of 60715 LinkedIn

Meer jongeren bereikt tegen lagere kosten

De negen gemeenten in de jeugdhulpregio West-Brabant-West werken nu vijf jaar met resultaatgerichte financiering. Opvallend: de complexe jeugdhulp daalt sterk en de gemiddelde kosten van de jeugdhulp per inwoner liggen er aanmerkelijk lager dan elders. 

De negen gemeenten in de jeugdhulpregio West-Brabant-West werken nu vijf jaar met resultaatgerichte financiering. Opvallend: de complexe jeugdhulp daalt sterk en de gemiddelde kosten van de jeugdhulp per inwoner liggen er aanmerkelijk lager dan elders. 

Vijf jaar resultaatgerichte financiering


De jeugdhulpregio West-Brabant heeft in aanloop naar de decentralisatie jeugdzorg een aantal belangrijke uitgangspunten geformuleerd. De negen betrokken gemeenten wilden een jeugdhulpstelsel inrichten waar niet over ‘productie’ wordt gesproken, maar waar het resultaat voor ouders en jongeren centraal zou worden gesteld. Het stelsel moest daarnaast samen met het hele zorglandschap worden vormgegeven, omdat daar de kennis en kunde zit, en met kinderen en hun ouders.

‘Met elkaar zijn we gaan ontdekken wat de best passende vorm is om die visie in onze regio vorm te geven’, blikt Peter van Batenburg, strategisch beleidsadviseur van Etten-Leur terug. Bijkomend voordeel was dat de aanbieders zelf naar een ander financieringssysteem toe wilden, zegt Ruud van Andel, specialist van het Inkoop Team West-Brabant West.

Een gezinssituatie is vaak zo complex dat afspraken over uurtarieven of dagdeeltarieven niet werken. ‘Het zorgveld wilde meer vrijheid in het uitvoeren van hun ambacht. Als je dat combineert met de wens van gemeenten om het resultaat centraal te stellen, kom je al snel uit op resultaatafspraken.’

Samen met jeugdhulpaanbieders zijn ‘arrangementen’ tot stand gekomen. Het gaat om een overzichtelijk aantal, voor zowel hoogcomplexe als laagcomplexe zorg. Bij de hoogcomplexe zorg wordt onderscheid gemaakt in vijf verschillende intensiteiten. ‘Het bijzondere is dat we bij de hoogcomplexe zorg verschillende sectoren in de jeugdzorg laten samenwerken in zorgcombinaties’, aldus Van Batenburg.

Het gaat vaak om gezinnen en kinderen met multi-problematiek, waarbij verschillende expertise nodig is. Professionals vanuit bijvoorbeeld de jeugd-ggz, de jeugd- en opvoedhulp en de lvb-sector (licht verstandelijke beperking) zetten samen de schouders eronder. ‘Zo voorkom je dat zorgverleners naar elkaar gaan wijzen. Ze moeten samenwerken om het kind of het gezin te helpen’, benadrukt Barry Jacobs, jeugdwethouder (VVD) van Bergen op Zoom. ‘Je vermijdt daarmee ook het traditionele productdenken. Je zoekt een maatwerkoplossing in die zorgcombinatie’, vult René van Ginderen, jeugdwethouder (CDA) van Roosendaal aan. Een ‘hoofdaannemer’ draagt de eindverantwoordelijkheid. Die krijgt het met de gemeente afgesproken bedrag voor het vooraf overeengekomen resultaat, en verdeelt het over de betrokken ‘onderaannemers’.

Wirwar
Bij de laagcomplexe zorg gaat de gemeente in zee met individuele zorgaanbieders. Of beter gezegd, het gezin of de jongere, want die mogen zelf kiezen uit een aanbod van 155 aanbieders. De laagcomplexe zorg kent tien profielen met vier intensiteiten. Net zoals bij de hoogcomplexe zorg wordt de helft van het bedrag dat aan een arrangement ‘hangt’ bij de start van het traject betaald, en de andere helft als het traject is afgerond. ‘De enorme wirwar aan diagnose behandelcombinaties (dbc’s) en andere financieringsvormen, met meer dan 1.000 verschillende prijzen voor 2015, hebben we teruggebracht naar 45 prijzen’, vat Van Batenburg samen.

Als een jongere of het gezin hulp nodig heeft, kunnen ze aankloppen bij de jeugdprofessional, die in elke gemeente via de lokale toegang te vinden is. Die jeugdprofessionals hebben de gemeenten ingehuurd bij de onafhankelijke stichting Spring. Deze hbo’ers gaan met het gezin en de jongere om tafel om te bekijken wat er allemaal speelt en welk resultaat moet worden bereikt.

