of 59130 LinkedIn

Hoezo einde van de peuterspeelzaal?

In 2018 worden de peuterspeelzalen omgevormd tot kinderdagverblijven. Een logische stap in de strijd tegen vroegtijdige segregatie, vindt Aart Verschuur. Al geeft de uitwerking op lokaal niveau een versnipperd beeld. ‘Gemeenten worstelen met de vraag: hoe nu verder?’

In 2018 worden de peuterspeelzalen omgevormd tot kinderdagverblijven. Een logische stap in de strijd tegen vroegtijdige segregatie, vindt Aart Verschuur. Al geeft de uitwerking op lokaal niveau een versnipperd beeld. ‘Gemeenten worstelen met de vraag: hoe nu verder?’

Elke gemeente kiest voor eigen harmonisatie

De omvorming van peuterspeelzalen tot officiële kinderopvang komt voort uit de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzalen, die meer eenvormigheid in het kinderopvangaanbod nastreeft. Alles wordt kinderopvang, de peuterspeelzaal verdwijnt. Maar dit is optisch bedrog. In oktober 2017 telt ons land zelfs nog 1.381 peuterspeelzalen. Van een afscheid zal geen sprake zijn.

Hooguit verdwijnt de naam peuterspeelzaal om vanaf 2018 voort te gaan onder de naam peutergroep of voorschool, al dan niet geïntegreerd in de reguliere kinderopvang. Reden: peuterspeelzalen staan meer dan wat of wie ook in de frontlinie in de strijd tegen segregatie en taalachterstanden in het Nederlands.

Mond-tot-mond
Het nieuwe kabinet heeft zelfs gekozen voor een verruiming van het aanbod in voorschoolse voorzieningen en trekt daarvoor 170 miljoen euro extra uit, zodat peuters met een taalachterstand niet tien maar wekelijks zestien uur naar een voorschoolse voorziening kunnen.

En wie kan die verruiming beter invulling geven dan de peuterspeelzaal? Of, met een nieuw etiket, de peutergroep? Want in de afgelopen tientallen jaren hebben peuterspeelzalen enorm veel kennis en ervaring opgebouwd om peuters op weg te helpen. Allochtone kinderen vooral, zoals we ze vroeger noemden. Doelgroepkinderen, in new speak.

Via voorschoolse educatie (vve) lukt het peuterspeelzalen kinderen op speelse wijze ‘klaar te stomen’ voor de basisschool, met speciale ontwikkelingsprogramma’s en beter geschoolde pedagogisch medewerkers dan in de kinderopvang. Extra’s die vooral worden betaald vanuit de onderwijsachterstandsmiddelen (oab) vanuit het rijk, vaak aangevuld met gemeentelijke subsidie. De peuterspeelzalen zijn één groot succesverhaal, als gemeente moet je wel achterlijk zijn dat kindje zomaar overboord te gooien.

Zeker als je bedenkt dat peuterspeelzalen moeilijk bereikbare doelgroepen weten te binden, die zich meestal zelf bij de drempel van de speelzaal melden. Via mond-totmondreclame vinden doelgroepmoeders de weg naar de peuterspeelzaal. Welke welzijnsinstelling, welk commercieel bedrijf kan hieraan tippen?

Bijeffect: segregatie
Waarom dan die harmonisatie? Kinderen van werkende ouders zitten toch prima in ‘commerciële’ kinderdagverblijven, terwijl kinderen van doelgroepouders speels en effectief in taal worden bijgespijkerd in de peuterspeelzaal? Het antwoord is eenvoudig: loop in een middelgrote of grote stad een peuterspeelzaal en kinderdagverblijf binnen en je ziet het meteen. De peuterspeelzaal is ‘zwart’, het kinderdagverblijf is ‘wit’. Pure geïnstitutionaliseerde segregatie in beeld.

Dat baart deskundigen op het gebied van maatschappelijke ontwikkeling zorgen, evenals pedagogen. Uit internationaal onderzoek weten we dat kinderen zich sociaal en cognitief het best ontwikkelen als ze met een diversiteit van leeftijdsgenootjes omgaan. Kinderen die van huis uit minder skills meekrijgen, trekken zich op aan andere kinderen en leren sneller, bovendien leren ze omgaan met verschillen, worden socialer, respectvoller.

Dus hulde aan dit begin van harmonisatie. Europees gezien vormen wij ook echt een afwijking, met ons rare onderscheid tussen kinderopvang voor werkende ouders in kinderdagverblijven en niet-werkende (doelgroep)ouders in peuterspeelzalen. Een historisch verklaarbaar onderscheid, waarvoor we terug moeten naar de paarse kabinetten in de jaren negentig.

PvdA en VVD kunnen elkaar dan niet vinden om van kinderopvang en peuterspeelzalen één (geharmoniseerde) basisvoorziening te maken, voor alle kinderen in Nederland. Vooral minister Hedy d’Ancona en staatssecretaris Margot Vliegenthart (beiden PvdA) maken zich daar hard voor. Vanuit het perspectief van vrouwenemancipatie moeten vrouwen beter in de gelegenheid worden gesteld om de arbeidsmarkt op te gaan. Kinderopvang is dan een vereiste.

Maar de VVD is tegen ‘staatsopvoeding’ en vrouwenemancipatie is mooi, zolang het beperkt blijft tot parelmoeren kettinkjes. De christelijke partijen zijn helemaal tegen kinderopvang, want vrouwen horen thuis in het gezin. Staatssecretaris Vliegenthart kiest daarop voor het meest haalbare: kinderopvang als puur arbeidsmarktinstrument voor werkende ouders.

