of 61043 LinkedIn

‘Eenheidsworst’ in gemeentelijk 3D-beleid

Een van de doelen van de decentralisaties van zorg en werk is het kunnen bieden van lokaal maatwerk. In de praktijk is het daar niet van gekomen. Er is sprake van een ‘eenheidsworst’ in gemeentelijk beleid, mede omdat het gemeenten aan sturingsmogelijkheden ontbreekt. Het is dan ook beter te spreken over deconcentratie.

Een van de doelen van de decentralisaties van zorg en werk is het kunnen bieden van lokaal maatwerk. In de praktijk is het daar niet van gekomen. Er is sprake van een ‘eenheidsworst’ in gemeentelijk beleid, mede omdat het gemeenten aan sturingsmogelijkheden ontbreekt. Het is dan ook beter te spreken over deconcentratie.

Sturen

Dat concludeert bestuurskundige Nils Nijdam na onderzoek naar gemeentelijke sturing op de gedecentraliseerde taken in het sociaal domein. Hij is daar vandaag, 8 oktober, aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op gepromoveerd. 'Mijn voornaamste bevinding is dat gemeenten maar in beperkte mate zelf echt kunnen sturen in het sociaal domein.’ In zijn onderzoek concentreerde hij zich op de tegenprestatie in de Participatiewet en de huishoudelijke ondersteuning in de Wmo. ‘Toen ik met mijn onderzoek begon, verwachtte ik veel variëteit tussen gemeenten aan te treffen. Mijn verwachting is helemaal niet uitgekomen, want iedereen deed zo’n beetje hetzelfde.’ Hij komt tot die conclusie na het bestuderen en analyseren van de beleidsvisies van 49 gemeenten en een verdiepingsslag bij vijf gemeenten. Nijdam rondde zijn onderzoek eind vorig jaar af, maar concentreerde zich vooral op de beginjaren van de decentralisaties, 2015 en 2016.

 

Juridische procedures

Uit de beleidsanalyse en het verdiepende case-onderzoek kwam onder meer naar voren dat gemeenten echt wel het verschil willen maken, maar dat dit niet goed van de grond komt. ‘Zo sprak ik in Utrecht met de toenmalig directeur sociaal domein. Zij vertelde dat de stad graag stappen wil zetten en de burger meer in zijn kracht wil zetten, maar dat juridische procedures dat proces vertraagden.’ In Utrecht is er tot aan de Centrale Raad van Beroep geprocedeerd over de invulling van de huishoudelijke ondersteuning. De omslag van het recht hebben op een voorziening (de Wmo 2007), naar de compensatieplicht van gemeenten, bleek voor zowel gemeenten als de samenleving geen sinecure. Door de rechterlijke uitspraken zijn gemeenten ook wel wat huiverig geworden, denkt Nijdam. ‘Ze kijken dan eerst de kat uit de boom, voordat ze het hele sociaal domein bij wijzen van spreken op zijn kop zetten.’    

 

Haagse bemoeienis

Ook de financiële krapte hebben gemeenten bij de invulling van het lokale beleid parten gespeeld. Die is de laatste twee jaar goed zichtbaar geworden, maar dat speelde ook al vrij snel na 2015, aldus Nijdam. Zeker in de beginjaren van de decentralisaties speelde ook tijdsdruk mee, waardoor gemeenten toch min of meer hetzelfde deden. De bemoeienis vanuit ‘Den Haag’ heeft ook de variëteit in gemeentelijke beleidsuitvoering beknot, stelt Nijdam. ‘Denk aan de invoering van het Wmo-abonnementstarief en de AMvB reële prijs Wmo, die leidden tot minimumprijzen voor hulp bij het huishouden. Dat beperkt allemaal de gemeentelijke autonomie om zelf keuzes te maken.’

 

Regelreflex

En dan heeft Nijdam het nog niet over de debatten die in de Tweede Kamer worden gevoerd als er ergens in een gemeente een incident heeft plaatsgevonden, en de verantwoordelijk staatssecretaris of minister tot actie wordt opgeroepen. ‘Ik heb nog nooit iemand in Den Haag horen zeggen dat Kamer of ministers zich niet moeten bemoeien met de in 2015 aan gemeenten overgedragen taken. Als je een taak hebt overgedragen aan een mede-overheid, moet je haar ook de ruimte geven om die taak uit te kunnen voeren. Er is een te grote regelreflex. Het zou helpen om meer beleidsvrijheid te bieden om op lokaal niveau uitvoering aan de gedecentraliseerde taken te geven. Zodat er wel sprake kan zijn van een eigen lokale maatschappelijke invulling.’

 

Institutioneel isomorfisme

Al deze factoren − rechterlijke uitspraken, financiële krapte, tijdsdruk en Haagse bemoeienis − hebben bijgedragen aan, wat Nijdam noemt, institutioneel isomorfisme. ‘Dat is een situatie waarbij organisaties gaandeweg steeds meer op elkaar gaan lijken.’ De vraag of het de schuld van de rijksoverheid is dat het gemeentelijke ‘3D-beleid’ zo veel op elkaar lijkt, wil Nijdam liever niet beantwoorden. ‘Dan vel ik een normatief oordeel. Ik wil niet over schuld spreken, maar als je je mede-bestuur serieus neemt, moet je wel ruimte bieden.’

 

Deconcentraties

‘Alles overziend, vind ik dat we beter kunnen spreken over de drie deconcentraties dan drie decentralisaties. De rijksoverheid draagt taken over aan gemeenten, maar geeft wat betreft budget en aanvullende wet- en regelgeving stringent mee “we willen graag dat je het zus en zo doet”’, aldus Nijdam. Gemeenten moeten in zijn ogen meer ruimte krijgen om zelf te bepalen waar ze naar toe willen sturen. ‘Ze moeten meer financiële armslag krijgen en meer regelruimte. Pas dan krijgen gemeente de mogelijkheid om het verschil te kunnen maken en ook maatwerk te kunnen bieden aan hun inwoners. Daar draait het uiteindelijk bij de decentralisaties en bij gemeentelijke sturing om.’


Lees het hele artikel in Binnenlands Bestuur nr. 19 van deze week.

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Spijker (n.v.t.) op
De hoofdlijnen van wetgeving voor het Sociaal Domein kan m.i. het beste via landelijke richtlijnen tot stand komen. Hiermee wordt voorkomen dat de verschillen tussen 'rijke en arme' gemeenten (nog) groter worden. Ook wordt voorkomen dat gemeenten te maken krijgen met onwenselijke bijstandsmobiliteit. Binnen de huidige wetgeving hebben gemeenten voldoende mogelijkheden om in beperkte mate iets extra's voor inwoners te doen.