of 64120 LinkedIn

‘Lockdown was heilzaam’

'Worstelen met geboeide handen'. Zo heet het boek dat wethouder Peter Verschuren uit Midden- Groningen over de jeugdhulp schreef. Daarvoor sprak hij met ouders, jongeren, zorgverleners en wijkteammedewerkers. ‘We moeten angst omzetten in vertrouwen.’

'Worstelen met geboeide handen'. Zo heet het boek dat wethouder Peter Verschuren uit Midden- Groningen over de jeugdhulp schreef. Daarvoor sprak hij met ouders, jongeren, zorgverleners en wijkteammedewerkers. ‘We moeten angst omzetten in vertrouwen.’

Wethouder jeugdzorg Peter Verschuren

Collegevergadering, 25 september 2018. Rondvraag. ‘Eh, het beeld dat we eerder hadden dat het meevalt met de uitgaven aan jeugdhulp, klopt helaas niet. Er zat een fout in de cijfers die nog te maken heeft met de herindeling. Het is nu duidelijk dat we het lang niet redden met het tekort van 3,9 miljoen dat in de begroting is opgenomen. Als het een beetje tegenzit, komt het tekort dit jaar uit op 7,9 miljoen... Volgende week kan ik er meer over vertellen in de collegevergadering. Dan ligt er ook een concept voor een brief aan de gemeenteraad.’ Ongeloof en boosheid bij de collega’s. ‘Hoe bestaat dat? We hebben in mei toch maatregelen genomen? Wat gebeurt hier?’

Zo begint het boek van jeugdwethouder Peter Verschuren (SP) uit Midden-Groningen dat vorige week van de persen rolde. ‘Ik heb het boek geschreven om greep op de materie te krijgen. Sinds 2018 heb ik jeugd in de portefeuille en ik merkte al snel dat het toch wel een heel ingewikkeld samenspel van krachten in de jeugdhulp is. Ik besloot een groot aantal mensen te interviewen.’ Omdat schrijven beter beklijft dan alleen een uurtje praten met mensen die met jeugdhulp van doen hebben, koos hij ervoor om de gesprekken in boekvorm te bundelen. ‘Ook omdat ik schrijven leuk vind.’

Het valt niet mee, om jeugdhulp in Midden- Groningen in portefeuille te hebben. ‘Het valt nergens mee, maar bij ons zijn de problemen bovengemiddeld’, stelt Verschuren. De gemeente telt bovengemiddeld veel jongeren in jeugdhulp. Bijna 18 procent van alle jongeren onder de achttien ontvangt geïndiceerde jeugdhulp, in Nederland ligt dat gemiddelde op zo’n 12 procent. ‘Het tekort over 2018 is uiteindelijk uitgekomen op 7,3 miljoen. Op een begroting van 200 miljoen. Dat is waanzinnig veel.’ Ook over 2019 noteert de per 2018 heringedeelde gemeente een fors tekort. ‘Als we een ruwe schatting maken, komen we uit op een tekort van 5,3 miljoen euro.’

Veelzeggend
De titel van zijn boek − Worstelen met geboeide handen − is veelzeggend. ‘We zijn volledig financieel verantwoordelijk, terwijl we geen grip hebben op de verwijzingen van bijvoorbeeld huisartsen of gezinsvoogden. En als het ergens in de keten fout gaat, krijgen wij de schuld, terwijl we maar weinig kunnen beïnvloeden.

Op papier hebben wij de regie en zijn wij de baas, we mogen alles betalen, maar we hebben lang niet genoeg te vertellen.’ Niet dat hij afwil van de jeugdhulp. Hij vindt het nog steeds een goede zet dat de verantwoordelijkheid daarvoor naar gemeenten is gegaan. ‘Toen de jeugdhulp nog bij de provincies lag, waren de schotten nog veel hoger. De problemen worden nu, weliswaar nog niet genoeg, integraler aangepakt en dicht bij huis. Dat is winst.’ In zijn zoektocht naar greep op de jeugdhulp, wilde Verschuren zich niet laten leiden door de kille cijfers. Hij wilde de verhalen horen van iedereen die op de een of andere manier met jeugdhulp te maken heeft. Als ontvanger van jeugdhulp, als gever van jeugdhulp, als ‘bedenker’ van jeugdhulp.

Hij sprak met onder andere ouders, jongeren, zorgverleners, wijkteammedewerkers, casemanagers, beleidsmedewerkers, en ervaringsdeskundigen. Die nemen in zijn boek beslist geen blad voor de mond; ze zijn kritisch over de geboden hulp en de rol van de gemeente. En ook kritisch over bijvoorbeeld de hoge werkdruk in de wijkteams waardoor sneller naar gespecialiseerde jeugdhulp wordt verwezen. En kritisch over het toch nog steeds grote aantal hulpverleners dat bij een gezin is betrokken.

