of 61869 LinkedIn

Pragmatische succesformule in Bossche bijstand

Sinds 2016 boekt de gemeente Den Bosch wat betreft uitstroom uit de bijstand beduidend betere resultaten dan gemeenten van vergelijkbare grootte. De bijstandspopulatie van de Brabantse hoofdstad slonk in 2018 zelfs met 9,8 procent – 4,5 procentpunt meer dan bij de andere grote gemeenten.

Wat is het geheim van de spectaculaire dalingen in de bijstandspopulatie die de gemeente 's-Hertogenbosch de afgelopen jaren heeft weten te realiseren? Ze maakt simpelweg goed gebruik van de beschikbare instrumenten, zeggen wethouder Huib van Olden en Sjoerd van het Erve, directeur van werk- en ontwikkelbedrijf Weener XL.

Andere gemeenten zouden het voorbeeld daarom moeten volgen, betogen de Bosschenaren in het boekje 'Het Goud van de Participatiesamenleving', dat de twee onlangs samen uitbrachten. 

Structureel beter
Sinds de invoering van de Participatiewet in 2015 zijn de baankansen voor mensen met een arbeidsbeperking gedaald. Voor mensen met een bijstandsuitkering maakte de wet weinig verschil. Dat is inmiddels al ruim een jaar bekend. Sommigen zien dat als het bewijs dat het stelsel aan grondige herziening toe is. Die conclusie is te voorbarig, vinden Huib van Olden, wethouder werk en inkomen in Den Bosch (CDA), en Sjoerd van het Erve, directeur van het gemeentelijk werkbedrijf Weener XL.

Binnen de kaders van de Participatiewet kan er namelijk meer dan veel gemeenten zich realiseren, aldus de wethouder. Sinds 2016 boekt de gemeente Den Bosch wat betreft uitstroom uit de bijstand beduidend betere resultaten dan gemeenten van vergelijkbare grootte. De bijstandspopulatie van de Brabantse hoofdstad slonk in 2018 zelfs met 9,8 procent – 4,5 procentpunt meer dan bij de andere grote gemeenten. 'We doen het structureel beter', aldus wethouder Van Olden.

Revolutionair
De succesformule voor de spectaculaire cijfers klinkt echter allesbehalve revolutionair. Het sleutelwoord: loonkostensubsidie. Daarbij betaalt de gemeente een deel van de loonkosten van iemand die uitstroomt van de bijstand naar werk. Het is een instrument dat breed ingezet kan worden voor de doelgroep van de Participatiewet, legt Sjoerd van het Erve uit. 'Voor veel mensen geldt dat ze structureel een afstand hebben tot de arbeidsmarkt'. Volgens hem is de inzet op loonkostensubsidie, samen met de ‘poortaanpak’ waarbij er vanaf het begin van de bijstandsaanvraag veel aandacht is voor werk, een van de belangrijkste elementen van het Bossche succes.


De bijdrage aan de loonkosten maakt het voor een werkgever aantrekkelijker om iemand met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst te nemen. Daarnaast speelt ook de 'no-risk polis' een belangrijke rol, zeggen Van Olden en Van het Erve. Die polis, die automatisch in werking treedt bij de inzet van loonkostensubsidie, neemt voor werkgevers het risico op ziekte van de werknemer weg. In Den Bosch zijn ze het de 'go-risk polis' gaan noemen. 'Dat klinkt positiever', vindt wethouder Van Olden.

In ‘s-Hertogenbosch werken nu ruim 600 mensen met loonkostensubsidie (LKS), waarvan 85 procent een achtergrond in de bijstand heeft. Landelijk ligt het aantal op 24.000 mensen. Als de rest van Nederland het voorbeeld van Den Bosch zou volgen, zou dat aantal kunnen stijgen naar 67.000, menen Van Olden en Van het Erve. Op dit moment is LKS landelijk verantwoordelijk voor minder dan 1 procent van de uitstroom naar werk bij mensen die lang in de bijstand zitten. Dat percentage moet omhoog, vinden de Bosschenaren.

Businesscase
Een deel van de mensen die werken met LKS, stroomt hetzelfde jaar nog uit naar regulier werk (in 2019 zo'n 30 procent). Maar ook als ze langer afhankelijk blijven van de gemeentelijke bijdrage, is dat geen probleem, legt Van het Erve uit. Het betalen van loonkostensubsidie is namelijk goedkoper dan een bijstandsuitkering. 'Als iemand in de bijstand zit, kost dat ons 18.000 euro per jaar. Als we inzetten op werk, besparen we op bijstand.' Daar komt bij dat werk mensen gezonder en gelukkiger maakt.

