of 62812 LinkedIn

Hoe om te gaan met regionale samenwerking?

Rijkstaken op het sociale domein (jeugd, zorg, participatie) worden overgeheveld naar de gemeenten. Het rijk wil wel uitvoeringsgaranties en dwingt gemeenten tot regionale samenwerking. Er is sprake van centraliserende decentralisatie. Hoe ga ik daarmee om als lokaal bestuurder van een middelgrote gemeente? Ik oefen mij in de kunst van het afhoudend inspelen.

Ik voel met de dag de druk groter worden om regionaal samen te werken. Mijn lijn is: als gemeente werken we al ten volle en con amore regionaal samen, in zo verre dat nodig is vanuit de doelen die we met ons werk willen bereiken. We opereren vanuit de inhoud van ons werk en die inhoud legt onmiskenbaar zwaartepunten bij lokale situaties, bij de  leef-, woon- en werkwereld van de burgers, de organisaties en de (veelal kleine) bedrijven in onze gemeente. De regio is wat verder weg. Niet altijd, maar vaak wel.

 

Tegelijkertijd stoot ik in mijn werk op krachten die wat betreft de regionale samenwerking een andere insteek nemen, ook al onderschrijven ze in woorden onze aanpak van onder-op en onze invalshoek vanuit de leefwereld. Die krachten komen vanuit twee richtingen die elkaar versterken en die ondanks aangepast taalgebruik hun systeemkarakter niet kunnen verbergen. In de eerste plaats zijn dat de krachten van de uitvoering, het management, het beheersdenken en beheersdoen: eenhoofdige leiding, gezamenlijk kantoor, dezelfde procedures, registratie, inkoop, geld. In de tweede plaats zijn er de krachten van de landelijke burelen die de decentralisatie willen centraliseren. Deels uit bezorgdheid voor bepaalde groepen in de samenleving en deels uit eigenbelang willen ze alleen taken aan gemeenten overdragen, als dat gepaard gaat met dwingende instructies hoe deze taken te organiseren en uit te voeren.

 

Deze krachten van de centraliserende decentralisatie vallen bij sommige lokale bestuurders en beleidsmedewerkers in goede aarde. Ze zijn vertrouwd met het denken en doen van de systeemwereld. Ze willen sturen en beheersen; mee bewegen in open processen maakt hen onzeker en zenuwachtig. Ze praten volop mee over de eigen krachten van de burgers en de samenleving, maar in hun denken en doen zijn dit louter instrumenten die ze naar eigen inzicht willen inzetten en benutten. Dat geldt voor sommige grotere gemeenten die ‘hun’ regio  en hun positie daarin graag willen versterken. En het geldt voor sommige kleine gemeenten die te veel decentralisatiewerk op zich af zien komen. Deze invalshoek wordt versterkt door ‘helpers’ die met landelijke directieven de regio’s ingestuurd worden om vermeende of gesignaleerde achterstanden in regionale samenwerking weg te werken.

 

Hoe ga ik als lokaal bestuurder om met deze krachten die lastig sporen met het accent dat wij leggen bij de leefwereld van mensen, bij vitale gemeenschappen van betrokken burgers en bedrijven? Hoe rijmt dat met ons streven om als gemeente aan te sluiten bij ontwikkelingen in de woon-, werk- en leefwerelden van burgers? Hoe voorkom ik dat het denken en het doen vanuit procedures en regels de lokale sociale domeinen in structuren dwingen waarin mensen zich niet herkennen, zich niet erkend voelen en hun speelruimte en zeggenschap verliezen? Kàn ik dat wel voorkomen? De tijdgeest is aan het veranderen. Bij medewerkers en bestuurders van gemeenten ontstaan meer gevoel voor en vertrouwen in de leefwereld van burgers. Niet als instrument in overheidshanden, maar als krachten om te komen tot andere houdingen en verhoudingen tussen burgers onderling en tussen burgers en overheden. Ik merk echter dat de nieuwe tijdgeest nog weinig voedingsbodem heeft gevonden in de harten en de geesten van de inwoners van de Haagse ministeries.  Daar wordt nog ijverig doorgewerkt aan het uitlijnen van patroonbladen en sjablonen voor  gestructureerde samenwerking op regionaal niveau.

