of 59281 LinkedIn

Maak jeugdzorg overbodig; tip 15, 'Kijk uit voor het evidence beest!'

Mijn vijftiende tip aan de gemeenten als toekomstige opdrachtgevers om jeugdzorg zoveel mogelijk overbodig te maken, gaat over het oppassen voor wat professor Micha de Winter het “evidence beest” noemt.

Als toekomstige opdrachtgevers moeten gemeenten uitkijken dat ze te ver doorschieten in het stellen van eisen ten aanzien van het wetenschappelijk “evidence based” zijn van jeugdzorg interventies. Het gaat om het debat over “rigor versus relevance”. En over het risico om “always right but never relevant” te zijn.

 

Natuurlijk pleit ik niet voor kwakzalverij in de jeugdzorg. Het goede nieuws is dat er al veel wetenschappelijke kennis beschikbaar is over wat werkt en wat niet werkt. Wetenschappelijke kennis die vreemd genoeg (nou ja vreemd genoeg, hier spelen veelal politieke motieven mee) nog veel te weinig wordt toegepast in de jeugdzorg. Zo weten we dat alleen straffen/opsluiten van criminele jongeren niet helpt. We krijgen er alleen meer criminele volwassenen voor terug. Alleen maar pamperen werkt overigens ook niet. Dat bevordert alleen maar hulpverslaving, zorgmijding en het innemen van de slachtofferrol. We weten ook dat het bij elkaar plaatsen van grote groepen problematische jongeren vooral een opleiding is voor nog problematischer gedrag in de toekomst. We weten dat effectieve jeugdzorg een kwestie is van evenwichtig “positioneren en engageren”. Van “tough love”. We weten dat kindgerichte interventies niet werken en systeemgerichte (gezin, sociale netwerk) interventies wel werken. We weten dat op het bevorderen van op Eigen Kracht gebaseerde interventies effectiever zijn dan paternalistische interventies waarbij professionals dominant de leiding nemen.

 

We weten ook dat het hanteren van “evidence based” methoden slechts gedeeltelijk bepalend zijn voor de effectiviteit van de geboden jeugdzorg. De inzet van het sociale netwerk en de vertrouwensrelatie met één vaste hulpverlener zijn veel belangrijker. We weten dat het inzetten van “evidence based” methoden alleen effectief is wanneer dit gebeurt door “therapie trouwe” professionals. En dat voor het kweken van “therapie trouwe” professionals intensieve en levenslange training nodig is gebruikmakend van supervisie, actieleren en ruimte voor zelfreflectie (“reflective practice”).    

 

Een beetje provocerend durf ik de stelling wel aan dat we eigenlijk al heel veel weten over wat werkt en niet werkt in de jeugdzorg en dat we in plaats van jeugdzorggeld besteden aan nog meer wetenschappelijk onderzoek ons beter kunnen concentreren op het daadwerkelijk en consequent toepassen van reeds bestaande wetenschappelijke kennis, ook als die even niet in de politieke tijdgeest past. Er is overigens veel voort te zeggen om de effecten van het toepassen van bestaande wetenschappelijke kennis wetenschappelijk te blijven onderzoeken, omdat dit een positief effect heeft op de discipline om methodieken daadwerkelijk therapie trouw te implementeren. Maar daarvoor hoeft geen jeugdzorggeld te worden gebruikt. Dat moet de wetenschap gewoon zelf financieren in ruil voor het “levende laboratorium” van de jeugdzorgpraktijk dat ze gratis ter beschikking krijgt. Het verdient dus aanbeveling dat de gemeenten op dit punt de samenwerking met de HBO’s en universiteiten zoeken.

 

Jeugdzorggeld kan beter besteed worden aan de professionalisering van de werkers in de jeugdzorg. Elke “evidence based” methode is gedoemd te mislukken in de handen van een onvoldoende gekwalificeerde professional. Omgekeerd maakt het niet zo veel uit welke methode wordt gebruikt, zolang de professional in kwestie maar hooggekwalificeerd is. Al jaren wordt in de jeugdzorg gesproken over de noodzaak tot verdere professionalisering zonder dat er boter bij de vis wordt geleverd. Een opleidingsbudget van rond de 1% van de salarissom is daarvoor volstrekt onvoldoende. Mijn advies aan gemeenten is derhalve om topprioriteit te geven aan investeren in professionalisering. Alle andere investeringen in een duurzamere jeugdzorg zullen grotendeels weglekken, als niet eerst de professionaliteit van de sector op een hoger plan wordt gebracht. En een topprofessional kan zelfs met nog niet wetenschappelijk volledig bewezen methoden succesvol zijn.

 

De op zich begrijpelijke wens om alleen te werken met “evidence based” methoden gaat ook voorbij aan de inherent zeer complexe psychosociale jeugdzorgproblematiek (“N = 1”) die zich nu eenmaal nooit volledig zal laten vangen in exacte, op het paradigma van de natuurwetenschappen gebaseerde, (ortho)pedagogische en psychopathologische inzichten. Een effectieve aanpak van complexe jeugdzorgproblematiek is ondenkbaar zonder een meer kwalitatieve aanpak gebaseerd op een permanent zoeken en tasten, experimenteren, vallen en opstaan, ontketenen van positieve krachten en gezamenlijk leren en betekenis geven (hulpverleners en cliënten) op zoek naar “wat werkt” in de specifieke situatie van het gezinssysteem in kwestie. En dat vergt, naast topprofessionals met een reflectieve attitude, een innovatieve benadering die zich moeilijk verhoudt tot de eis van “evidence based”. Een nieuwe werkwijze is immers per definitie niet “evidence based”.

 

Kortom, gemeenten doen er als toekomstige opdrachtgevers goed aan om vooral te beginnen met het consequent toepassen van reeds beschikbare wetenschappelijke kennis, zonder er 100% op te vertrouwen. Investeren in verdere professionalisering van de werkers in de jeugdzorg en ruimte bieden voor meer kwalitatieve innovaties voorkomt dat “evidence based” verwordt tot “evidence beest”. Samenwerking met kennisinstellingen (gratis begeleidend wetenschappelijk onderzoek gericht op de vraag “wat werkt” in ruil voor het ter beschikking stellen van het levende lab van de jeugdzorgpraktijk) voorkomt dat kwalitatieve innovaties verworden tot kwakzalverij.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.