of 59925 LinkedIn

Weg met die drempels

Oirschot zet vol in op preventie en informele hulp. Dat begint zijn vruchten af te werpen. Wmo-aanvragen voor persoonlijke begeleiding nemen af. Ook worden minder jongeren doorverwezen naar gespecialiseerde jeugdhulp. De sleutel: het brede welzijnswerk en de integrale toegang zijn in één hand gelegd. 

Oirschot zet vol in op preventie en informele hulp. Dat begint zijn vruchten af te werpen. Wmo-aanvragen voor persoonlijke begeleiding nemen af. Ook worden minder jongeren doorverwezen naar gespecialiseerde jeugdhulp. De sleutel: het brede welzijnswerk en de integrale toegang zijn in één hand gelegd. 

Toegang zorg en ondersteuning in één hand

Als we nu met een blanco papiertje zouden mogen beginnen, hoe zou de inrichting van het sociaal domein er dan idealiter uitzien? Die exercitie is, in de vorige bestuursperiode, in Oirschot gemaakt. ‘Er is gekeken hoe vaak mensen een stap moeten zetten om de juiste hulp te krijgen, hoeveel loketten ze dan af moeten, geredeneerd vanuit de 3D-zuilen Wmo, jeugdhulp en (arbeids)participatie’, steekt wethouder Esther Langens (Dorpsvisie) van wal. Het moest makkelijker, en dichtbij. Er rolde een model uit waarbij ‘een gezin, een plan, een regisseur’ werkelijkheid moest worden, waarbij het brede welzijn een prominente rol moest gaan krijgen evenals de informele zorg. Ook moest een einde worden gemaakt aan de vele loketten waar inwoners met hun vraag moesten aankloppen.

‘We wilden toe naar één integrale toegang voor de 3D’s én het welzijnswerk, zodat je er ook de nuldelijn bij betrekt.’ En bij die zogeheten nuldelijn, ook wel het voorliggende veld genoemd, moet aan collectieve voorzieningen, het brede welzijnswerk, inclusief het jongerenwerk worden gedacht. ‘We wilden de toegangsdrempel platslaan’, aldus Langens. En de gemeente wilde het hele pakket – die integrale toegang en het brede welzijnswerk – in één hand leggen. ‘Juist om die integraliteit te bewaken. Hoe meer aanbieders je hebt, hoe meer je aan elkaar moet gaan knopen.’ De opdracht werd aanbesteed en de LEVgroep rolde als samenwerkingspartner uit de bus. De wethouder is enthousiast. ‘We hebben mooie resultaten, maar we zijn nog niet klaar.’

Gedurfde keuze
Een paar honderd meter verderop in Oirschot, bij de LEVgroep, spettert het enthousiasme er net zo hard vanaf. Zoals de wethouder de LEVgroep complimenteert met de frisheid aan ideeën, complimenteert Jasper Ragetlie, directeur van de LEVgroep, de gemeente met haar gedurfde keuze om met één partij in zee te gaan. ‘We zien dat gemeenten allemaal andere sporen kiezen als het gaat om de inrichting van het sociaal domein. Het bijzondere aan Oirschot vind ik dat het gemeentebestuur heeft besloten zowel de toegang als het brede welzijn samen in een opdracht voor Oirschot weg te zetten. De gemeente voert de regie op afstand. Dat is een keuze die je niet op veel plekken in gemeenteland tegenkomt.’ Of, zoals wethouder Langens het zegt: ‘Wij hebben kaders meegegeven, zij (de LEVgroep, red) zijn van het hoe.’

Ragetlie, jeugdhulpverlener Dolf van Veen en staflid Sjef Ramaekers leggen het ‘hoe’ met liefde en plezier uit. Centraal in de aanpak staat WIJzer, de plek waar iedereen met een hulpvraag kan aankloppen. Of het nu gaat over eenzaamheid, geldproblemen, opvoeding, jeugdhulp, huishoudelijke hulp; you name it en WIJzer gaat ermee aan de slag. Een van de medewerkers van Team WIJzer gaat uitgebreid in gesprek met de inwoner om in kaart te brengen wat er werkelijk speelt. Want achter een vraag speelt meestal meer. ‘Wij kijken naar alle leefgebieden’, verduidelijkt Van Veen. De ‘casus’ wordt vervolgens ingebracht in het casusoverleg, waar wordt besproken welke hulp het best past. Aan dat overleg schuiven meer professionals aan: die van Team WIJzer, een gedragswetenschapper die voor een paar uur per week in dienst is van WIJzer, maar ook medewerkers van organisaties waarmee nauw contact is, zoals Zuidzorg en de GGD. Ook kan een jeugdarts worden geraadpleegd. De hulp waartoe wordt besloten, kan informele hulp zijn of hulp van een van de professionals van Team WIJzer.

