aanpassingen van de Zorgverzekeringswet, die weer bedoeld zijn om de groeiende zorgkosten te beteugelen: artikel 13 wordt aangepast waardoor niet-gecontracteerde zorg niet meer vergoed hoeft te worden.
Hoe conveniërend dat Raad, Bjz cs en de rijk geschakeerde pleegzorg aanbieders vanuit 's Rijks kas worden gefinancierd! Het enige verschil wordt vooralsnog dat de miljarden (!) straks via de gemeenten naar de gevestigde instanties vloeien. Gaat jeugdzorg straks roepen dat de opvoedpoli 'kennelijk' niet goed genoeg was als die als gevolg van afwijkende financiering en marktwerking in de zorg het loodje legt? Het zou mij niet verbazen.

Als het Amsterdamse voorstel dat in mei door de gemeenteraad wordt behandeld model staat voor wat komen gaat kunnen we verwachten dat de voormalige gezinsvoogd (maar dan zonder rechterlijke machtiging!) in de nabije toekomst kinderen en ouders thuis, op school en elders 'ziet' en 'volgt'. Zonder waarborgen of vastgelegde normen, en zonder kwaliteitseisen en tuchtrecht op het niveau van KNMG, NIP en/of NVO. De cursussen 'vroegsignalering' voor leerkrachten en anderen worden intussen - natuurlijk voor flinke bedragen - breed aangeboden.

Men neme kennis van wat Dr Henry Otgaar van de Universiteit van Maastricht daarover publiceert (http://fpblog.nl/2012/12/11/de-meldcode/). Een stroom van vals-positieven ligt in het verschiet.

Het aanpakken van het gebrek aan rechtszekerheid en rechtsbescherming voor kinderen en ouders wordt nog vrijwel nergens als doel genoemd, laat staan uitgewerkt, en hetzelfde geldt voor de broodnodige verbetering van de kwaliteit van de hulpverlening.

Dan hebben we het nog niet gehad over het gebrek aan handhaving van tussen partijen overeengekomen en door de rechter bekrachtigde omgangsregelingen en de a-symmetrie daarin (handhaving en steun wel voor moeders, en vaders moeten maar een procedure beginnen, en nóg een als de moeder zich er dan nóg niet aan houdt!).

Vrijwel alle aandacht gaat intussen naar de transitie, met name het proces en de kostenbeheersing daarna, terwijl juist onderzoek naar de feiten, rechtszekerheid, rechtsbescherming, het respecteren van de wet en NB mensenrechtenverdragen en een lage drempel én kwaliteit in de hulpverlening zonder eigen belang van de betreffende instantie juist al zo lang wordt gemist.

E.e.a. roept inmiddels het beeld op van geformaliseerd en geïnstitutionaliseerd wantrouwen ten aanzien van élke ouder. Kinderen en ouders schieten niet zoveel op met een verbale 'transformatie' die vooralsnog niet veel meer is dan een schijnbeweging. De bestaande instanties gaan voor een ander anker liggen maar hebben nog steeds een financieel belang bij hun rol en bij verzoeken om het opleggen en verlengen van een (gezagsbeperkende) maatregel, en het doet (helaas) alles bij elkaar voor gezinnen steeds meer denken aan de laatste grote donkere periode in de Nederlandse historie, toen een vreemde mogendheid op basis van meningen, meldingen, signalen en vermoedens Nederlanders in het algemeen, en bepaalde groepen in het bijzonder, hun rechtszekerheid en rechtsbescherming op uiterst dubieuze gronden ontnam.

Verbaal is de transformatie misschien op gang, maar juist het niet realiseren van de broodnodige feitelijke transformatie is gezien de huidige koers van de transitie en het gebrek aan ervaring en kennis bij de gemeenten een groot risico voor nóg meer kinderen dan voorheen, of ze nu wel of niet in de knel zitten.