Via haar succesvolle wet Kinderopvang weet Vliegenthart een regeling binnen te slepen. Waarop kinderopvang meteen booming business wordt, en de peuterspeelzalen ook toen bijna doodverklaard. Maar dit blijkt van korte duur. Heel behendig richten de peuterspeelzalen zich op de tientallen miljoen euro’s die inmiddels voor onderwijsachterstandenbeleid beschikbaar zijn. Zij claimen dit geld met succes en streven de kinderopvang in kwaliteit voorbij als het gaat om de ontwikkeling van (doelgroep)kinderen.

Versplinterd beeld
En nu hebben we eindelijk een begin van harmonisatie, in de strijd tegen segregatie. Maar gemeenten worstelen met de vraag: hoe nu verder? Al het peuterspeelzaalwerk opheffen kan niet zomaar, vanwege het achterstandsbeleid en de verantwoordelijkheid voor een integrale visie op jeugd. We zien dan ook een versplinterd beeld ontstaan. Zo heeft Almere bedacht dat het peuterspeelzaalwerk kan worden opgeheven en ondergebracht bij kinderopvangorganisaties, inclusief de vroeg- en voorschoolse educatie voor doelgroeppeuters.

Amsterdam kiest op zijn beurt voor één peutervoorziening (lees: de geharmoniseerde peuterspeelzalen en kinderdagverblijven) waar alle peuters minimaal vijftien uur in de week terecht kunnen. Als zo’n peutervoorziening aan de voorwaarden van voorschoolse educatie voldoet, krijgt deze een aanvullende gemeentelijke ‘kwaliteitssubsidie’. In Utrecht weer een totaal ander plaatje. Daar beschouwt de gemeente kinderopvangorganisaties ‘gewoon’ als commerciële marktpartijen. Waar je geen zaken mee doet als het gaat om achterstandsbestrijding. Vooral niet omdat er in de Domstad één peuterspeelzaalaanbieder is, Spelenderwijs, die wetenschappelijk aangetoond hoge kwaliteit levert in haar voorschoolse programma’s.

Probleem is ook dat Utrecht ruim zeventig kinderopvangorganisaties telt. Een vijftal grote met daarnaast ongelooflijk veel éénpitters, kleine zelfstandige bedrijfjes. Is het wel handig om doelgroepgelden te ‘verdelen’ tussen zo veel partijen, waarvan niet zeker is of ze ook de beoogde kwaliteit leveren? Utrecht vindt van niet. En heeft peuterspeelzaalorganisatie Spelenderwijs vooralsnog uitverkoren als dé organisatie voor (taal)ontwikkeling van achterstandspeuters.

Krachtenveld
Zo kiest elke gemeente voor z’n eigen aanpak, waarbij soms peuterspeelzalen verdwijnen en hun werk wordt uitbesteed aan kinderopvangorganisaties (Almere) maar elders gewoon blijven voortbestaan (Utrecht). Keuzes die sterk afhangen van de lokale situatie. Maar de gemeente heeft het daarbij niet alléén voor het zeggen. Want ook het basisonderwijs heeft een belangrijke invloed. En het rijk, via de besteding van de achterstandsmiddelen.

Het rijk wil naar een fikse herverdeling van onderwijsachterstandsmiddelen voor gemeenten, nadat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) begin 2016 een betere methode heeft bedacht om te bepalen welke peuter of basisschoolleerling een achterstand kan hebben. En wat blijkt? Opeens zijn er twee keer zoveel achterstandskinderen in Nederland: geen 134.000 maar 260.000.

En ze wonen niet allemaal in de vier grote steden, die van oudsher de grootste taartpunt aan achterstandsgelden krijgen toebedeeld. Bij de herverdeling zullen de middelgrote gemeenten als winnaars uit de bus komen. Hoe willen zij dat geld inzetten? Een andere partij in het krachtenveld is het basisonderwijs, waar een felle strijd om de leerling woedt, we hebben immers een vergrijzende samenleving. Scholen willen daarom dolgraag een peuterspeelzaal in huis, je wilt je klanten het liefst zo vroeg mogelijk binnen hebben, natuurlijk. Voorbeeld: in een Overijsselse (krimp-)regio ziet het peuterspeelzaalwerk de harmonisatie niet zitten, vanwege de strenge kwaliteitseisen en idem controles waar de kinderopvang mee te maken heeft. De stichting besluit zich op te heffen, alle speelzalen worden na onderhandelingen overgedragen aan de christelijke basisscholen in de regio. Waarop de openbare schoolbesturen prompt zelf in al hun locaties peuterspeelzalen openen, anno 2017. Hoezo einde peuterspeelzalen?

Scholen gebruiken daarbij altijd legitieme, inhoudelijke argumenten. Zo vindt het onderwijs een doorgaande leer- en ontwikkelingslijn voor kinderen belangrijk, zonder knip tussen peuterspeelzaal en basisschool. Daarnaast zien scholen met lede ogen dat het basisniveau waarop kinderen hun schoolcarrière starten al jaren daalt. Een eigen peuterspeelzaal betekent méér greep op het instroomniveau van kinderen. Je moet als gemeente van goeden huize komen wil je aal dit onderwijsgeweld kunnen pareren. En waarom zou je eigenlijk?

Met dank aan IJsbrand Jepma, senior onderzoeker/adviseur Sardes.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.