of 59329 LinkedIn

‘Vrijheid is de rode draad’

Martin van Rijn heeft binnen het kabinet Rutte II als staatssecretaris Volks­gezondheid, Welzijn en Sport getekend voor de decentralisatie jeugdzorg en de hervorming van de langdurige zorg

Niet lullen maar poetsen. Dat is het adagium van staatssecretaris Martin van Rijn (PvdA) bij de decentralisaties in het sociale domein. Hij roept alle betrokkenen op de schuttersputjes te verlaten. ‘Besef om wie het gaat: de burger.’

Martin van Rijn heeft binnen het kabinet Rutte II als staatssecretaris Volks­gezondheid, Welzijn en Sport getekend voor de decentralisatie jeugdzorg en de hervorming van de langdurige zorg. Wat de jeugdzorg betreft is het volgens Van Rijn nu uitvoeren geblazen; ‘de stelseldiscussie jeugdzorg is nu wel gevoerd’. Over de toekomst van de langdurige zorg breekt hij samen met het veld nog het hoofd. In het voorjaar volgt zijn visie. 

In 2015 gaat de jeugdzorg over naar de gemeenten. De lokale aanpak moet ertoe leiden dat problemen vroeg worden gesignaleerd en op maat aangepakt. Daardoor kan de jeugdzorg goedkoper worden uitgevoerd, stelt u. Kunt u dit toelichten?
‘We willen toe naar één gezin, één plan, één regisseur. Daar is grote consensus over en dat staat ook in het regeerakkoord. De transitie is daarom vooral een kwaliteitsdiscussie; hoe gaan we de jeugdzorg beter organiseren en toesnijden op de mensen om wie het gaat.’

‘Door in één keer alles over te hevelen, zetten we er een beetje druk achter. Dat is niet gemakkelijk want er zijn fricties tussen provincies en gemeenten; er zijn vragen of gemeenten er wel klaar voor zijn en vragen over de onderlinge samenwerking. Maar mijn idee is dat we het moeten régelen in plaats van erover praten. De stelseldiscussie is nu wel klaar. Tegelijkertijd is het idee altijd geweest dat gemeenten het slimmer, efficiënter en goedkoper kunnen.’

Er is kritiek vanuit de commissie-Samson en de kinderombudsman. De jeugdzorg zou te versnipperd zijn en gemeenten zouden de kennis niet hebben om de jeugdzorg over te nemen.
‘De beweging die nu in gang wordt gezet, is voor een belangrijk deel een antwoord op de constateringen van de commissie-Samson en de kinderombudsman. Juist in de zaken die zijn onderzocht, zie je dat de informatie er her en der wel lag, maar dat niemand de klik heeft gemaakt om er iets mee te doen. De hele beweging om lokaal maatwerk te leveren en de gemeenten verantwoordelijk te maken door te werken volgens het principe één gezin, één plan, één regisseur is al een antwoord. Vervolgens moeten we kijken welke voorzieningen lokaal, regionaal en landelijk georganiseerd moeten worden. Daar moeten we oppassen voor versnippering. Niet elke gemeente moet een gespecialiseerd centrum voor autisme in huis halen. Het zal altijd een combinatie worden tussen lokale voorzieningen en specialistische zorg die je niet in iedere gemeente afzonderlijk kunt organiseren. Specialistische voorzieningen moeten regionaal of zelfs landelijk worden georganiseerd.’

Niet alle gemeenten lijken klaar voor de decentralisatie.
‘Er moet nog flink wat gebeuren. De vraag is of je er ooit klaar mee zult zijn, want het veld is voortdurend in ontwikkeling. Maar je ziet nu ook dat er voorlopers zijn en eh…’

Achterlopers?
‘Ik vermijd die term even. We komen nu in de fase van de echte discussie. Hoe gaan gemeenten het in de praktijk organiseren? Wat wordt hun relatie tot de zorgaanbieders? Welke teams worden in werking gesteld? Daar moet echt nog wel wat gebeuren. Er is een transitiecommissie gevormd en ik hoop dat die heel snel in kaart gaat brengen hoe het met de voorbereidingen in het land gaat. Niet elke gemeente is even ver. Daar moeten we heel scherp op zijn.’

Hoe zorgt u ervoor dat gemeenten deze decentralisatie goed oppakken; dat er straks geen jongere buiten boord valt?
‘Ik wil weten hoe ver gemeenten zijn met hun plannen en met de uitvoering. Vanuit de inhoud stel ik ook eisen aan het proces. Ik wil weten hoe ze het hebben georganiseerd, hoe ze gaan rapporteren, of er voldoende toezicht is. Wat mij betreft staat de inhoud voorop. Het is zeker niet dat ik de wet maak, ’m over de schutting gooi en vervolgens wel zie wat ervan komt. Daar is dit veel te belangrijk voor. We moeten zorgen voor de continuïteit van zorg voor de kwetsbare groepen.’