‘Sommigen waren heel open en redelijk confronterend, maar ik had ook het idee dat een aantal erg voorzichtig was.’ Het verhaal wat hem het meest is bijgebleven is die van ervaringsdeskundige Rebecca Albers. Zij liep op haar zestiende van huis en kwam terecht in een pleeggezin. Haar eigen drie kinderen hebben alle drie jeugdhulp gehad en ‘ze heeft moeten vechten om een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te voorkomen’, schrijft Verschuren. Na de nodige opleidingen begeleidt ze inmiddels gezinnen – soms vrijwillig en soms betaald.

Angst
Albers stelt dat veel ouders bang zijn dat ze ‘dankzij’ de inzet van professionele hulp hun kinderen kwijtraken. Daarom durven ze aan hulpverleners nooit het achterste van hun tong te laten zien. Verschuren: ‘Door haar heb ik me gerealiseerd dat er angst bij de ouders is. Wij denken dat onze mensen van de sociale teams de mensen komen helpen. Maar veel ouders zijn
bang dat hun kinderen door hen worden weggehaald.’

Hij schrok van die angst. ‘Het drukte me echt met de neus op de feiten, van verdorie, die angst is groot.’ Op de vraag of hij de angst bij de ouders kan wegnemen, slaakt hij een zucht. ‘Dat is moeilijk. Als ik na alle gesprekken in een zin zou moeten samenvatten wat er moet gebeuren, is het wel angst omzetten in vertrouwen.’

Want er zit veel angst in het systeem, concludeert Verschuren. ‘De angst van ouders voor de casemanagers, de angst van de casemanagers dat de ouders het verkeerd doen, de angst van de hulpverleners dat die casemanagers hun werk niet goed doen.’

Opvallend in het boek is dat verschillende geïnterviewden zeggen dat er meer praktische hulp moet worden gegeven, in plaats van ‘moeilijke gesprekken’. ‘Inderdaad, het gaat dan om iemand die echt de handen uit de mouwen steekt, mee gaat helpen de boel op te ruimen, het gezin leert een dekbedovertrek om een dekbed heen te doen. Veel mensen blijken daar meer aan te hebben dan een keer per twee weken een gesprek waarbij wordt gevraagd: hoe voelt het nou voor jou? Ik zeg het wat gechargeerd, maar er zit een kern van waarheid in.’ De gemeente heeft dat ook meteen opgepakt. ‘Ik heb net een gesprek gehad met iemand die voor ons de bestaande hulp gaat ombouwen tot een soort gespecialiseerde gezinsverzorgster. We doen er dus ook echt wat mee, met wat ik hoor tijdens de gesprekken.’

De wethouder sprak ook met vier meiden die vaste bezoeker zijn van jongerencentrum Amovement in Hoogezand. De meiden hebben wisselende, maar over het algemeen niet al te beste ervaringen met hulpverleners. Op de vraag van de wethouder wat hen het meest heeft geholpen, antwoorden ze volmondig ‘Wij!’. Verschuren: ‘Dan denk ik: laten we alsjeblieft het jongerenwerk verder versterken. Die meiden steunen elkaar en als er dan een jongerenwerker bij zit die waar nodig de helpende hand biedt of een arm om de schouder slaat; dat werkt voor die meiden veel beter.’ Maar dat is niet de oplossing voor iedereen, haast hij zich te zeggen. ‘Voor kinderen met echte stoornissen werkt dit niet. Maar ik denk dat het voor veel kinderen werkt als ze elkaar kunnen ondersteunen. En dat veel ouders baat hebben bij praktische hulp.’

Te veel
Hij vindt dat er te veel en te snel hulpverlening wordt ingezet. ‘Ouders ervaren de hulpverlening ook vaak als een last. We focussen vaak te veel op het kind, terwijl praktische hulp voor moeder beter
zou zijn. In veel van die gezinnen moet echt wel wat gebeuren, maar anders. Nogmaals, voor een deel is voor met kinderen met psychische problemen professionele hulp echt noodzakelijk, maar ik denk zeker dat we in Midden-Groningen veel te maken heeft met opvoedingsonmacht, met schulden, met stress. Veel ouders hebben het nooit van hun ouders meegekregen hoe je je kinderen moet opvoeden; dat wordt van generatie op generatie doorgegeven. Daar past de jeugdhulp die wij nu leveren niet echt goed bij.’

