of 62812 LinkedIn

Kabinet maakt doe-democratie te simpel

Onlangs presenteerde minister Plasterk (BZK) het kabinetsstandpunt over doe-democratie , een ‘kabinetsnota ter stimulering van een vitale samenleving’.  De nota geeft veel voorbeelden van initiatieven van burgers die maatschappelijke vraagstukken in hun eigen leefomgeving oppakken. Het kabinet wil  dat overheden deze initiatieven ondersteunen. 

Maar het is diezelfde overheid die met haar bezuinigingsbeleid de vitaliteit van de samenleving uitholt en burgers daarmee dwingt het heft in eigen hand te nemen. Over die vorm van negatieve ondersteuning valt weinig te lezen in deze nota. Het kabinet houdt het kennelijk liever simpel.


Doe-democratie wordt door het kabinet omschreven als ‘een vorm van meebeslissen van burgers door zelf maatschappelijke vraagstukken op te pakken’ (p. 3), ‘door simpelweg te doen (p. 12). Dat klinkt inderdaad simpel en dat is het ook, omdat elke historische context ontbreekt. Doe-democratie wordt vooral gerelateerd aan overheidstaken, zonder een sociaal-politieke analyse van de rol en taak van de overheid in relatie tot de sociale leefruimte van mensen enerzijds en de economische systemen en wetmatigheden anderzijds.


De spanning tussen die twee is decennialang in het kader van het veilig stellen van het algemeen belang beheerd door de overheid. Deze is uit haar evenwichtbrengende rol gebracht door het neoliberale beleid en is nu verworden tot dienstknecht van de geldeconomie die tot voor kort dank zij toenemende verschulding enorme groei kon blijven creëren.


Niets hiervan in het verhaal over doe-democratie. Er wordt stilzwijgend voorbij gegaan aan de kern van de ontwikkeling, namelijk de verschuivingen die optreden wat betreft de relaties tussen (groepen) burgers. De verzorgingsstaat was een mengvorm van vernieuwing van het kapitalisme na de grote depressie van de jaren 30 en de wederopbouw na WOII enerzijds en de invoering van liberale democratie anderzijds. De staat had daarbij een spilpositie in het democratisch regelen van de verhoudingen tussen groepen burgers. Vanaf eind jaren 70 is de staat deze spilpositie stapje voor stapje kwijtgeraakt. (Zie studie van Wolfgang Streeck: Gekaufte Zeit; die vertagte Krise des demokratischen Kapitalismus, 2013). Daarmee veranderen ook de houdingen en verhoudingen tussen (groepen) burgers. Er is een forse toename van ongelijkheden en een afname van zeggenschap in bijvoorbeeld het bedrijfsleven.


Niets daarover in het verhaal over de doe-democratie. In zoverre er over bedrijven gesproken wordt, heeft de inbreng betrekking op maatschappelijke taken die bedrijven op zich nemen, zonder door te stoten naar de kern van de economische logica van geldrendement en geldvermeerdering. Die omissie blijkt ook als de nota ingaat op de hoofdoorzaken van het actueel worden van de doe-democratie: toegenomen mondigheid van burgers, terugtredende verzorgingsstaat en gebrek aan sociale samenhang (p. 14/15). De achtergronden van deze ontwikkelingen worden niet geduid. Voor een niet onbelangrijk deel moeten die gezocht worden in de afkalving van de machtspositie van de overheid ten opzichte van de machten die de geldeconomie regeren. Als je problemen die hieruit voortkomen(bv grotere ongelijkheid tussen groepen burgers; groei van levensonzekerheden; verslechtering van sociale voorzieningen) wilt pareren, moet je iets vinden van en doen aan de economische orde die hiervan de oorzaak is. Niks van dit alles. Onuitgesproken blijft het kabinet uitgesproken neo-liberaal wat betreft het sociaal-economisch beleid, ondanks of wellicht beter gezegd dankzij de doe-democratie.


Als een verborgen beschuldiging wijst het kabinet naar de schier grenzeloze uitbreiding van de verzorgingsstaat. Dat zet deze maatschappijvorm niet in het juiste daglicht. Er  is 150 jaar sociale strijd tussen groepen burgers gevoerd om maatschappelijke houdingen en verhoudingen tot stand te brengen waarin de bijdragen van alle burgers aan de samenleving (vooral die van de arbeiders) gerespecteerd werden en waarin de maatschappelijke rijkdom eerlijker werd verdeeld. Gaande de strijd werden maatschappelijke en economische condities tot stand gebracht waarin sociaal burgerschap voor een ieder was weggelegd.

 

De staat had een spilfunctie in deze uitkomst van de sociale strijd, die in de decennia na de Tweede Wereldoorlog culmineerde in de verzorgingsstaat, in het democratisch kapitalisme onder regie van de overheid.  Juist het weer meer ruimte geven aan het marktdenken heeft van solidaire burgers egocentrische  Ik-bv’s gemaakt, die met name door neoliberaal opgeleide overheidsmanagers aangespoord werden zich als klanten te gedragen. Denk aan de vele nota’s over de burger als klant van de overheid. Als gesteld wordt dat het  proces gekeerd moet worden waarin burgers steeds meer taken bij een uitgebreide verzorgingsstaat hebben gelegd (p. 16), mag de politiek-economische achtergrond van dit proces niet onvermeld blijven. Dat geldt met name voor het sociaal-democratisch tot stand komen van de verzorgingsstaat (het kapitalisme met het menselijke gezicht) en de neoliberale uitholling ervan (de verzorgingsstaat behouden door hem stap voor stap af te breken). Die achtergrond blijft in de kabinetsnota grotendeels buiten beeld: de doe-democratie mist haar sociaal-economische context.

 

Vanwege gebrek aan achtergrond krijgt de duiding van doe-democratie een apolitieke inhoud over de rol die de overheid speelt of moet leren spelen ten aanzien van initiatieven van burgers. De opkomst en ontwikkeling van wat aangeduid wordt als doe-democratie wordt nergens in verband gebracht met de uitholling van de verworven zekerheden die de relaties tussen burgers jarenlang hebben bepaald, nl de verworvenheden van de verzorgingsstaat en de maatschappelijke gelijkheid die daarmee werd nagestreefd. Dat breed gedragen politieke ideaal van gelijkheid is gaandeweg losgelaten.

 

De ongelijkheid groeit. De tegenstellingen in de samenleving worden groter. De overheid is niet bij machte daar paal en perk aan te stellen, integendeel in dienst van de economische ontwikkeling voert ze een beleid dat deze ongelijkheden vergroot en dat werk- en leefcondities van grote groepen burgers verslechtert. Vanuit de basis van de samenleving komt daartegen verzet. De samenleving zoekt naar nieuwe houdingen en verhoudingen tussen burgers. Zo’n duiding geeft aan doe-democratie mogelijk een ander perspectief: de scheef getrokken verhouding tussen politiek en markt wordt weer in balans gebracht omwille van een fatsoenlijk leven voor alle burgers.

 

Raf Janssen

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.