U wilt veel van gemeenten weten en dat is omgekeerd niet anders. Gemeenten willen duidelijkheid over bijvoorbeeld de financiën en het aantal cliënten. Wanneer krijgen ze die?
‘Eén dezer weken brengen wij het wetsvoorstel in procedure. In de meicirculaire geven we duidelijkheid over de financiële kaders, de klantengroepen en andere zaken. En zo nodig zullen we nog nader onderzoek doen om te kijken of die cijfers allemaal kloppen.’

Kunnen gemeenten voor die tijd wel aan de slag?
‘Deze beweging is al een hele tijd aan de gang. Heel veel gemeenten zijn er al mee bezig. Dus ik vind het iets te gemakkelijk om te zeggen: ik kan pas beginnen als ik weet hoeveel geld ik krijg, om welke doelgroep het precies gaat en hoe groot die doelgroep is. Die informatie leveren we allemaal in mei, maar er is voor gemeenten geen enkel excuus om niet nu al te beginnen. Het proces loopt al acht jaar, dus je kunt moeilijk zeggen: goh, wat komt er nou op me af?’

Er moest al 300 miljoen euro worden bezuinigd. U doet daar 150 miljoen bij. Dat kan niet zonder een versobering van de jeugdzorg, zeggen gemeenten.
‘Kijk, we moeten allemaal bezuinigen. Dat gebeurt in alle sectoren en dat zal dus ook in deze sector moeten. Overigens hoor ik ook – en dat is een optimistische visie van deze staatssecretaris – dat als je beoogt efficiënter te gaan werken, het ook wel wat kan opleveren. Het helpt misschien wel om die druk daarop te hebben. Bezuinigingen zijn nooit leuk. Maar het kan wel helpen om de omslag te maken die je toch al met elkaar van plan was.’

‘Het is niet zo dat alle taken die nu door het rijk worden uitgevoerd één op één en met minder geld door gemeenten kunnen worden overgenomen. De essentie is nou juist dat gemeenten het efficiënter, beter en met maatwerk kunnen doen. Daardoor kunnen ze vroegtijdig ingrijpen en dat is gewoon goedkoper.’

Krijgen gemeenten grotere beleidsvrijheid, ook in hun verantwoording richting het rijk?
‘Waar ik naar streef, is dat we niet zozeer gaan kijken naar de verantwoording per onderdeel maar of het beleid succesvol is. Dat zijn we naar elkaar toe ook verplicht. Gemeenten zouden moeten weten welke aanpak werkt en welke niet. Dat is natuurlijk ook de discussie die ik met collega Plasterk voer: hoe kunnen we die decentralisaties zo vormgeven dat de gemeente optimale  beleidsvrijheid heeft, zowel in de toekenning van de middelen als in de verantwoording die erna gaat plaatsvinden.’

Het succes van het beleid meten aan de afname van het aantal jongeren in detentie.
‘Bijvoorbeeld. Het zal altijd een balans zijn. Want ook op gemeenteniveau wil je weten welke interventies succesvol zijn geweest. Stel dat blijkt dat in 80 procent van de gevallen met schuldhulpverlening begonnen moet worden, dat is heel interessante beleidsinformatie. Want dan weet je hoe het budget moet worden aangewend en dat je in eerste instantie misschien meer moet doen aan schuldhulpverlening dan aan andere dingen. Die vrijheid moet er natuurlijk zijn. Dat is ook de rode draad rondom die decentralisaties. We willen de geldstromen bij elkaar brengen, maar vervolgens moeten die niet weer lokaal vanuit verschillende potjes worden verantwoord.’

Verwacht u daarin de Kamer mee te krijgen? Bij wetsontwerpen willen Kamerleden nog wel eens wat dichttimmeren, zoals bijvoorbeeld destijds bij de Wmo.
‘Misschien is het weleens tijd om uit onze schuttersputjes te komen. Als rijk moeten we gemeenten beleidsvrijheid geven, maar gemeenten moeten zich wel verantwoorden. Gemeenten moeten af van het idee: geef ons de taken en het geld, en dan komt het wel goed. Het is ook logisch dat gemeenten benchmarken, zorgen dat er beleidsinformatie komt. Dat is ook in hun eigen belang.’