‘We kijken dan ook eerst naar wat het gezin zelf kan, wat hun sociale omgeving kan en tot slot voor welk deel professionele hulp nodig is’, vertelt Monique Groffen, manager bij Spring. Op basis van die zorgvraag wordt een gezinsplan gemaakt, waarmee de jeugdprofessional zelf aan de slag kan en/of het gezin zelf een aanbieder kan kiezen, bij inzet van specialistische zorg. Die zorgaanbieder kijkt of hij met dat gezinsplan uit de voeten kan en kiest uit een van de arrangementen. ‘Die keuze wordt weer door onze professionals getoetst. Als zowel de jeugdprofessional, het gezin en de aanbieder akkoord zijn, kan het traject worden gestart.’

Het gezinsplan is tegelijkertijd de beschikking; de gemeente hoeft daar niet naar te kijken. De jeugdprofessional is de spin in het web; gedurende het hele traject houdt deze de vinger aan de pols. De inrichting van het stelsel werpt zijn vruchten af, stellen de wethouders. ‘We bereiken ten eerste veel meer jongeren’, trapt Van Ginderen af. In 2017 werden ruim 2.100 jongeren geholpen door een jeugdprofessional; vorig jaar was dat gestegen naar ruim 4.100 jongeren. Bij de laagcomplexe hulp is tussen 2017 en 2019 sprake van een toename van 19 procent, en bij de hoogcomplexe hulp van een afname van 34 procent. De gemiddelde jeugdhulpkosten per inwoner daalde van 277 euro in 2017 naar 257 euro in 2019; de landelijke bedragen voor diezelfde jaren bedroegen respectievelijk 299 euro en 295 euro.

Tekorten
Denk nu niet dat de regio geen problemen met het jeugdbudget heeft. ‘Net als zo’n beetje alle gemeenten worstelen ook wij met tekorten in het sociaal domein’, benadrukt Jacobs. ‘Dat is een blijvend punt van zorg. We werken er ook hard voor om meer rijksgeld te krijgen, maar dat wil niet zeggen dat je alleen je hand moet ophouden.’

Het is dus én-én in West-Brabant-West: en inzetten op een lobby voor meer geld, maar ook het jeugdstelsel zoals dat bij de decentralisatie was bedoeld zo goed mogelijk te laten werken. En dat jeugdstelsel ging (gaat) uit van het kind centraal, van innovatie, van de ombuiging van hoogcomplexe naar laagcomplexe hulp. En daarin heeft de regio flinke stappen gezet, vinden beide wethouders, die niet aan borstklopperij willen doen, maar wel trots zijn op hetgeen is bereikt.

‘Dat de jeugdhulpkosten per inwoner zijn gedaald, heeft te maken met de beweging van hoogcomplexe zorg naar laagcomplexe zorg’, vertelt Van Batenburg. Wat ook meespeelt, is dat de jeugdprofessionals goede contacten hebben met de huisartsen; nog altijd een belangrijke verwijzer naar jeugdhulp. ‘Huisartsen kennen ons aanbod niet altijd goed. De jeugdprofessionals helpen hen daarbij, zodat de huisarts in een keer goed dan doorverwijzen’, aldus Jacobs. En dat hoeft niet altijd hoogcomplexe zorg te zijn. ‘Als je zo snel mogelijk de juiste zorg kunt leveren dan druk je die kosten.’ De innovatie wordt onder meer bereikt door het grote aantal aanbieders voor de laagcomplexe zorg die via open house zijn gecontracteerd, meent Jacobs. ‘Met een groot aantal aanbieders dwing je innovatie af.’

Hij is dan ook fel gekant tegen de plannen van minister Hugo de Jonge (VWS) die toe wil naar contracten met een beperkt aantal aanbieders, waarmee langdurige contracten worden afgesloten. ‘Wij zien dat het werkt om met veel, ook kleine, aanbieders in zee te gaan.’ Keuzevrijheid is belangrijk, vindt Jacobs, die zelfs de stelling durft aan te gaan dat marktwerking wel degelijk kan werken. ‘Het is toch geweldig dat er nieuwe aanbieders bij kunnen komen die zeggen: ik kom iets innovatiefs brengen. Met een open house zoals wij hebben, stimuleer je innovatie. Als je langdurige subsidierelaties aangaat, dood je innovatie.’ In de regio zijn grote verschuivingen zichtbaar van de oorspronkelijke, wat grotere aanbieders naar kleinere, creatieve partijen, weet Van Andel.

