of 61043 LinkedIn

Jong helpt jong

Gemeenten moeten niet allemaal zelf het wiel uitvinden, maar niet elk wiel past op elke wagen. Dat is een les van het programma Academische Werkplaatsen Transformatie Jeugd (AWTJ). Kennis uitwisselen is essentieel, maar voor regionale verschillen moet oog zijn.

Gemeenten moeten niet allemaal zelf het wiel uitvinden, maar niet elk wiel past op elke wagen. Dat is een les van het programma Academische Werkplaatsen Transformatie Jeugd (AWTJ). Kennis uitwisselen is essentieel, maar voor regionale verschillen moet oog zijn.

Programma academische werkplaatsen transformatie jeugd

Nederland telt dertien academische werkplaatsen jeugd. Daarin werken gemeenten, kennis- en praktijkinstellingen én jongeren en hun ouders samen om de jeugdzorg te vernieuwen en te verbeteren [zie kader]. Han de Ruiter, in het dagelijks leven lector aan de Hanzehogeschool Groningen, is voorzitter van het ZonMwprogramma.

‘De werkplaatsen zijn allemaal pareltjes’, vindt hij. ‘Er wordt samengewerkt door disciplines die anders niet met elkaar om tafel gingen. Iedereen apart deed zijn stinkende best, maar het idee achter de werkplaatsen is dat als je de krachten bundelt, je meer een collectief hebt dat werkt aan verbeteringen in de jeugdhulp. Het is alle werkplaatsen gelukt om het werkveld, gemeenten, onderwijs- en kennisinstellingen en kinderen en ouders aan elkaar te koppelen.’ En dat levert mooie producten op, weten ze vanuit de werkplaatsen in Friesland en Utrecht. In de Friese werkplaats zitten alle achttien Friese gemeenten, de universiteit, hogeschool, een cliëntorganisatie en een heel scala aan zorgaanbieders.

‘We hebben een structuur gebouwd waarin we elkaar ontmoeten en waar inzichten vanuit de wetenschap worden vertaald of vertaald gaan worden naar de praktijk’, zegt Han Tuller, beleidsregisseur sociaal domein van de gemeente Heerenveen. ‘In de werkplaatsen worden kennis en praktijk verrijkt’, stelt Marlies Kennis, strateeg bij de gemeente Utrecht en vanuit die hoedanigheid betrokken bij de werkplaats Utrecht. ‘Doel is om het in de praktijk en het beleid beter te doen door kennis nog meer te gebruiken. En ook de kennis te voeden met inzichten die wij in de praktijk en met ons beleid opdoen.’

Dialoogtafel
Vanuit de Friese werkplaats zijn de afgelopen jaren verschillende projecten opgezet, waaronder de dialoogtafelmethodiek en het Peer School Support Project. Aan de dialoogtafel wordt teruggekeken op een hulpverleningstraject dat is ontvangen of gegeven. ‘Het is een analyse achteraf van casuïstiek’, aldus Tuller. Onder meer jongeren, ouders en hulpverleners zitten samen aan tafel en nemen een afgesloten hulpverleningstraject door. ‘We willen met en van elkaar leren en reflecteren.’ Er zijn inmiddels 28 dialooggesprekken geweest. ‘Daarin zien we bevestigd wat we vanuit de literatuur al aan knelpunten en verbeterpunten weten. Communicatie tussen hulpverleners onderling is ingewikkeld. Regie geven aan jongeren en ouders vinden we lastig; we nemen makkelijk over. Gezamenlijke besluitvorming over een overkoepelende aanpak is ingewikkeld en lastig vorm te geven. Het zijn op zich geen nieuwe inzichten, maar de kunst is nu – en in die fase zitten we momenteel – om die inzichten te ontsluiten. We willen aansluiten op een lerend netwerk, zodat de ervaringen in de praktijk meegenomen kunnen worden. De opgedane kennis willen we echt terugbrengen in de praktijk.’

Het Peer School Support Project heeft mooie resultaten opgeleverd, vindt Tuller. Daarbij wordt ervaringsdeskundigheid ingezet. Jongeren die op het mbo zitten, worden via dit project getraind en gecoacht om binnen de eigen mbo-instelling contactpersoon te zijn voor collega-studenten die bijvoorbeeld moeite hebben met leren, moeite hebben met prestatiedruk of problemen hebben met hun eigen functioneren. ‘Hiermee proberen we te voorkomen dat gespecialiseerde hulp moet worden ingezet.’

Binnen de school is wel gespecialiseerde hulp aanwezig; als vraagbaak voor de ervaringsdeskundigen en indien nodig voor de getroebleerde jongere. ‘Uit de evaluatie van het project blijkt dat het voor jongeren min-der beladen is om bij een leeftijdsgenoot aan te kloppen met zorgen over falen en stress. Daar gaat al een preventieve werking vanuit. Gesprekken zijn laagdrempelig. Met deze aanpak wordt opschaling naar zware en ingewikkelde zorg voorkomen.’ Het Friesland College heeft het ‘recept’ inmiddels overgenomen. Tuller: ‘Op alle vestigingen gaan ze daar mee door. Dat is mooi geborgd.’

