of 59318 LinkedIn

CRvB: geen recht op jeugdhulp, voldoende ‘eigen kracht’

Zwijndrecht hoeft geen jeugdhulp te verstrekken aan de ouders die dat via de Centrale Raad van Beroep (CRvB) probeerden af te dwingen. De Raad heeft geoordeeld dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders toereikend zijn.

De gemeente Zwijndrecht hoeft geen pgb voor jeugdhulp te verstrekken aan de ouders die dat via de Centrale Raad van Beroep (CRvB) probeerden af te dwingen. De CRvB heeft geoordeeld dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders ‘toereikend zijn om zelf de aangevraagde hulp en ondersteuning te kunnen bieden’.

Schadevergoeding

Het college van Zwijndrecht heeft daarnaast voldoende zorgvuldig onderzoek gedaan en deugdelijk gemotiveerd dat de ouders over voldoende eigen kracht beschikken om zorg aan hun kind − dat een autisme spectrum stoornis heeft − te kunnen geven. Het verzoek tot schadevergoeding is eveneens door de CRvB afgewezen.

 

Jeugdhulpplicht

Het uiteindelijke doel van de Jeugdwet is ‘het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving’, aldus de Raad in zijn vrijdag gepubliceerde uitspraak. Daarbij wijst de CRvB erop dat het onder de oude wetgeving bestaande wettelijke recht op zorg is vervangen door een jeugdhulpplicht voor gemeenten. Uitgangspunt blijft daarbij de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders.

 

Sociaal netwerk

‘Het college is niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden’, aldus de CRvB in zijn uitspraak, daarbij refererend naar de Memorie van Toelichting van de Jeugdwet. Gemeenten hoeven alleen jeugdhulp (of een pgb daartoe) te verstrekken ‘voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn’. De CRvB stelt daarnaast, refererend aan de Jeugdwet, dat ‘de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt’. Daarin komt volgens de Raad tot uitdrukking dat ‘moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk.’

 

Eigen mogelijkheden

Zwijndrecht heeft in het onderzoek onder meer gekeken naar draagkracht, belastbaarheid, woonsituatie en de financiële situatie van het gezin. ‘Niet is gebleken dat de door de moeder geboden hulp redelijkerwijs niet van haar kan worden verwacht. Haar enkele stelling dat zij moe is en dat zij financiële druk ervaart is hiervoor onvoldoende. Er is dan ook niet naar voren gekomen dat er geen eigen mogelijkheden zijn’, oordeelt de Raad.

 

Geen principiële uitspraak

‘De CRvB heeft nagelaten een principiële uitspraak te doen over de reikwijdte van eigen kracht. Dat is jammer’, stelt Saskia Vogels, hoofdredacteur Jeugd en Wmo van Schulink, Wolters Kluwer in een reactie op de uitspraak. De uitspraak gaat echt over deze specifieke situatie. Wel kan het gevolgen hebben voor andere informele pgb’s die gemeenten verstrekken, maar met deze uitspraak ‘blijft het gissen en is afhankelijk van de keuzes van de gemeenteraad’. Mogelijk dat het voor gemeenten aanleiding is informele pgb’s te herzien. Wat haar verder in de uitspraak opvalt is dat de financiële positie van een gezien indirect een rol speelt bij de bepaling van de eigen kracht van een gezin.          

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Erik Bevaart (columnist (en voorheen ambulant hulpverlener)) op
Jammer van het ontbreken van de exacte voorwaarden voor en eisen aan inkadering van 'eigen kracht'. Misschien een gemiste kans, maar wel begrijpelijk. Waarom zou immers de CRvB zich daar aan moeten wagen?
De transities zijn gebaseerd op participeren, de gedachtegang dat mensen meer als mantelzorger gaan fungeren. Het Sociaal Cultureel Planbureau stelt dat er anno 2019 vijftien potentiële mantelzorgers op één oudere zijn. Dit even als voorbeeld (met complexe problematiek voor kinderen wellicht anders). Dat klinkt goed, maar in de praktijk zal dat toch minder gunstig uitpakken en bovendien ervaren mantelzorgers overwegend hoge druk. Eerder heb ik al eens een oproep gedaan om successen, kwantitatief en kwalitatief, van (familie)netwerkbijeenkomsten, familiegroepsplannen e.d. in kaart te brengen. Niet per definitie op casusniveau, maar structurele aanpak. Welke gemeenten kunnen aantoonbaar goede resultaten overhandigen en kunnen deze successen delen? Het gaat om een enorme win-winsituatie.