of 63000 LinkedIn

Meer zorg nodig na coronacrisis

Een op de vijf cliënten die afgelopen maanden minder zorg en ondersteuning ontvingen, heeft nu méér hulp nodig. Nog altijd ontvangt iets meer dan helft van de mensen van wie de hulp was afgeschaald, minder ondersteuning dan voor de coronacrisis. Dat blijkt uit onderzoek dat in opdracht van Binnenlands Bestuur is uitgevoerd door I&O Research.

Een op de vijf cliënten die afgelopen maanden minder zorg en ondersteuning ontvingen, heeft nu méér hulp nodig. Nog altijd ontvangt iets meer dan helft van de mensen van wie de hulp was afgeschaald, minder ondersteuning dan voor de coronacrisis. Dat blijkt uit onderzoek dat in opdracht van Binnenlands Bestuur is uitgevoerd door I&O Research.

Onderzoek I&O Research onder ambtenaren en cliënten

Wat zijn de gevolgen van corona op de Wmo en jeugdhulp? Die vraag is in een enquête voorgelegd aan cliënten en gemeenten. Daarover wordt door beide groepen wisselend gedacht, zo blijkt. Een kwart van de cliënten heeft negatieve gevolgen van de coronacrisis ervaren; het merendeel niet. Ambtenaren lijken het wat somberder in te zien; zij vrezen vaker (grote) negatieve gevolgen. Toch is hiermee niet gezegd dat ambtenaren overbezorgd zijn, stelt Lisa Nannes, onderzoeker bij I&O Research. ‘Ambtenaren hebben een totaalbeeld van de gevolgen, terwijl cliënten uiteraard alleen iets zeggen over hun eigen ervaringen.’

De Astense wethouder Janine Spoor (jeugdzorg, Wmo, Leefbaar Asten) geeft aan dat corona vooral negatieve gevolgen heeft. Zij maakt zich er zorgen over, zeker omdat er geen goed zicht is op wat er achter de voordeur gebeurt. ‘Is er sprake van toegenomen eenzaamheid of kindermishandeling; we weten het niet. Er komen nu bijvoorbeeld minder meldingen binnen bij Veilig Thuis. Missen we iets of gaat het thuis daadwerkelijk beter, vraag ik me dan af.’ Zorgen heeft ze ook over het welzijn van jongeren die hun sociale contacten en het verenigingsleven moeten missen. Ook beleidsambtenaar Wmo Janneke Kruimer uit Berg en Dal ziet alleen maar negatieve gevolgen. ‘Veel mensen durven uit angst voor besmetting hun begeleider of huishoudelijke hulp niet meer binnen te laten.’ Dat leidt tot vereenzaming en vervuiling van het huis. Ze ziet ook mensen die individuele begeleiding krijgen en nu juist meer uren nodig hebben. ‘Ze zijn angstiger en hebben te weinig afleiding.’

Minder prikkels
De Oirschotse wethouder Esther Langens (zorg en welzijn, Dorpsvisie) ziet zowel positieve als negatieve effecten. ‘In gezinnen met bijvoorbeeld kinderen met autisme heeft deze periode rust gebracht. Er waren minder prikkels.’ Aan de andere kant ziet ze ook gezinnen of inwoners die juist de structuur missen. ‘De dagbesteding valt weg, contactmomenten vallen weg. Vereenzaming ligt dan op de loer.’ ‘We hebben juist goede ontwikkelingen gezien in de zelfredzaamheid en het aanspreken van het eigen netwerk’, ziet Marlies Stokman, contractmanager sociaal domein in Lelystad. Gezondheidseconoom Guus Schrijvers had verwacht dat meer cliënten negatieve gevolgen zouden ervaren.

‘Maar mensen willen niet graag negatief zijn.’ Negatieve gevolgen zijn er volgens hem zeker. ‘Mensen ervaren stress en zijn bang om besmet te raken. Mensen bij wie bijvoorbeeld de dagbesteding uitvalt, dreigen in een isolement terecht te komen.’ Ook dreigt volgens hem depressie en ander leed. Bij Ieder(in), het netwerk voor mensen met een beperking of chronische ziekte, weten ze dat mensen uit hun achterban onder meer eenzaamheidsgevoelens ervaren en met meer stress en psychische klachten kampen. ‘Uit angst voor besmetting zijn veel mensen in zelfquarantaine gegaan’, vertelt Ieder(in)-directeur Illya Soffer. ‘Ook door het uitvallen van dagbehandeling of dagbesteding ontstaan en verergeren psychische klachten.’