Vertrouwen
In Utrecht wordt hard gewerkt aan de eindrapportages van de projecten die de afgelopen vier jaar binnen de academische werkplaats zijn opgepakt. Er zijn veel verschillende projecten uitgevoerd, zoals JIM en de wijkacademies. Bij JIM (Jouw Informele Mentor) wordt naar een persoon in de omgeving van de jongere gezocht waarin de jongere veel vertrouwen heeft. ‘Die persoon kan ondersteuning aan de jongere geven en kan dat ook blijven doen. Een hulpverlener stopt op een gegeven moment, maar je wilt voor continuïteit zorgen’, aldus Kennis. Het onderzoek naar de succes- en faalfactoren in de samenwerking tussen gezin, professionals en de JIM bevindt zich in afrondende fase.

Over de resultaten kan Kennis dus nog niet veel zeggen, al is haar indruk vanaf de zijlijn dat het een succesvolle aanpak is. Datzelfde geldt voor de oudergroepen (wijkacademies), waarbij ouders van kinderen met gedragsproblemen bijeenkomen om kennis en ervaringen met elkaar te delen. ‘Op die manier kunnen ze elkaar helpen.’

De meerwaarde van deelname aan de werkplaatsen staat voor zowel Tuller als Kennis buiten kijf. ‘Gemeenten zijn volop aan het veranderen. Maar er is, ook landelijk, behoefte aan weten wat werkt. Voor ons als gemeente is het belangrijk om die vernieuwingen te onderzoeken. Maar dat is ingewikkeld’, aldus Kennis. Praktijk en beleid willen nog wel eens botsen met de wetenschap, weet ze uit ervaring. Als voorbeeld noemt ze het onderzoek naar de buurtteams dat door de academische werkplaats is opgepakt. ‘De buurtteams waren nog volop in de opbouwfase en daarmee ook de gezinsplannen die werden onderzocht. Als wij gaandeweg iets bij de buurtteams zagen dat niet lekker liep, wilden we dat meteen veranderen. Dat vonden onderzoekers ingewikkeld, want er verandert dan iets in de gemaakte afspraken rond het onderzoek. Toch wilden wij snel kunnen reageren op wat we in de praktijk nodig was en dat deden we ook. We wilden niet wachten tot het onderzoek is afgerond.’

Toch participeert Utrecht in de opvolger van het ZonMw-programma dat recent van start is gegaan: Regionale Kenniswerkplaatsen Jeugd. Kennis: ‘Het is goed om kennis te benutten voor de transformatie.’

Eigen sausje
Borgen van inzichten in de praktijk is een belangrijke rode draad bij de academische werkplaatsen, vertelt programmavoorzitter De Ruiter. Ook kennisdeling naar andere regio’s is belangrijk. ‘Zelf hebben we ook geleerd en wel dat iets dat in bijvoorbeeld Brabant is bedacht niet zonder meer wordt overgenomen in Friesland. Zo werkt het niet. Elke situatie is weer anders. We zeggen altijd dat gemeenten niet allemaal zelf het wiel moeten uitvinden, maar niet elk wiel past op elke wagen.’ Wel vindt De Ruiter dat regio’s goed naar een succesvolle aanpak moeten kijken en moeten nagaan of het, door er een eigen sausje overheen te doen, wel toepasbaar is.

Tuller en Kennis hebben projecten waar ook andere regio’s in hun ogen van kunnen profiteren. ‘Van de dialoogtafelmethodiek zeg ik: dat zouden we op meer plekken moeten doen. Het is een heel praktisch toepasbaar instrument om interdisciplinair een gesprek te kunnen voeren. Je wordt ook gedwongen om dezelfde taal te spreken; iets dat in de praktijk een heel groot vraagstuk is’, aldus Tuller. JIM en de wijkacademies met ouders vindt Kennis de moeite van het kopiëren waard. ‘Gemeenten zoeken naar manieren om het netwerk van jongeren meer en beter te betrekken. Daar is JIM een mooi voorbeeld van. Ook zoeken gemeenten naar manieren om ouders meer het initiatief in een wijk te laten nemen. Daar kan de wijkacademie een houvast in zijn.’ ‘


Academische werkplaatsen
Het programma Academische Werkplaatsen Transformatie Jeugd (AWTJ) is een door VWS gefinancierd programma dat door ZonMw wordt uitgevoerd. Voor de uitvoering ervan was de afgelopen vier jaar ruim 8 miljoen euro beschikbaar. In de werkplaatsen vatten mensen afkomstig uit praktijk, beleid, onderzoek en onderwijs diverse vraagstukken rondom de transformatie bij de hoorns. Ouders en jongeren zijn eveneens structureel bij de werkplaatsen betrokken.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.