of 59318 LinkedIn

Meten leidt tot een beter gesprek

Outcome-indicatoren geven Utrecht-West beter inzicht in de resultaten van de jeugdzorg. Nu heeft diezelfde regio ook een eigen meetinstrument gemaakt voor de Wmo. ‘Tot nu toe waren voortgangsgesprekken vooral financieel gedreven, nu kunnen wij ze verdiepen op de inhoud.’

Outcome-indicatoren geven Utrecht-West beter inzicht in de resultaten van de jeugdzorg. Nu heeft diezelfde regio ook een eigen meetinstrument gemaakt voor de Wmo. ‘Tot nu toe waren voortgangsgesprekken vooral financieel gedreven, nu kunnen wij ze verdiepen op de inhoud.’

Utrecht-West verzamelt resultaten WMO-beleid

Eén van de eisen waar zorgaanbieders in Utrecht-West aan moeten voldoen, is het meten van resultaten. Met de resultaten van de outcome-indicatoren wil de regio het gesprek met zorgaanbieders aangaan over de kwaliteit en doelmatigheid van zorg en ondersteuning. De outcome-indicatoren zijn door de brancheorganisaties, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) ontwikkeld.

Jeugdhulpverleners geven hun meetgegevens door aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) als onderdeel van de beleidsinformatie die ze elk jaar moeten aanleveren. Na verwerking door het CBS worden de gegevens via de jeugdhulpaanbieders gestuurd naar de gemeenten. Helaas publiceert het CBS de uitkomsten niet. Voor de Wmo is geen landelijk instrument beschikbaar. Dus heeft de regio Utrecht-West de jeugdindicatoren aangepast aan de Wmo. Melle Wijma is manager inkoop en monitoring voor de regio Utrecht-West. Samen met projectleider innovatie Marije Schotpoort is hij gestart met een traject dat niet alleen zorggebruik, maar ook de resultaten van geleverde zorg goed in beeld moet brengen. Dit startte allemaal in 2015, met de zorgpaden. Die geven inzicht wanneer een cliënt de zorg ingaat, hoe lang de zorg duurt en wanneer de cliënt er weer uitgaat. Het gaat hierbij om het zorgpad dat de cliënt zelf bewandelt, al dan niet bij verschillende aanbieders en met verschillende hulpvormen.

‘Zo krijgen we een beeld van de zorg op anoniem cliëntniveau, organisatieniveau en wat betreft de leeftijd van de cliënten’, zegt Wijma. ‘Deze informatie gebruiken wij vanuit inkoop en monitoring vooral richting de gemeenten, en dan specifiek de wijkteams. om hen inzicht geven in het zorggebruik. Maar het is ook bruikbare informatie voor de zorgaan bieders zelf. Want die weten ook niet waar een cliënt na afsluiting van de zorg naartoe gaat en hoe het zorgpad van de cliënt er verder uitziet.’

Beter inzicht
Het werken met zorgpaden heeft in de afgelopen 3,5 jaar behoorlijk wat inzichten opgeleverd. Bij cliënten die in de jeugdhulp een eerste zorgtraject volgen, blijkt de uitstroom hoog: kinderen en de ouders zijn geholpen en komen niet meer terug in de zorg. Als cliënten een tweede zorgtraject ingaan, wordt de uitstroom al een stuk lager. Cliënten blijven hangen. En cliënten die nog een derde traject ingaan, blijken meestal een structurele zorgbehoefte te hebben. De zorgpaden geven zo een beter inzicht in de weg die de cliënt aflegt door het zorglandschap.

Mogen we hieruit de conclusie trekken dat cliënten in Utrecht-West meteen en goed worden geholpen door zorgaanbieders, vanwege de hoge uitstroom van cliënten na hun eerste zorgtraject? Dat vindt Melle Wijma te kort door de bocht. ‘In verhouding is de uitstroom uit het eerste traject het hoogst, maar wil dit nog niet zeggen dat de cliënt daadwerkelijk is geholpen. Hiervoor zijn de outcome-indicatoren nodig. Pas dan kunnen we echt concluderen dat iemand uit de zorg blijft omdat hij goed is geholpen.’ ‘Uitstroom na een eerste zorgtraject kan ook betekenen dat mensen zijn afgehaakt’, valt zijn collega Marije Schotpoort hem bij. ‘Ze hebben dan geen vertrouwen in de hulpverlening of komen gewoon niet meer opdagen. We willen dus graag weten of het aanbod aansluit bij de hulpvraag. Daarbij zoeken we niet alleen financieel inzicht en kwantitatieve gegevens, we benaderen het vanuit de kwaliteit. Daarom moet je de zorgpaden verrijken met outcome-indicatoren.’

Dertig trajecten
Uit de zorgpaden in Utrecht-West komt naar voren dat sinds 2015 de daadwerkelijke uitstroom uit de jeugdhulp 40 procent is. Zes op de tien jongeren heeft na drie jaar dus nog steeds hulp. Dan gaat het vaak om meer dan drie zorgtrajecten. Door verlenging van zorg en instroom naar andere zorg komt het voor dat jeugdigen wel twintig zorgtrajecten volgen. Maar er zijn extreme uitschieters naar boven. Wijma: ‘Er zijn ook jeugdigen met wel dertig trajecten. Daar vragen wij ons af wat dan de geboden kwaliteit is en waarom hulp nog steeds wordt verleend.’

