of 59345 LinkedIn

Grip op jeugdzorg is ondoenlijk

Als gemeente grip krijgen op de jeugdzorg is ondoenlijk. Meten is niet weten, want meten is in een groot deel van de jeugdzorg eigenlijk een onmogelijke opgave. Dat stelt gezondheidseconoom Xander Koolman (VU).

Als gemeente grip krijgen op de jeugdzorg is bijna een onmogelijke opgave. Meten is niet weten, want meten is in een groot deel van de jeugdzorg eigenlijk ondoenlijk. Geen vrolijk verhaal van gezondheidseconoom Xander Koolman, al heeft hij wel een alternatief. Via de inkoopmethodiek en de wijkteams kunnen gemeenten sturen.

Inkoop

De problemen in de jeugdzorg zijn eigenlijk begonnen met de inkoop, stelt gezondheidseconoom Xander Koolman (VU). Gemeenten hebben het zichzelf moeilijk gemaakt door concurrentie onder aanbieders te stimuleren. Potentieel veel aanbod is in een gewone markt goed, maar de jeugdzorg is geen gewone markt. Aanbieders kunnen heel makkelijk een latente zorgvraag aanboren en de gemeente betaalt de rekening.

 

Kwaadwillendheid

Ook bij de volgende stappen hebben gemeenten de touwtjes niet in handen. Er valt niet te meten of de juiste diagnose wordt gesteld, het juiste behandelplan wordt gemaakt, de juiste intensiteit en duur van het behandeltraject wordt gekozen. ‘De aanbieder kan een diagnose verzwaren, waardoor een zwaardere behandeling nodig is. Vervolgens kan het behandelplan worden verruimd, zodat een jongere intensiever en langduriger kan worden behandeld. Ook kunnen aanbieders ‘spelen’ met het moment dat je een jongere ontslaat. Je kunt een kind langer in zorg houden.’ Elke schakel in het traject – al of niet ziek, diagnose, behandelplan, intensiteit en duur van het zorgtraject − zijn bovendien niet objectiveerbaar, aldus Koolman. Kwaadwillendheid ziet daar meestal niet bij, benadrukt Koolman. ‘De professionals vinden ook echt op professionele gronden dat het kind die zorg nodig heeft.’  


Toegangspoort

Maar gevolg is dat gemeenten er nog nauwelijks controle op hebben. ‘Drukken ze op de kosten, dan stijgen de volumes, beheersen ze de volumes dan neemt de zorgzwaarte toe. Daarbij kunnen gemeenten al die stappen niet meten en vergelijkbaar maken.’ Ook de effectiviteit van de zorg is volgens Koolman grotendeels niet te meten. Een ander meetprobleem is dat aanbieders niet met elkaar te vergelijken zijn. ‘Er zijn zoveel factoren die daarbij een rol spelen, dat we de data niet goed vergelijkbaar kunnen maken.’ Aanbieders kunnen daarom moeilijk op hun prestaties worden afgerekend. Pogingen om dit toch te doen leiden al snel tot uitgebreide verantwoording en daarmee gepaard gaande stijging van de kosten.

 

Budgetplafonds

Gemeenten proberen van alles te meten en te weten, maar eigenlijk levert dit nog weinig op, in de optiek van Koolman. Al met al een somber verhaal, erkent Koolman. ‘De basis is dat gemeenten veronderstellen: een kind is ziek of niet ziek. En als het kind ziek is, heeft het een behandeling nodig, daarvoor is zoveel uur nodig en dan is het kind hersteld. Veel aannames die onder de veel gehanteerde inkoopmodellen, zoals prijs maal hoeveelheid, liggen gaan niet op.’ Maar ook aan andere inkoopmodellen zoals populatiebekostiging – waarbij een aanbieder een zak met geld krijgt en de zorg voor bijvoorbeeld een hele wijk moet leveren – kleven nadelen. Of neem een maatregel als het instellen van budgetplafonds. ‘Het grote voordeel voor gemeenten is dat ze financieel exact weten waar ze aan toe zijn en in de loop van het jaar niet voor verrassingen komen te staan. Maar eigenlijk wil je als gemeente ook weten of kinderen nog wel behandeld worden, ze niet te snel naar huis worden gestuurd en of ze tevreden zijn.’ Ook dat vraagt informatie.


Strengere criteria

Het was al met al niet zo’n goed idee om de deuren voor aanbieders wagenwijd open te zetten, stelt Koolman. ‘Vanuit het perspectief van kostenbeheersing is het makkelijker om de kosten te beheersen als je het aanbod gaat verkleinen en strengere criteria gaat stellen over wie er wel of geen aanbieder mag zijn.’ Ook door te kijken naar de wijkteams kunnen gemeenten iets doen aan de kostenbeheersingskant. Koolman refereert daarbij aan een onderzoek van het Centraal Planbureau naar de wijkteams in de Wmo. Daaruit kwam naar voren dat gemeenten waar (ook) zorgaanbieders in het wijkteam zitten, zich geconfronteerd zien met hogere kosten die met toegekende maatwerkvoorzieningen gepaard gaan dan in wijkteams met medewerkers die in dienst zijn van gemeenten. ‘Als medewerkers van wijkteams ambtenaar zijn, en zij moeten beslissen wat er met het beperkte budget wie wel en wie niet zorg krijgt, dan krijg je een situatie waarin die indicatiestelling veel beheersbaarder is’, verduidelijkt Koolman. Datzelfde zou kunnen gelden voor wijkteams voor de jeugdzorg. 