Dashboard
Data zijn belangrijke sturingsinstrumenten voor West-Brabant-West. De regio heeft in 2015 een kwaliteitsmonitor opgezet; ‘een inherent onderdeel van ons stelsel’, benadrukt Van Andel. ‘Ons stelsel is niet het gemakkelijkste. Je zegt als gemeente dat je alle gezinnen en aanbieders wilt leren kennen. Zo goed dat je een zorgpad voor ze kunt uitstippelen. Er ligt een grote verantwoordelijkheid bij gemeenten om daar goed op te kunnen sturen. Daarom zijn we vanaf 2015 heel veel data gaan verzamelen. Daar is een dashboard uit ontstaan waaruit je goede analyses kunt maken. Welke aanbieders bereiken sneller resultaten voor welke doelgroep, en bij welke doelgroepen gaat het minder snel. Daar kun je dan het gesprek over voeren. Sinds 2018 hebben we daar ook kwaliteitsdata aan toegevoegd. Hoe is de kwaliteit van zorg, gemeten in cliënttevredenheid en in uitvalcijfers. We hopen tegen de zomer voldoende kwalitatieve data te hebben zodat we ook daar het gesprek over kunnen voeren.’

Net zoals resultaatgericht financieren geen ‘afrekentool’ is, is de kwaliteitsmonitor dat ook niet. ‘Het lijkt of resultaatfinanciering een hele harde afrekening kent, maar het komt maar zelden voor dat een deel van de betaling wordt achtergehouden. We gaan liever met elkaar in gesprek’, aldus Van Andel. ‘We willen kijken waarom dingen soms wel pakken en soms niet. Elk gezin is anders. Soms hebben wij daar iets in te leren, soms heeft de aanbieder. We willen elkaar continu verbeteren. Resultaatgericht financieren is een middel om de kwaliteit te verhogen en niet zozeer een afrekentool.’ Datzelfde geldt voor de kwaliteitsmonitor. ‘Het gaat erom dat we met elkaar het gesprek kunnen voeren om te komen tot kwaliteitsverbetering.’ ‘Je moet er als gemeente zelf voor zorgen dat je achter dat stuur zit, en niet bijrijder bent’, benadrukt Van Ginderen. ‘We gebruiken de juiste tools om er alles uit te halen wat we ter beschikking hebben. We zijn er nog niet, we moeten nog finetunen, maar ik heb hoge verwachtingen van dat datamodel.’

Meer grip
Beide wethouders stellen dat ze met het stelsel zoals dat in West-Brabant-West is ingericht, meer grip hebben gekregen. ‘We proberen zoveel mogelijk gebruik te maken van data. Met de kwaliteitsmonitor kunnen we de lengte van zorgpaden op een rijtje zetten, weten we hoe vaak kinderen in zorg komen en kunnen op basis daarvan ruwe inschattingen maken’, aldus Van Ginderen. ‘Samen met een overzichtelijk aantal zorgaanbieders en een overzichtelijk aantal zorgcombinaties kunnen we daar een bepaalde richting aan geven, tendensen in ontdekken. Dit alles geeft ons de mogelijkheid om te sturen. Als je dat niet kunt, dan lijkt het een black box. Voor ons is het minder een black box geworden.’

Maar klaar is het niet, erkennen beide wethouder volmondig. De slag naar preventie moet nog worden gemaakt. Ook willen beiden de aanpak verbreden tot het hele sociaal domein; meer integraal werken dus. Jacobs: ‘We willen ook heel graag opnieuw het gesprek aangaan met de aanbieders, de ouders en de kinderen om van hen te horen wat we nog verder kunnen verbeteren. En uiteraard willen we ook leren van mooie voorbeelden elders in het land.’


West-Brabant-West
In de jeugdhulpregio West-Brabant-West werken negen gemeenten samen in het jeugdhulpstelsel dat het Gespreksmodel heet. Het gaat om Bergen op Zoom, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht en Zundert. Zij doen gezamenlijk de inkoop, maar hebben ieder op een eigen manier de lokale toegang vormgegeven. In die lokale toegang werken de jeugdprofessionals die in dienst zijn bij de onafhankelijke stichting Spring, maar werken voor en in de gemeenten. Zij maken samen met de ouders en de jongere een gezinsplan. Op basis daarvan wordt een arrangement gekozen en een aanbieder die de hulp gaat leveren. Bij de start van het traject krijgt de aanbieder de helft van het budget; bij het bereiken van het resultaat de andere helft.


Afbeelding

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.