Veel zorg is tijdens de coronacrisis toch doorgegaan, vooral Wmo-ondersteuning, zo geven cliënten in het onderzoek aan. Zes op de tien cliënten geven aan dat ze tijdens de coronacrisis evenveel zorg en ondersteuning hebben ontvangen als daarvoor. Als er sprake was van minder zorg en ondersteuning, gaat het vooral om huishoudelijke hulp en dagbe steding. Uit een door Ieder(in) zelf recent uitgevoerd onderzoek onder zijn achterban, blijkt dat 43 procent minder vaak naar dagbesteding gaat en 19 procent helemaal niet.

‘Het is opvallend dat er best veel zorg is doorgegaan’, vindt onderzoeker Nannes. ‘Zeker omdat het een risicogroep betreft, die mogelijk wat huiverig is om hulpverleners over de vloer te krijgen. Daarentegen hebben veel cliënten de zorg natuurlijk ook echt nodig.’ Ook hier lijken ambtenaren wat somberder gestemd. Zij hebben het beeld dat veel meer zorg en ondersteuning is stopgezet. Als de zorg werd stopgezet, gebeurde dat veelal op initiatief van de aanbieder, zo blijkt uit het onderzoek van I&O Research. Een op de vijf Wmo-cliënten koos er zelf voor. Ook gebeurde het dat de hulp na overleg tussen de hulpverlener en de cliënt werd stopgezet.

Alternatief
‘Opvallend is dat slechts weinig cliënten in het onderzoek aangeven dat er een alternatief is geboden voor de minder verleende zorg’, stelt Nannes. Als er al een alternatief werd geboden, ging het vooral om (video)bellen. Ambtenaren hebben het idee dat er veel vaker alternatieven zijn geboden. ‘Het heeft er de schijn van dat een aanzienlijk deel van de sociaal domein ambtenaren niet weet hoe aanbieders zijn omgegaan met de zorg na het uitbreken van de crisis’, stelt I&O Research voorzichtig. Volgens wethouder Langens is in haar gemeente vol ingezet op alternatieve vormen van hulpverlening. ‘Er is veel hulp en ondersteuning digitaal voortgezet, er zijn praatjes in de voortuin gemaakt; aanbieders zijn heel creatief geweest.’ Dat ziet ook een medewerker uit Steenwijkerland.

‘De meeste hulp is naar mijn idee doorgegaan, al hebben aanbieders wel veel alternatieve vormen ingezet, zoals videobellen en deurbezoek.’ ‘Veel Wmo-aanbieders hebben op hele creatieve wijze de zorg gecontinueerd’, weet Stokman. Waar in het begin bijvoorbeeld de dagbesteding terugliep, werden al snel andere middelen in de strijd gegooid om op zijn minst contact te blijven houden. ‘Maar er werden bijvoorbeeld ook wandelclubjes gevormd.’

Er is onder cliënten wisselende tevredenheid over het alternatieve aanbod. ‘Het is beter dan geen zorg’, stelt een cliënt. Een ander vindt ‘videobellen prettiger dan fysiek contact’. Ontevredenheid is er ook. ‘Praktijkondersteuning werkt niet virtueel’, stelt een van de cliënten. ‘In plaats van een dagdeel hulp per week gaat het nu om een telefoontje van twintig minuten om de week’, stelt een ander.

‘Telefoneren is oppervlakkiger en minder persoonlijk. Elkaars reactie zien is belangrijk’, merkt weer een andere cliënt op. Ook beleidsambtenaar Kruimer uit Berg en Dal is niet overwegend positief over de geboden alternatieven. ‘Met beeldbellen heb je toch niet dezelfde connectie. Aanbieders zien het huis niet en missen voor een belangrijk deel wat er echt speelt.’ Als er door de coronacrisis problemen ontstonden in de zorg en ondersteuning, zijn die volgens een op de vijf cliënten goed door de gemeente opgelost. Bijna evenzoveel cliënten (17 procent) vindt juist van niet.