Het roer moet dus om. Weer zucht Verschuren. ‘Ja, en daar zijn we mee bezig, maar het gaat zo langzaam. Er moet veel meer worden gekeken naar de hele gezinssituatie en naar wat het eigen netwerk kan opvangen. De praktijk wijst uit dat het nog lang niet ver genoeg gaat.’ In zijn boek beschrijft Verschuren zijn ‘droommodel’. ‘Ik zie dan een wereld voor me waarin gezinnen sterk genoeg zijn om met hulp van het eigen netwerk, dus niet met professionele hulpverlening, problemen kunnen oplossen.’ In dat droommodel wordt ook integraal gewerkt. ‘Daarin moeten we nog grote stappen zetten. We moeten een geheel maken van participatie, schuldhulpverlening, maatschappelijk werk, jongerenwerk en jeugdhulp. Dat zie ik als een opgave voor de komende tijd.’

Corona
Hij wil daarbij ook lessen trekken uit de coronacrisis, waarover hij voor het laatste hoofdstuk nog een aantal gesprekken heeft gevoerd. ‘Wat ik terugkrijg van casemanagers is dat het bij veel gezinnen, waarover zij zich grote zorgen maakten, wonderwel goed is gegaan. Een aantal gezinnen heeft de lockdown als ontspanning ervaren. De kinderen hoefden niet op tijd naar school, het huis hoefde niet te worden opgeruimd omdat de hulpverlener zou langskomen. Daarmee is niet gezegd dat het dus allemaal wat minder kan, want er is ook een aantal nieuwe crises bij andere gezinnen bijgekomen.’

Toch stelt Verschuren in zijn boek dat de lockdown ‘heilzaam gebleken is voor de jeugdhulp in Midden-Groningen’. ‘Samenwerking tussen partijen kwam snel van de grond, jongerenwerkers kwamen in contact met nieuwe groepen jongeren en zoals gezegd redden veel gezinnen het ook zonder professionele hulp. Ik hoop dat we dit vast kunnen houden, dat we deze crisis niet verspillen.’ Toch pakken zich nog behoorlijk donkere wolken samen boven Midden-Groningen. De herijking van het gemeentefonds dreigt desastreus uit te pakken voor de gemeente. ‘Onze wethouder financiën schat dat als het meezit we er 4 miljoen euro op achteruit gaan en als het tegenzit 7 tot 8 miljoen.’ Na forse bezuinigingen, op onder meer de sociale wijkteams, een behoorlijke stijging van de ozb en een flinke greep uit de reserves is de begroting vorig jaar sluitend gekregen. ‘In de reserve zit nu nog 6 miljoen.

Dat betekent nog een jaar jeugdhulp en dan hebben we een reserve van nul. De situatie is echt behoorlijk dramatisch.’ De interviews hebben de kijk van Verschuren op de jeugdhulp en de rol van de gemeente daarin niet wezenlijk veranderd. ‘De gedachten die ik had, zijn wat scherper geworden. Wel schrok ik, zoals gezegd, van de hoeveelheid angst die er in het systeem zit.’ Hij heeft voor zijn gevoel meer greep op de jeugdhulp gekregen. ‘Ik weet hoe iedereen erin staat en hoe mechanismen werken.’ Ondanks alle financiële problemen, de ‘verzuchtingen’ dat veranderingen moeten maar lang duren, is hij nog steeds tevreden met zijn portefeuille.

‘Het is een stevige uitdaging, maar ik vind het nog steeds een mooi beleidsterrein. Ik overschat de rol van een wethouder niet, maar ik heb toch wel het idee dat ik door mijn inzet en mijn prikkelen van allerlei mensen de boel wat vooruithelp.’


CV
Peter Verschuren (Malden, 1955) rondde het MBO Sociale Dienstverlening en NGPR-A af. Hij studeerde ook sociale geografie, maar maakte deze studie niet af. Van 1976 tot 1988 bekleedde hij diverse functies bij de gemeentelijke sociale dienst in Groningen. Tussen 1990 en 1995 was hij tekstschrijver op een reclamebureau, tussen 1995 – 2006 redacteur bij de landelijke SP en tussen 2011 en 2014 communicatiemedewerker bij een welzijnsinstelling. In 1988 ging Verschuren de politiek in. Vanaf dat jaar tot 2006 was hij raadslid voor de SP in Groningen. Van 2006 tot 2010 was hij wethouder in die stad. Vier jaar later werd hij (tot 2018) wethouder in Hoogezand-Sappemeer. Twee jaar startte hij als wethouder in Midden-Groningen.


Worstelen met geboeide handen. Hoe de gemeente greep zoekt op de jeugdhulp. Uitgeverij Passage. 152 pagina’s. 17,90 euro.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.