Advertentie
sociaal / Nieuws

Aanpak kindermishandeling vergt extra inzet

Het beleid tegen kindermishandeling en huiselijk geweld dient na de valse start in 2015 dit jaar zijn beslag te krijgen. Een aangescherpte meldcode en een landelijk actieprogramma moeten leiden tot een betere signaalgevoeligheid en samenwerking. Maar ligt daar wel de hoofdmoot van het probleem?

20 februari 2019

Het beleid tegen kindermishandeling en huiselijk geweld dient na de valse start in 2015 dit jaar zijn beslag te krijgen. Een aangescherpte meldcode en een landelijk actieprogramma moeten leiden tot een betere signaalgevoeligheid en samenwerking. Maar ligt daar wel de hoofdmoot van het probleem?

De vijf maanden oude baby Mirella uit Tilburg overlijdt op 31 januari 2012. Eén dag nadat zij door elkaar is geschud. Het toenmalig Samenwerkend Toezicht Jeugd komt een jaar later tot de pijnlijke conclusie dat de dood van het meisje misschien had kunnen worden voorkomen als diverse jeugdzorginstanties doe bij het gezin betrokken waren, beter met elkaar hadden gecommuniceerd. De zaak rondom baby Mirella is er één uit een reeks dossiers met een gitzwarte afloop waarin de betrokken partijen langs elkaar heen werkten en soms niet eens van elkaars betrokkenheid op de hoogte waren. Het zijn dan ook zaken als deze die al jaren zorgen voor een discussie over meldcriteria en samenwerking, en die uiteindelijk leidden tot de per 2019 aangescherpte meldcode, zegt Paul Baeten, voormalig manager bij Veilig Thuis Haaglanden.

Spanning

‘Het credo was eerst ‘probeer het zelf op te lossen en ga daarná pas naar het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling of het Steunpunt Huiselijk Geweld [sinds 2015 vormen deze organisaties samen Veilig Thuis, red.]’, aldus Baeten. ‘De aangescherpte meldcode houdt in dat er melding wordt gedaan bij Veilig Thuis én dat de hulpverlener zelf hulp organiseert. Een van de vernieuwingen in de meldcode is het afwegingskader. Dat bevat een afspraak die voor alle betrokken beroepsgroepen geldt, namelijk dat bij de conclusie dat een thuissituatie acuut of structureel onveilig is, een melding bij Veilig Thuis wordt verwacht. Dat moet de nieuwe professionele norm worden.’

Die nieuwe norm zal naar verwachting leiden tot een hoger aantal meldingen, maar of, en zo ja wanneer de keten een hogere toestroom aankan, is nog geen uitgemaakte zaak. Baeten: ‘Gemeenten moeten met hun Veilig Thuis-organisaties nagaan in hoeverre men is voorbereid, en er is nog veel werk te doen. Er wordt gewerkt aan een enorme capaciteitsuitbreiding bij de Veilig Thuis-organisaties, die op sommige plaatsen startten met medewerkerstekorten. Ook inhoudelijk moet er veel worden voorbereid, maar dat gebeurt door middel van trainingen al grootschalig.’

‘Voor gemeenten heel belangrijk is de vraag hoe de wijkteams en jeugdteams voor te bereiden’, besluit Baeten. ‘Onder meer in het Actieprogramma Geweld hoort nergens thuis zou aanvankelijk worden nagedacht over de manier waarop de wijk- en jeugdteams beter kunnen worden toegerust op hun taak. Het feit dat hier nog over wordt nagedacht, geeft aan dat er nog wat spanning op zit. Op veel fronten moet nog hard worden gewerkt om te komen tot een effectievere aanpak, tot aantoonbaar herstel van de veiligheid in gezinnen. Het idee dat we op 1 januari dit jaar het licht aan hebben geknipt en dat alles functioneert, is niet realistisch.’

Achilleshielen

Gemeenten hebben sinds 2015 een regierol in de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld en zijn verantwoordelijk voor de eventuele opvang van slachtoffers onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). Zij zijn ervoor verantwoordelijk dat alle partijen die binnen hun grenzen met jeugd te maken hebben, goed zijn toegerust en goed samenwerken om kindermishandeling aan te pakken en te voorkomen. En die taak valt blijkbaar niet mee. In 2015 bleek al dat de Regionale Veilig Thuis-organisaties, die de centrale rol hebben in het oppakken van signalen en het inschakelen van hulp, ernstig tekortschoten. De Inspectie Jeugdzorg concludeerde eind dat jaar dat er niet zelden sprake was van gebrekkige registratie, beperkte beschikbaarheid en lange wachtlijsten. In april 2017 bleken die zorgen de wereld nog niet uit te zijn; registratie, monitoring en capaciteit waren toen volgens de samenwerkende inspecties nog steeds achilleshielen van de Veilig Thuis-structuur.

Onlangs bleek uit cijfers van het Landelijk Netwerk Veilig Thuis dat de regionale organisaties hun prestatieafspraken niet halen. Negentien van de zesentwintig Veilig Thuis-organisaties lukt het niet om in 90 procent van de gevallen de veiligheidssituatie in een probleemgezin binnen vijf dagen te beoordelen. Maar liefst eenentwintig Veilig Thuis-organisaties slagen er niet in om 80 procent van de meldingen binnen tien weken te onderzoeken. Volgens Tanno Klijn, voorzitter van het Landelijk Netwerk Veilig Thuis zouden die cijfers mede het gevolg zijn van de invoering van de aangescherpte meldcode. De Veilig Thuis-organisaties hebben daardoor veel nieuw personeel moeten aantrekken en huidig personeel op cursus moeten sturen, zei Klijn tegen dagblad Trouw.

Gemeenten zijn zelf afgelopen jaren ook niet allemaal even voortvarend geweest in het effectief oppakken van hun taken omtrent de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Kinderombudsman Margrite Kalverboer en het Nederlands Jeugdinstituut concludeerden in 2017 dat gemeenten maar mondjesmaat progressie boekten in het opzetten van hun beleid. Binnen het scoresysteem dat in het onderzoek werd gehanteerd haalde bijna één vijfde van de onderzochte 169 gemeenten nog geen kwart van de totale score.

 

Lees het volledige artikel in Binnenlands Bestuur nr. 4 van deze week (inlog)

Plaats als eerste een reactie

U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.

Advertentie