 

Lees het hele artikel in Binnenlands Bestuur nr. 22 van deze week (inlog)

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Inge Bastiaanssen (senior adviseur effectiviteit) op
Xander Koolman spreekt in zijn interview met Binnenlands Bestuur over de last die gemeenten hebben bij grip krijgen op het jeugdzorggebruik. Gemeente hebben de volledige verantwoordelijkheid voor jeugdzorg gekregen maar daarbij beperkte sturingsmogelijkheden voor handen. Het vormen van maatschappelijk partnerschap tussen gemeenten en aanbieders staat nog in de kinderschoenen, de wijze van bekostiging en concurrentie helpen daar niet bij. Wij zijn het echter niet eens met zijn veronderstelling dat de effectiviteit van de jeugdzorg grotendeels niet meetbaar is. Hieronder lichten wij dit kort toe.

Kijken we naar internationale en nationale literatuur dan toont wetenschappelijk onderzoek voor de jeugdzorg veel bewijs voor de effectiviteit. Een toenemend aantal overzichtsstudies laat zien welke behandelingen werken voor welke problematiek. Er is een snel groeiend kennisbestand over wat werkt. Voor een - vergeleken met de medische zorg - relatief jonge sector is dat goed nieuws.

Maar naast wetenschappelijk onderzoek in de jeugdzorg is het zeer zeker ook nuttig om te kijken naar uitkomsten zoals de tevredenheid van kinderen, jongeren, ouders en leerkrachten over het nut van de zorg; het aantal kinderen, jongeren en ouders dat wordt bereikt of afhaakt; en de mate waarin problemen verminderen en vaardigheden toenemen. Experimenten met deze zogeheten 'outcome-indicatoren' laten zien dat inzicht in en reflectie op de resultaten aan de hand van die indicatoren helpen om de zorg verder te verbeteren. De aanbieders bespreken de resultaten met elkaar en met gemeenten en burgers om ervan te leren en af te spreken welke acties nodig zijn om ze verder te verbeteren. Ze zorgen dat de kennis uit wetenschap en ervaringen van professionals, kinderen, jongeren en ouders uit de praktijk bij elkaar komen. Hoewel deze beweging nog moeizaam op gang komt zijn er ook mooie voorbeelden van waar het al wel werkt, zoals het voorbeeld uit Friesland tevens opgenomen in deze editie van Binnenlands Bestuur. Outcome indicatoren zijn niet bedoeld om af te rekenen, maar bedoeld om een lerende beweging op gang te brengen tussen gemeenten, aanbieders, kinderen jongeren en ouders.

Wij zouden het jammer vinden als gemeenten deze lerende beweging geen kans geven. In tegenstelling tot Koolman geloven wij wel dat het juiste gesprek tussen gemeenten en aanbieders kan leiden tot gewenste resultaten. Wantrouwen en taal zoals ‘objectiveerbare criteria om aanbieders mee om de oren te slaan’ gaat ons daarbij niet helpen. Ons belangrijkste aandachtspunt is de verbinding tussen onderzoek, praktijk en beleid om effectief werken in de jeugdzorg te versterken. Dit biedt kansen voor het verkrijgen van grip op jeugdzorg.
Door Spijker (n.v.t.) op
@ Jaap.
Helemaal juist.
Door jaap (adviseur, dataspotter.) op
Zolang alleen maar wordt geschermd met geldvolumes - waarvan ook de minister weet dat ze op los zand zijn gebaseerd - gaat het niet lukken in jeugdzorgland.
Door w.f.willems (pensioen) op
Alex, dat wisten we al uit de films over de fam. Flodder.
Door Alex (maatschappelijk werker) op
De beheersbaarheid van de jeugdzorg is net zo gemakkelijk / moeilijk als de beheersbaarheid van de mens.
Een technocratische benadering gaat niet lukken.
Oude literatuur haalt 270 factoren aan die ingezet worden, welke onderling elkaar beïnvloeden. Ga er maar aan staan om dat in een systeem te gieten en vanuit dat systeem prognoses te maken.
Daarmee is de jeugdzorg niet beheersbaar. Wel kan er een niveau van diensten aangeboden worden.
Wel kan er een minimumniveau problematiek afgesproken worden waarbij jeugdigen hulp geboden wordt/ nodig hebben. Maar ook dan blijft het een open eind financiering.