 

De inkaderingsoperaties vanuit het systeemdenken lijken onafwendbaar dwingend: de regionaliseringstroepen staan voor de deuren van de lokale sociale domeinen. Dat lijkt een onvermijdelijke ontwikkeling. De vraag is: hoe met het onvermijdelijke om te gaan? Mijn antwoord op deze  vraag luidt: we gaan voor een verdere ontwikkeling van het onvermijdelijke! Dat wil zeggen dat we proberen het onvermijdelijke zo in de vullen dat het spoort met hetgeen ons voor ogen staat, namelijk een regionale samenwerking van lokale besturen die ruimte geven aan en vertrouwen op vitale gemeenschappen van betrokken burgers. Om dat te bereiken moeten we ons als lokale bestuurders bekwamen in de kunst van ‘het afhoudend inspelen’: op zo’n wijze omgaan met de regionaliseringsdrang dat we systeemelementen buiten de deur houden en leefwereldelementen inbrengen en versterken. Daarbij moet worden onderkend dat de inbreng vanuit de leefwereld vaak nog vrij zwak is: we hebben mensen jarenlang in de positie geplaatst van klanten, consumenten van overheidsdiensten. Nu wordt van deze mensen gevraagd zich om te vormen tot burgers die de diensten en voorzieningen waarvan ze gebruik maken, zelf produceren en beheren. Het systeemdenken is nog zo diep geworteld in het hart en de ziel van menig bestuurder, ambtenaar en burger, dat ontsnappingsroutes uit dit denken en doen noodgedwongen de kleur van dit denken en doen moeten aannemen.  De minister schrijft voor dat de regionale samenwerking  in wettelijk vastgelegde structuren gegoten moet worden. De Wet gemeenschappelijk regeling (WGR) vormt daarbij het vertrouwde denkkader. Bij de kunst van het afhoudend inspelen hoort  het vermogen om samenwerkingsvormen te vinden die wel de karakteristieken hebben van de WGR, maar niet de dwangmatige structuren ervan. Een WGR-light of nog liever een WGR-superlight, waarin gemeenten, als dat meerwaarde heeft, op praktische wijze regionaal samenwerken, maar nooit hun eigen zeggenschap over de inhoud uit handen geven.

 

Stug ‘Nee’ roepen tegen de regionaliseringsdwang volstaat niet. Ik ga liever bij de voorstanders en voortrekkers ervan zitten en probeer met slaande argumenten en enig geroep en getrek zoveel mogelijk invloed uit te oefenen op de koers die de regionale samenwerking vaart. En verder vertrouw ik op de kracht van de nieuwe tijdgeest en op de wijsheid van steeds meer lokale bestuurders zich door die tijdgeest te laten grijpen.

 

Raf Janssen
Meer columns van Raf Janssen leest u hier

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Myconius op
Voor mij persoonlijk is deze centralisatie, die vermomd wordt als decentralisatie, de reden dat ik inmiddels voor een status aparte van de provincie Fryslân ben, en dus bij lokale/regionale verkiezingen niet meer op landelijke partijen stem, zelfs niet de partij waar ik formeel nog lid van ben (PvdA).

De technocratisering van dit land heeft de democratie uitgehold, graaiers/carrièrepolitici aan de macht gebracht, en blijkt niet goedkoper maar stukken duurder dan de ouderwetse lekendemocratie die de gemeenten ooit waren.

Het ontstellende tempo waarin de betweters van nu de bestuursstructuur die we in 5 eeuwen hebben opgebouwd om zeep helpen, is schokkend. Technocratische mantra's, waarvan de schunnigste de NIMBY-mythe is (hét argument voor bestuurders om zich niets van de burger aan te trekken), en waar nog niet het begin van bewijs voor geleverd is, worden als een waar evangelie de niet-gelovigen de strot door gedrukt.

Het Koninkrijk waar ik in geboren ben, kende ruimte genoeg voor een autochtone minderheid. Het bureaucratisch monster dat men ervan gemaakt heeft niet. Als Fries wil ik er dan ook zo snel mogelijk van af.

En ik heb medelijden met al die Nederlanders die niet hun etniciteit als excuus kunnen gebruiken om eruit te stappen.