of 64120 LinkedIn

Ministerie verdoezelt inburgercijfers

Sjors van Beek Reageer
Cijfers waar het ministerie voor WWI het inburgeringsstelsel op stoelt, zijn zwaar vervuild. Het aantal inburgeringsplichtigen ligt zo’n 40 procent lager dan wat officieel wordt aangehouden.

Het ministerie voor Wonen, Wijken en Integratie weet dat al geruime tijd, maar heeft die informatie achtergehouden. Dat blijkt uit documenten die Binnenlands Bestuur heeft verkregen na een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur. Medio 2008 nam oud-minister Winsemius (VVD) op verzoek van toenmalig PvdA-minister Vogelaar de knelpunten rond inburgering door.

 

In een bijlage van zijn - nu door minister Van der Laan openbaar gemaakte - rapport schrijft Winsemius dat ‘de groep inburgeringsplichtigen veel kleiner lijkt dan uit het BPI (Bestand Potentiëel Inburgeringsplichtigen, red.) wordt verondersteld. Mensen blijken al een gewenst taalniveau te hebben en over diploma’s te beschikken. Inschatting is dat uiteindelijk slechts 3/5 van de mensen feitelijk inburgeringsplichtig is. Sommige gemeentes zijn al door hun bestand heen’, aldus Winsemius in juli 2008.

 

Bovenstaande passage was weggelakt in de eerste versie van het Winsemius- rapport die in januari 2009 aan Binnenlands Bestuur is verstrekt (zie artikel hieronder). Enkele maanden geleden maande minister Van der Laan gemeenten nog om een extra slag te leveren ten aanzien van de inburgering. Diverse gemeenten stelden toen dat hen onterecht verweten werd achter te lopen. Volgens de gemeenten hanteerde het ministerie verouderde cijfers en moesten de doelstellingen daarop worden aangepast. ‘Het bestand verplichte inburgeraars is bijna “op” en de vrijwillige inburgeraars kun je niet dwingen’, zo zei de Haagse wethouder Baldewsingh op 4 september in Binnenlands Bestuur.

 

Volgens Baldewsingh was het ‘ambtelijk bekend op het ministerie dat de oude prognoses niet langer haalbaar zijn’. In een brief aan de Kamer op 25 augustus erkent Van der Laan dat de helft van de mensen in het BPI niet hoeft in te burgeren. Het bestand telt op dit moment 250 duizend mensen.

 

Terugbetalen

 

Groningen meldde deze week een paar miljoen euro inburgeringsgelden te moeten terugbetalen omdat het verwachte aantal inburgeraars niet is gehaald. ‘Sinds begin dit jaar ongeveer weten we dat de bestanden waanzinnig vervuild zijn. Er zijn veel minder inburgeraars dan gedacht, we halen niet eens de helft’, zegt wethouder Peter Verschuren (SP). ‘Een deel van het voorschot hadden we al apart gelegd en wat we niet nodig hebben, betalen we gewoon terug’. Tientallen andere gemeenten moeten ook terugbetalen.

 

Het rapport-Winsemius legt ook de vinger op andere zere plekken. Zo signaleert de oud-bewindsman een ‘perverse prikkel’: gemeenten krijgen betaald op basis van de inburgeraars die ze naar het examen sturen, ongeacht of die daar klaar voor zijn. Dat zou op te lossen zijn door het aantal geslaagden als prestatiemaatstaf aan te houden, iets wat sommige gemeenten overigens al doen.

 

Daar komt bij dat het examen voor vrijwillige inburgeraars ‘geen toegevoegde waarde heeft’ omdat ze het papiertje niet nodig hebben voor de verblijfsvergunning. Andersoortige waarde heeft het diploma niet omdat het nergens wordt erkend. ‘Het huidige inburgeringsexamen is te zwaar voor inburgeraars die slechts maatschappelijk kunnen participeren (“huis-, tuin- en keukentaal”) en te licht voor werkenden of deelnemers in een reïntegratietraject’, aldus de conclusie. Winsemius oppert om ‘voor een groep inburgeraars wellicht een lager taalniveau van inburgering’ mogelijk te maken.

 

Tegenstrijdig

 

Ook gaat het huidige inburgeringsstelsel wat Winsemius betreft mank aan een innerlijke tegenstrijdigheid: inburgeringsbehoeftigen – dus niet de verplichte inburgeraars – moeten worden verleid tot deelname aan een cursus, maar worden tegelijkertijd geconfronteerd met sancties en boetes als ze de vrijwillig aangegane afspraken niet nakomen. ‘Het stelsel is gebaseerd op plicht, dwang en drang. Dit is niet geheel passend bij het feit dat veel mensen de inburgering op vrijwillige basis moeten doen en dus verleid moeten worden. De gehele sfeer rond de wet wordt ook als zodanig beleefd’, aldus Winsemius in een passage die het ministerie bij eerste verstrekking eveneens had weggelakt. Een groot deel van de inburgeraars kan ook niet goed omgaan met de eigen verantwoordelijkheid. Dat is juist iets wat ze moeten leren tijdens de inburgering, stelt Winsemius vast.

 

Bovendien zou een inburgeraar die zakt voor het examen een klacht kunnen indienen bij de gemeente met als argument dat het inburgeringsaanbod ondermaats was. ‘Dit zou toch een interessante ontwikkeling zijn’, schrijft Winsemius.

 

Kinderopvang is ook een groot probleem. Winsemius beschrijft hoe er aanvankelijk geld was gereserveerd voor kinderopvang voor alle inburgeraars. Toen bleek dat ongeveer de helft van hen niet verplicht kon worden tot inburgeren, ging Sociale Zaken dwars liggen. Minister Vogelaar speelde vervolgens met het idee om ‘informele’ kinderopvang voor vrijwillige inburgeraars toe te staan.

 

Daar hebben gemeenten weer moeite mee, omdat ze enerzijds de reguliere opvang op kwaliteit moeten controleren en dan tegelijkertijd een grijs circuit van inburgeringsopvang moeten gedogen. Ook zijn er organisatorische problemen: zo zouden kinderopvangorganisaties niet staan te springen om kinderen op te vangen van inburgeraars omdat die ‘van andere tijden gebruik maken van de opvang, niet altijd trouw zijn en financieel niet altijd betrouwbaar’.

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.