of 59130 LinkedIn

Vervolgaandacht voor bijstandsgerechtigde minimaal

Grote steden hebben zelden langdurige, intensieve en op maat gemaakte aandacht voor kansarme mensen in de bijstand, als zij hen eenmaal hebben geactiveerd. Gevolg is dat de doorgroei naar werk heel gering is. Dat blijkt uit onderzoek van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken en hoogleraar actief burgerschap Monique Kremer. ‘De zachte hand is een slap handje.’

Grote steden schermen graag met mooie cijfers over hoe zij kansarme mensen in de bijstand hebben geactiveerd, maar uit onderzoek van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken en hoogleraar actief burgerschap Monique Kremer blijkt dat aandacht zelden langdurig, intensief en op maat is en soms erg vrijblijvend. ‘De zachte hand is een slap handje.’

Aandacht is medicijn

‘Aandacht is het medicijn voor mensen in de bijstand en met lange afstand tot de arbeidsmarkt’, waren de openingswoorden op de bijeenkomst De Toekomst van de Bijstand, afgelopen woensdag in De Nieuwe Liefde in Amsterdam, waar de resultaten van het onderzoek in opdracht van de gemeente Amsterdam toegelicht werden door Kremer en freelance journalist Jelle van der Meer. De bijstandsaanpak in vijf grote Nederlandse steden werd onder de loep gehouden en de verschillen bleken kleiner dan gedacht.


Knuppel en zachte hand

De knuppel in Rotterdam en zachte hand in Amsterdam blijkt vooral retoriek. In de uitvoering liggen ze dicht bij elkaar. Beiden willen bijstandsontvanger activeren. In Rotterdam is meer sprake van subtiele drang, maar daar worden kansarme bijstandsgerechtigden vrijgelaten in wat ze willen doen. In Tilburg en Utrecht is vrijwilligheid af en toe wat al te vrijblijvend en wordt, net als in Leeuwarden, veel overgelaten aan wijkteams die niet altijd weten wie er in de bijstand zit en nog veel andere taken hebben. In Leeuwarden mogen zij ook zelf mensen benaderen. Van Werk en Inkomen krijgen ze dan de namen en adressen. Ze krijgen steun van verenigingen, buurtorganisaties en vrijwilligers, maar ze missen vaak drukmiddelen.


Subtiele drang werkt

De verhouding klantmanager-cliënt is in Amsterdam en Rotterdam 1:350 en in de Maasstad krijgen klantmanagers nog hulp van welzijnsorganisaties. In Rotterdam en Leeuwarden is de kans op een gesprek het grootst, maar de aandacht vaak kort. In Amsterdam is de kans op een gesprek kleiner, maar het contact wel intensiever. In Tilburg en Utrecht moet je zelf op zoek naar geschikte activiteiten. Kremer merkt op dat uit de wetenschap blijkt dat maatwerk, een beschermde omgeving en subtiele drang het beste werken. Ondermijnend werken (financiële) sancties, vage doelen en een te grote caseload. Een conclusie is dat nergens in Nederland nog langdurige, intensieve en preventieve begeleiding van mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt is, terwijl dat wel mogelijk is.

Kansrijk versus kansarm
De onderzoekers viel op dat alle gemeenten begonnen over de kortingen op het re-integratiebudget vanaf 2010. Als reactie gingen gemeenten focussen op de kansrijke cliënt. Met beperkte middelen was met hen het meest te bereiken. De kansarmen, ongeveer 50 procent van de totale groep, werden met rust gelaten. Na de invoering van de decentralisaties, de Wmo en de Participatiewet kwam er meer aandacht voor de kansarmen. Niet de toeleiding naar werk staat daarbij voorop, maar meedoen en activeren. In Amsterdam motiveren ze hen, waar ze in Rotterdam eerder drang dan dwang toepassen. Er is in beide steden een verbinding met Welzijn. Zoveel verschilt de aanpak dus niet. Van der Meer: ‘Het is eerder paternalisme dan vrijwilligheid.’

Minimale vervolgaandacht
Voor alle steden geldt dat de huidige aanpak beperkt is, want als het al lukt mensen te activeren, dan is er minimale vervolgaandacht. Gevolg is dat doorgroei naar werk heel gering is. De vraag is of je activering daarop moet beoordelen. Werk was immers niet het doel. Maar wat is dan wel het doel? Daar zijn gemeenten niet heel duidelijk over in het onderzoek. Aandacht is goed, maar kan meer en steviger en er moet een mogelijkheid zijn om te groeien. ‘Voor basisondersteuning of basisbanen ligt de bal ook bij het rijk’, stelt Van der Meer.


Omscholing

Feit is dat veel werk dat vroeger wel werd betaald, nu niet meer wordt betaald. ‘En dat er weinig werk is voor kansarme mensen’, aldus Josien Arts, als socioloog aan de Universiteit van Amsterdam onderzocht zij de uitvoering van de Participatiewet bij sociale diensten in Amsterdam, Rotterdam en Soest. ‘Vaak is het tijdelijk en slecht betaald werk. Voor de groep kansrijken is het al moeilijk aan het werk te blijven. Als je zegt dat de bijstand de springplank is naar de arbeidsmarkt, moet je ook bezig met die arbeidsmarkt. Kijk naar capaciteiten voor omscholing.’

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Sanne op
En is dit onderzoek dan een vrijbrief om bijstandsgerechtigden nog meer te beperken in hun rechten. Eerder kwam al in de media dat verdachten in het strafrecht meer bescherming genieten dan bijstandsgerechtigden: gps-trackers, achtervolging in auto, vingerafdrukken nemen om zo eenvoudig presentie bij te kunnen houden, ... .
Of blijft een bijstandsgerechtigde de gebeten hond, die de grillen van gemeente en overheid maar dient te 'slikken' als hij/zij de uitkering wenst te ontvangen?
Door Koos Koopal (onderzoeker/ adviseur) op
Ben benieuwd naar het onderzoeksverslag
Door Norman Waalre op
Veel bijstandsgerechtigden kampen min of meer met persoonlijke problemen op gebied van lichamelijke en/of geestelijke gezondheid, opleiding, werkervaring, woonsituatie, of sociale, financiële of juridische omstandigheden. Om hen te begeleiden naar werk en welzijn, is vaak zeer veel expertise en voorlichting nodig. De LANDELIJKE overheid moet die kennis overdragen aan ambtenaren en cliënten. Dat kan kostenbesparend via webvideo's en webforums, waar top-experts vragen beantwoorden.