Schotpoort: ‘Je geeft hulp aan jeugdigen met bijvoorbeeld de inschatting dat het na een half jaar voldoende moet zijn. Als je steeds zorg moet verlengen, kan dat ook iets over de kwaliteit van de hulpverlening zeggen. Daarom kijken we reikhalzend uit naar de uitkomsten van de outcomedata, die jeugdzorgaanbieders in juli voor het eerst moesten aanleveren bij het CBS. Zijn doelen van de hulpverlening gehaald, is de jongere tevreden?’

Omdat de landelijke outcome-indicatoren jeugd goed lijken te werken, heeft Utrecht- West (samen met regio Midden IJssel/ Oost-Veluwe, Movisie en NJi) nu vergelijkbare indicatoren voor de Wmo bedacht. De vraagstelling van de jeugdindicatoren is iets aangepast, zodat het ook voor oudere cliënten geschikt is. Een simpel voorbeeld daarvan is vraagstelling in de u-vorm, niet in de jij-vorm.

Belangrijke veranderingen
‘De vragen zijn minimaal aangepast, maar toch zitten er belangrijke veranderingen in’, vertelt Schotpoort. ‘Outcome-vragen die voor de jeugd zijn bedoeld, gaan uit van toenemende zelfredzaamheid en gezond en veilig opgroeien. Terwijl bij sommige ouderen sprake is van geleidelijke achteruitgang. Met normatieve vragen als “Kunt u nu zelf weer verder?”, sla je de plank behoorlijk mis. En hoe stel je een dementerende een vraag?’ ‘Tegelijk zijn veel vragen die we stellen hetzelfde gebleven. Hoe nuttig is de hulpverlening, begeleiding of dagbesteding voor u geweest? Hierbij maakt het product niet uit, alleen de klanttevredenheid telt. Het aardige is dat werken met bijna dezelfde outcome-vragen bij Wmo en jeugd betekent dat je verschillen in klanttevredenheid of doelrealisatie tussen Wmo- en jeugdige cliënten eenduidig in beeld krijgt. Presteren Wmo-aanbieders beter dan jeugdhulpaanbieders of omgekeerd?’

Het meten van de outcome betekent dat zorgaanbieders eerst doelen van de zorg- en hulpverlening moeten formuleren. Na afloop moet worden bepaald of de doelen zijn gehaald. De cliënt mag ook zelf zijn mening hierover geven. Dit draagt bij aan de kwaliteit van de werkprocessen bij de zorgaanbieder. Maar het is een hele klus voor aanbieders om te implementeren. Schotpoort: ‘Organisaties die gewend zijn om doelen te formuleren en bij te houden hebben het makkelijker dan organisaties die daar nog mee moeten starten. Dat is het spannende van alle outcome-indicatoren. En geldt met name voor kleine zorgorganisaties.’ Om die reden heeft Utrecht- West onder andere een kleine zorgboerderij voor dementerende ouderen laten meekijken naar het werken met de outcome-indicatoren. Deze aanbieder vond de aanlevering prima te doen, meldt Schotpoort.

Beter gesprek
Uiteindelijk moeten de inzichten uit de zorgpaden en de outcome-indicatoren Wmo en jeugd leiden tot betere contractgesprekken met de zorgaanbieders en betere zorg in Utrecht-West, vertelt Wijma. Als de verbinding is gemaakt tussen zorggebruik en zorgopbrengst, kan er doelgerichte casusregie plaatsvinden. ‘Bijvoorbeeld bij alarmsignalen als zorgpaden van cliënten afwijken. Zo willen wij zorgaanbieders ondersteunen en de zorg verbeteren.’

Melle Wijma vervolgt: ‘Contractmanagementgesprekken willen we zo naar outcomeniveau tillen. We hoeven niet meer – zoals nu – ons gesprek met de zorgaanbieders te beperken tot uitsluitend aantallen en kosten. We kunnen vragen of ze cijfers willen toelichten, bijvoorbeeld bij lagere klanttevredenheid, extreem lange trajecten of juist hoge doelrealisatie. Tot nu toe waren voortgangsgesprekken vooral financieel gedreven, nu kunnen wij ze verdiepen op de inhoud. Zo kunnen we ‘het betere gesprek’ voeren met de aanbieders en ze helpen hun dienstverlening te verbeteren.’

Schotpoort: ‘Het combineren van outcome, zorggebruik en financiële gegevens zal echt wat zeggen over de kwaliteit van de zorg. Als we bijvoorbeeld zien dat er duurzame uitstroom is bij jeugdigen en grote klanttevredenheid in de Wmo, dan zijn wij onze inwoners echt aan het helpen. En weten we dat ze niet jaren aan het lijntje worden gehouden met hoe-gaat-het-nu-met-je-hulpverlening.’ ‘Ik wil daarbij benadrukken dat we onze aanpak niet hebben gekozen om slechte hulpverleners op te sporen of lange zorgtrajecten tegen te gaan’, vervolgt Schotpoort.

‘Dat is niet de primaire insteek. Wij willen informatie over de dagelijkse praktijk in de vorm van outcome, waarna we – als partners – met de zorgaanbieders het gesprek willen voeren. Om zo gezamenlijk te leren over wat wel en niet goed werkt in het sociaal domein. Het is niet bedoeld om af te rekenen met dure of slechte aanbieders, het gaat ons om het goede gesprek. We willen de zorg met elkaar beter maken.’  

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.