In het boekje dat Van het Erve en Van Olden schreven, is een modelbegroting te vinden die de businesscase concreet maakt. Daarbij wordt gekeken naar zowel de budgetten van de gemeentelijke sociale dienst als de werkgever. In sommige gevallen is het werkbedrijf van de gemeente zelf de werkgever. Volgens Van Olden en Van het Erve zouden gemeenten de sociale dienst en het werkbedrijf dan ook niet als gescheiden budgetten moeten zien, maar als communicerende vaten.

Eenvoud
'Het is allemaal boerenlogica', vat Van het Erve samen. 'De kracht zit 'm in de eenvoud', vult Van Olden aan. Maar als het zo eenvoudig is, waarom gebruikt nog niet elke gemeente dit systeem? Daar zijn een aantal redenen voor, zegt Van het Erve. Een belangrijk knelpunt is dat veel gemeenten LKS zien als een instrument dat alleen bedoeld is voor mensen 'met een heel lage loonwaarde', vaak mensen met een arbeidsbeperking. Gemeenten zijn huiverig om LKS in te zetten bij mensen waarvan wordt ingeschat dat uitstroom zonder LKS mogelijk is.

Maar ook bij die groep loont het om tóch LKS te gebruiken, zegt Van het Erve. 'Statistiek leert dat de uitstroom naar reguliere arbeid na een half jaar bijstand dramatisch daalt. Dan weten we: dit gaat 'm niet worden zonder ondersteuning.' In Den Bosch komt daarom iedereen die na een half jaar in de bijstand nog geen werk heeft gevonden in aanmerking voor LKS. Plaatsing met behulp van LKS kan voorkomen dat de afstand tot de arbeidsmarkt nog groter wordt. Want wie langer dan twee jaar in de bijstand zit, blijft gemiddeld tien jaar lang afhankelijk van een uitkering.


Budgetwerkelijkheid
Andere drempels die gemeenten ervan weerhouden om op deze manier te werken, liggen bij het beleid van de rijksoverheid, menen de twee auteurs. Gemeenten leven vaak in een 'sterke budgetwerkelijkheid', waardoor de maatschappelijke businesscase niet rond gemaakt kan worden. Investeren in begeleiding naar werk betaalt zichzelf wel degelijk terug, maar de baten komen niet altijd bij de gemeente terecht – of niet in het goede potje. Het rijk kan helpen om de businesscase soepeler te laten verlopen.

Financiering van LKS zou daarom gebaseerd moeten zijn op daadwerkelijk gerealiseerde plekken, vinden Van Olden en Van het Erven. Het kabinet kondigde onlangs aan dat dat vanaf 2022 inderdaad gaat gebeuren. Daarnaast zou ook het budget voor begeleiding van mensen in de bijstand fors omhoog moeten, zegt Van het Erve: 'Dat bedrag moet van 4.000 euro per persoon naar 7.500 euro, want dat is ongeveer wat het kost.' Ook daar kan het rijk er vanuit gaan dat dat uiteindelijk geld oplevert, omdat het totale bijstandsbestand zal afnemen.

Ook stellen de twee Bosschenaren voor om de no-risk polis, die werkgevers van de plicht ontneemt om bij ziekte het loon door te betalen, toe te passen op iedereen die langer dan twee jaar in de bijstand zit, onafhankelijk van loonkostensubsidie. 'Zeker in de arbeidsmarktregio's die niet Amsterdam of Utrecht of Rotterdam zijn, zit een groot deel van de werkgevers in het kleinbedrijf', zegt Van Olden. Om precies te zijn: 96 procent van de bedrijven heeft minder dan tien medewerkers. Van Olden: 'Die zijn enorm huiverig voor ziektewetrisico's.'

Geweldig mooi
Zo bevat het boekje een reeks aanbevelingen voor zowel rijk als gemeenten. De bevindingen zijn net zozeer gegrond in de ambitie om mensen in de bijstand ‘echt een kans’ te geven als in praktische kennis van de realiteit van de bijstand en de arbeidsmarkt. Van het Erve: ‘Het punt is: als er in 2019 nog geen 1 procent van mensen die lang in de bijstand zitten, is uitgestroomd met de hulp van loonkostensubsidie, dan laten we een geweldig mooi instrument liggen.’

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.