U bent bezig met een visie op de langdurige zorg, samen met het veld. Dat lijkt ons ‘a hell of a job’, want iedereen heeft zijn eigen belangen en stokpaardjes. Hoe loopt het daarmee?
‘Ik zei het al eerder: ik ben een optimistisch mens. Onder de oppervlakte bestaat er over de ouderenzorg veel meer consensus dan je vanaf de buitenkant ziet. Ga uit van wat mensen kunnen in plaats van wat ze niet kunnen. Zorg dat ook hier meer lokale vrijheid komt om maatwerk te leveren. Kijk naar welke gemeentelijke voorzieningen moeten worden ingezet. En pas op met het te vroeg inzetten van heel specialistische zorg. Als ik hier met de cliëntenorganisaties over praat, zie ik dat ook zij toe willen naar zorg op maat in plaats van een ingewikkeld indicatiestelsel dat nét niet voldoet aan de specifieke zorgwensen. Waar de discussie natuurlijk over gaat, is hoe snel het kan en wat die bezuinigingen nou precies betekenen. Maar over de richting is heel veel consensus.’

Dus de discussiepunten betreffen alleen de manier waarop en wie wat gaat doen?
‘Ja: de snelheid en natuurlijk ook de bezuinigingen. Ik snap best dat dat extra druk geeft, maar als we allemaal denken dat het op deze manier beter en efficiënter kan, dan moeten we dat ook durven zeggen.’

‘De huidige discussie over waar precies de knip moet liggen is en blijft natuurlijk interessant, maar je kunt hem ook omdraaien. Wat is nou voor de búrger van belang. Voor de burger is het van essentieel belang dat er in overleg een plan wordt gemaakt om hem te helpen. Wat kan hij met zijn omgeving zelf doen en wat is aanvullend nodig. Als de discussie gaat over of iets ‘des gemeentes’ of ‘des zorgverzekeraars is’, dan weet ik wel hoe dat gaat. Dan gaat iedereen praten over geld terwijl we de burger een beetje vergeten.’

U pleit voor een betere koppeling tussen de formele en informele zorg. Waarom?
‘Ik vind dat formele en informele zorg en de hulp en ondersteuning van gemeenten veel meer in samenhang moeten worden bekeken. Ik heb enorme bewondering voor al die mantelzorgers en vrijwilligers die er nu al elke dag voor zorgen dat mensen langer zelfstandig thuis kunnen wonen. Als we daar nou eens meer oog voor hebben en meer koppelingen maken tussen formele en informele zorg, dan zouden we een stuk opschieten. Mantelzorgers en vrijwilligers zijn een onmisbare schakel bij het op peil houden van de zorg. Zij moeten daarvoor erkend en gewaardeerd worden.’

Wanneer komt u met uw visie op de langdurige zorg?
‘In maart wil ik een hoofdlijnenbrief naar de Kamer sturen met de uitwerking van de plannen van het regeerakkoord. Die hoop ik te baseren op zo veel mogelijk overeenstemming en overleg met het veld, over de koers die we daarin neerschrijven.’

Kunt u al een tipje van de sluier oplichten?
Beslist: ‘Nee.’ Lachend: ‘Ik kan het wel, maar ik doe het niet.’

Waar gaan de stelselwijzingen in uw ogen nu echt om?
‘Zowel op het gebied van de jeugdzorg als op het gebied van de ouderenzorg zijn er drie niveaus van discussies. Je hebt de stelseldiscussie, die vooral gaat over de wet- en regelgeving en over de randvoorwaarden. Dat is een belangrijke discussie waar ik zelf ook middenin zit. Met de Tweede Kamer ga ik debatteren over de koers.’

‘Dan heb je het tweede niveau: hoe we dat gaan financieren? Het gaat daarbij om discussies als wat zorg­aanbieders, wat gemeenten en wat zorgverzekeraars voor hun rekening moeten nemen.’

‘Maar het gaat natuurlijk om het derde niveau: voor wie doen we het? Als je de burger centraal stelt, zijn we dan in staat om over de schuttingen van de belangen heen te denken en eventuele problemen intern op te lossen, in plaats van ze bij burgers neer te leggen? Het gaat erom dat er meer maatwerk en meer menselijke maat in de zorg ontstaat, zowel bij de jeugdzorg als de langdurige zorg. We zijn druk bezig met systemen, wetten en financiering, maar de burger, dat is waar het echt om gaat.’

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door s. van buuren (burger) op
Dag Martin van Rijn,

Als burger volg ik al enige tijd de decentralistatie- problematiek. De grote vraag blijft hoe het straks op gemeentelijk niveau zijn uitwerking krijgt voor de kwetsbare burger. In ongeveer een half uur van uw tijd zou ik u graag een model willen uitleggen waarbij de burger centraal staat, eenvoudige indicatie mogelijk is, verkokering wegvalt, de gemeente regie heeft en zicht houdt op financiën en resultaat. Mocht u het niets vinden kost het u hooguit een half uurtje tijd. Vindt u mijn strategie de moeite waard om de haalbaarheid te toetsen, zou ik hier graag een baan aan over houden.

Suze van Buuren