Minder hulp
De hulp is in september en oktober weer meer op gang gekomen, maar de helft van de cliënten bij wie de zorg door de coronacrisis was verminderd of stopgezet, ontvangt nog steeds minder hulp dan voor medio maart. Van de cliënten met minder zorg tijdens de coronacrisis geeft één op de vijf aan nu meer hulp nodig te hebben, omdat zij minder zorg of ondersteuning hebben ontvangen. Ruim een derde van cliënten die aanvankelijk minder hulp kreeg, geeft aan dat de zorg weer op het oude niveau is. Ambtenaren lijken over het algemeen het idee te hebben dat de zorgverlening weer goed op gang komt, zo blijkt uit het onderzoek, al is dat niet overal het geval.

Een medewerker van Steenwijkerland ziet dat aanbieders van met name huishoudelijke hulp de laatste tijd weer aan de bel trekken, omdat door de tweede golf cliënten de hulp weer afzeggen. ‘Ze vragen ons hoe dat nu moet.’ In Asten is de zorg en ondersteuning nog niet op het oude niveau, weet wethouder Spoor. Ook Ieder(in) geeft aan dat de zorg nog lang niet op de het oude niveau is. ‘Bij iets meer dan de helft is de zorg helemaal hervat’, aldus Soffer.

Stijging aanvragen
Spoor ziet daarnaast dat er de afgelopen maanden minder aanvragen waren voor met name jeugdhulp en Wmo-begeleiding. ‘Mogelijk krijgen we straks te maken met een flinke stijging van het aantal aanvragen.’ In de Astense begroting is de (mogelijke) impact van corona op onder meer de jeugdhulp en de Wmo in kaart gebracht. ‘Het kan het zijn dat mensen langer wachten met hulp zoeken, waardoor eerder duurdere zware hulp ingezet moet worden’, aldus de begroting over de jeugdhulp. Een inschatting van de eventuele extra kosten kan de gemeente nog niet maken. Dat geldt ook voor de Wmo. ‘Er is een risico van een boeggolf aan aanvragen. Door de coronacrisis hebben de mensen hun meldingen/ aanvragen Wmo mogelijk uitgesteld.’

Die zorgen worden gedeeld door Arnold Bloem, strategische beleidsadviseur van Noordoostpolder. ‘Je ziet nu dat het aantal jeugdhulptrajecten afneemt. Wat de gevolgen daarvan zijn voor de langere termijn is nog niet duidelijk, maar dat dit gevolgen zal hebben wel.’ De uitgestelde zorg, ook bij de Wmo, kan leiden tot verergering van de problematiek. De tweede golf, waarin we nu zitten, kan daarnaast opnieuw tot uitgestelde zorg en vervolgens de inzet van zwaardere zorg vergen. Samen met de verwachting dat het aantal hulpvragen straks zal toenemen, kan dit nog wel eens tot financiële problemen bij gemeenten leiden, vreest Bloem. Daar sluit Soffer zich bij aan. ‘We zien nu al een extra toeloop op de Wmo-hulp en jeugdhulp. Wij zien tegelijk dat de financiën bij de gemeenten onder druk staan. Wij vinden dat de mensen om wie het gaat niet de dupe mogen worden van gekissebis tussen rijk en gemeenten over geld.’

Gezondheidseconoom Schrijvers weet niet of de uitgestelde vraag of verergerende problematiek per se tot een extra toename van Wmo en jeugdhulp zal leiden. ‘Het kan zijn dat er verborgen vraag blijft. Het formuleren van een zorg- of hulpvraag betekent al dat je in staat bent die vraag bij jezelf te onderkennen, dat je een beetje vertrouwen hebt dat het met hulp beter zal gaan. Mensen met bijvoorbeeld een depressie zien dat niet snel.’ Hij vindt dat gemeenten daar alert op moet zijn. ‘Gemeenten moeten goed opletten of de vraag uitblijft.’ Schrijvers vindt bovendien dat gemeenten jaarlijks aan cliënten moeten vragen hoe het echt met ze gaat. ‘Die reflectie moet je inrichten.’

Op basis van dat gesprek – dat wat Schrijvers betreft een wettelijke verplichting zou moeten worden – moet worden besloten tot meer of minder zorg en ondersteuning. Vanwege corona moet dat gesprek naar voren worden gehaald, vindt de gezondheidseconoom. ‘We hebben een belangrijk jaar gehad met twee coronagolven. Vraag aan de mensen wat ze willen als er weer een derde golf komt; dat is een toekomstgerichte vraag.’ ‘Toegangsgesprekken zijn uitgesteld of digitaal gevoerd’, weet Soffer. ‘Het zou goed zijn als gemeenten in ieder geval actief contact leggen met mensen met een hoog gezondheidsrisico.’


Afbeelding

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.