Als het moet, wordt doorverwezen naar de tweedelijnszorg. ‘We maken een ondersteuningsplan waarin de doelen worden geformuleerd en zetten de hulp in die nodig is. Veel expertise hebben we in eigen huis, soms moet er toch tweedelijnszorg worden ingezet. Maar ook dan blijven we naast de inwoner staan die bij ons heeft aangeklopt’, aldus Van Veen. ‘Want zodra er kan worden afgeschaald, en dat houden wij nauwlettend in de gaten, willen we er zijn voor die inwoner.

Het is niet zo dat als de tweedelijnszorg ophoudt, alle problemen ook helemaal zijn opgelost. Dat wat geleerd is, moet verankerd worden in het dagelijks leven.’ Door deze aanpak kan ook veel gemakkelijker worden op- en afgeschaald, vult Ragetlie aan. Iets waar veel gemeenten mee worstelen; heeft een inwoner tweedelijnszorg nodig dan is hij vaak uit beeld bij de gemeente of het sociale wijkteam. De duur en de kosten van trajecten zijn niet meer te sturen. Dat gaat in Oirschot anders. ‘Dat op- en afschalen kunnen we in dit model goed vormgeven’, stelt Ragetlie. Van informele inzet naar nuldelijn, Team WIJzer, tweedelijnszorg, en weer terug.

Dorpsondersteuners
Een belangrijke ‘troef’ van Wijzer zijn de dorpsondersteuners. Want bij dat het ene loket kan iedereen met een hulpvraag terecht, maar de dorpsondersteuners kunnen ook aan hun jasje worden getrokken. En die houden zelf eveneens de oren en ogen open. ‘Zij zijn de vooruitgeschoven post van Team WIJzer’, aldus Ramaekers. ‘Het zijn sleutelfiguren die in het dorp of de wijk wonen. Zij kennen de bewoners en pakken kleine vragen op, voordat de hulpvraag escaleert. Ze brengen bewoners met elkaar in verbinding, in kleine informele netwerken waar inwoners elkaar ondersteunen.’ De opdracht van de dorpsondersteuners is het ophalen van vragen en daarvoor dan ook meteen het antwoord te vinden.

Ramaekers: ‘Stel dat iemand een vervoersprobleem heeft. Normaliter zou je dan voor een Wmo-voorziening aankloppen. De dorpsondersteuner kijkt of er in de straat verderop wellicht iemand is die tijd overheeft en die de buurtgenoot naar het ziekenhuis wil rijden. Dan heb je meteen een verbinding in de wijk gelegd.’ Mensen ontmoeten elkaar zodat misschien vaker een beroep op de ‘chauffeur’ kan worden gedaan, waardoor zo’n Wmo-voorziening niet nodig is.

Ook het activeren van buurtbewoners is een belangrijke taak van de dorpsondersteuners. Ramaekers: ‘Een mevrouw die weduwe was geworden, voelde zich alleen en zou het heel fijn vinden om een keer per week met iemand te kunnen gaan wandelen. Een dorpsondersteuner kende in de buurt iemand die op zoek was naar iemand om iets mee te ondernemen. Zij knoopt dan die twee mensen aan elkaar. Zo eenvoudig kan het soms zijn. Als je het niet in de wijk of in het dorp organiseert, komt die weduwe uiteindelijk bij Team WIJzer met eenzaamheidsproblemen. Of bij de huisarts met allerlei klachten.’ Als het probleem niet in de buurt kan worden opgelost en/of het informele netwerk niet toereikend is, kunnen de dorpsondersteuners opschalen naar Team WIJzer.

Die huisartsen zijn belangrijke samenwerkingspartners voor de LEVgroep. ‘We zijn een pilot gestart met twee huisartsenpraktijken. De gemeente wil dat er nog beter wordt samengewerkt en dat er meer verwezen wordt naar WIJzer, in plaats van direct naar de tweede lijn. Dat gaat heel goed’, zegt Van Veen. ‘Huisartsen zeggen tegen ons dat ze het liefst alle jeugdzaken naar ons verwijzen, zodat wij kunnen kijken wat nodig is, eventueel doorverwijzen of de huisarts adviseren. Dat zou een droom zijn als we dat voor elkaar zouden kunnen krijgen.’ Een belangrijke stap is gezet bij het digitaal verwijssysteem (Zorgdomein) van een aantal huisartsen, vult Ragetlie aan. In dat systeem zit normaliter alleen de tweedelijnszorg. ‘Daar hebben wij nu in gesleuteld zodat kan worden terugverwezen naar ons.’

