of 59318 LinkedIn

‘Til arbeidsmarkt over gemeentegrenzen heen’

Als lokale beleidsmakers goed over gemeentegrenzen heen kijken en verschillen tussen hoog- en laagopgeleide werknemers in acht nemen kunnen zij de klap van baanverlies in een regio verzachten. Dat concludeert econoom Jordy Meekes die 18 februari aan de Universiteit Utrecht promoveert op een proefschrift over de gevolgen van baanverlies, lokale arbeidsmarkten en agglomeratievoordelen.

Lokale beleidsmakers kunnen de klap van baanverlies in een regio verzachten, maar moeten daarbij goed over gemeentegrenzen heen kijken en verschillen tussen hoog- en laagopgeleide werknemers in acht nemen. Dat concludeert econoom Jordy Meekes die 18 februari aan de Universiteit Utrecht promoveert op een proefschrift over de gevolgen van baanverlies, lokale arbeidsmarkten en agglomeratievoordelen.

Hoe kwam u tot dit onderzoek?
‘Ik was geïnteresseerd in de huizenmarkt. De economische crisis begon in 2008 en was in 2012, 2013 op zijn toppunt. Ik was geïnteresseerd in het verschil tussen huurders en kopers en benieuwd of de effecten van baanverlies anders waren voor verschillende regio’s. Daarvoor heb ik naar de lokale arbeidsmarkt gekeken en naar de regio in statistische CBS-gegevens van 2006 tot 2014. In beleid wordt altijd uitgegaan van dezelfde arbeidsmarkt en de geografische omvang van het gebied wordt vaak gedefinieerd in pendelstromen: woon-werkverkeer. Dat is in Nederland goed gedocumenteerd, ook op individueel niveau. In beleidstukken kijkt men voor de lokale arbeidsmarkt, naast gemeenten en provincies, naar de Corop-gebieden. Amsterdam is bijvoorbeeld relatief klein, maar staat wel in verbinding met de gebieden eromheen.’

In hoeverre passen mensen zich op de arbeidsmarkt aan na ontslag?
‘Ik heb gekeken naar de situatie tot en met 36 maanden na het baanverlies en vergeleek een groep mensen die is ontslagen na een faillissement met een vergelijkbare groep mensen die niet ontslagen is. De eerste groep ervoer een 25 procentpunten lagere baankans, een verlies van 6 procent in het loon, een toename van 20 procent in de woon-werkafstand en een kleine afname in de verhuiskans. Mensen verhuizen niet vaak naar betere gebieden, maar kiezen vooral voor een langere woon-werkafstand. Langdurig werklozen vinden werk dichter bij huis weer belangrijker dan een hoger loon. Zij zijn minder bereid ver te reizen, vinden minder geschikte banen en zijn langer werkloos of krijgen een minder goede match. Hoe verder je wilt reizen, hoe hoger het loon. Langer werklozen lijken selectiever en werken dichter bij huis, maar ervaren een hoger verlies in het loon. Dat zit hem in persoonlijke voorkeur.’

Je adviseert beleidsmakers om de verschillen tussen groepen werkenden op de arbeidsmarkt in acht te nemen. Welke verschillen?
‘Verschillen in geografische omvang. Hoger opgeleiden reizen verder en hebben daardoor een grotere arbeidsmarkt dan lager opgeleiden. Zij hebben een verschillende hoeveelheid tijd en middelen. De arbeidsmarkt voor hoger opgeleiden is schaarser en er zijn voor hen clustergebieden. Hoger loon gaat boven verder reizen. Er zijn dus verschillen in omvang van de arbeidsmarkt. Lager opgeleiden pendelen minder gemakkelijk en zijn minder goed in het omgaan met baanverlies.’

Hoe kunnen beleidsmakers hier rekening mee houden?
‘Door het stimuleren van agglomeratievoordelen in regionale productiviteitsgroei. Anders gezegd: de gemeenten om Amsterdam profiteren van de goede infrastructuur en van een brede arbeidsmarkt en afzetmarkt. Lokaal beleid wordt steeds centraler. Kijk naar de afname van het aantal gemeenten. Gemeenten worden groter en er gebeurt veel in beleid. Belangrijk is bijvoorbeeld de infrastructuur tussen Utrecht en Amsterdam. Je wilt de infrastructuur tussen gemeenten beter maken, zodat je de productiegroei op een hoger niveau krijgt.’

En geldt dat breder kijken ook voor woningbouw?
Ook bij woningbouw wordt vaak gekeken naar een enkele gemeente, maar de huizenmarkt van Amsterdam ligt in verbinding met omliggende gemeenten. Het beleid heeft effecten op uitkomsten in andere woningmarkten. Het gebied waar mensen willen werken is individueel bepaald. Vooral in opleidingsniveau zijn daarin grote verschillen. Lokaal beleid concentreert zich op de grotere arbeidsmarkt, maar voor laagopgeleiden, mensen met een kleine lokale arbeidsmarkt, is het juist nuttig om dat op kleiner niveau toe te spitsen.’

‘Maak dus niet alleen stedelijk of regionaal werkgelegenheidsbeleid op een laag regionaal niveau, maar kijk hoe je agglomeratievoordelen en regionale productiviteitsgroei kan stimuleren op een nationale schaal’, schrijf je. Wat zijn daarvan de voordelen?
‘Internationaal gezien gaat het om matching, sharing en learning. Je kunt werknemers zo beter matchen aan werkgevers. Betere baankansen of hogere lonen kunnen het gevolg zijn. Bedrijven kunnen risico’s en grondstoffen delen. En op het gebied van learning: werknemers genereren meer kennis in stedelijke gebieden, er is meer interactie, meer diversiteit.’

Zijn er ook nadelen aan ‘opschaling’?
‘Ik heb zes subgroepen onderzocht, mannen en vrouwen en laag, middelbaar en hoger opgeleiden. Bij allen waren er positieve agglomeratievoordelen. Iedereen profiteert er dus van, maar de hoger opgeleiden het meest. Bij stimulering van agglomeratievoordelen zijn de baten niet gelijk verspreid over alle werknemers. Dat is de keuze tussen efficiëntie en sociale ongelijkheid.’

Is het trouwens niet juist goed als mensen dichter bij huis gaan werken?
‘Dat onderstreept het belang van de woningmarkt. Je kunt dat stimuleren. Een voordeel van veel werknemers en banendichtheid zou kunnen zijn: minder afstand. Ik heb een aanstelling gekregen aan de universiteit van Melbourne. Dat is in omvang een derde van Nederland. Een kern in de stad heeft alle banen en bedrijven. Als je dat vergelijkt met de Randstad, dan zie je dat de G4 wel verschillende kernen en arbeidsmarkten heeft, maar qua afstand is dat niet zo. Als Amsterdam de kern is, dan zal congestie een groter probleem zijn. Melbourne wil die kern nu ontlasten. In Nederland doen we het al relatief goed door op meerdere kernen te focussen.’

Jij onderzocht de crisisjaren. Zijn de resultaten ook geldig tijdens hoogconjunctuur?
‘Ik erken dat willen verhuizen laag stond tijdens de crisis. Maar woon-werkafstand is per definitie belangrijker geworden. Nu is er hoogconjunctuur, maar de huizen zijn duur, dus het is niet altijd mogelijk te verhuizen. Ik denk dat er verschillen zijn tussen gebieden en niet binnen gebieden en dat verschillen relatief tijdsconstant zijn. Ik ben van plan hier vervolgonderzoek naar te doen.’

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.