Effect meten
De opdracht voor de LEVgroep geldt voor twee keer vier jaar. De organisatie krijgt jaarlijks een ‘zak geld’ mee waarmee ze het moet rooien. Ook is er een bonus-malusregeling. Ragetlie: ‘Op het moment dat de dienstverlening niet voldoende is, gaan wij dat ook voelen. Als de gemeente vindt dat we onvoldoende resultaat behalen, moeten we geld inleveren.’ Om te kunnen ‘afrekenen’ moet het effect wel kunnen worden gemeten. Aan die effectiviteitsmeting wordt, samen met de gemeente en Fontys Hogeschool, gewerkt. In de aanbestedingseisen is wel een aantal indicatoren genoemd, zoals klanttevredenheid, doorloopsnelheid en wachtlijsten, maar er wordt gewerkt aan een nieuw systeem van prestatie-indicatoren.

Een aantal effecten is al wel zichtbaar. ‘Bij de Wmo persoonlijke begeleiding zie je al dat het aantal indicaties daalt. En bij jeugdzorg hebben we dit jaar zestig trajecten zelf opgepakt, die anders waren doorwezen naar de tweedelijn. Als je dan kijkt wat zo’n traject kost, dan heb je het over een aanzienlijk bedrag. Daarom is de gemeente ook bereid te investeren aan die voorkant. Wij kunnen nu al laten zien wat dat oplevert.’ ‘Voor goede nieuwe ideeën is incidenteel geld beschikbaar’, stelt wethouder Langens even verderop in het gemeentehuis. Als kan worden aangetoond dat een investering van een ton aan de voorkant de gemeente aan de achterkant twee ton kan opleveren, dan valt daar absoluut over te praten.

‘We zijn een heel eind, maar we zijn er nog niet’, stelt Langens dan ook. Er staat niet voor niets nog het een en ander op het wensenlijstje van de gemeente. Want hoewel Team WIJzer de keukentafelgesprekken voor een Wmo-voorziening voert, wordt de daadwerkelijke indicatie afgegeven door de gemeenschappelijke regeling waarin Oirschot met een aantal Kempengemeenten zit. Langens wil dat op termijn zoveel als mogelijk naar Oirschot halen. Datzelfde geldt voor (arbeids)participatie.

Ook dat wordt regionaal, vanuit Bladel, georganiseerd. Wel zijn er inmiddels bij Team WIJzer spreekuren, waarbij medewerkers van de GRSK (Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking Kempengemeenten) mensen met vragen over (arbeids)participatie op weg helpen. Door de komst van WIJzer en de spreekuren vanuit de GRSK is wat Langens betreft ‘de drempel weggenomen. Daar waar inwoners eerst naar Bladel moesten om hun zorgpakket ingevuld te krijgen, kunnen ze nu in de eigen gemeente terecht.

Mensen voelen zich veiliger in hun eigen omgeving. Je merkt meteen dat er meer gebruik van wordt gemaakt en daar doen we het voor.’ Dat betekent niet meteen dat de kosten de pan uit rijzen; juist omdat via WIJzer eerst naar de inzet van informele hulp, algemeen beschikbare (collectieve) voorzieningen en het brede welzijnswerk wordt gekeken, benadrukt de wethouder. Maar dat betekent evenmin dat Oirschot geld overhoudt. Ook Oirschot komt niet uit met het rijksgeld voor de Wmo en jeugdhulp.

Eng
Op de vraag of het niet eng is, om met een partij in zee te gaan, antwoordt Langens stellig. ‘Natuurlijk is het eng. Je geeft een hoop op en dat vinden mensen eng. Maar soms vraagt een ommekeer rigoureuze keuzes. Want als je blijft hangen in dat wat je al kent, krijg je wat je altijd had. Met de ervaring die we nu hebben, kan ik zeggen dat het een hele goede keuze is geweest. Als er een aanvraag is, denkt Team WIJzer niet vanuit formele structuren, maar naar hoe de vraag zo praktisch en eenvoudig mogelijk kan worden aangepakt. Dat vind ik heel verfrissend.’ 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.