of 59123 LinkedIn

Eerst het hulpplan, dan pas poetsen

Jaarlijks komen bij de gemeente Rotterdam zo’n tweehonderd klachten over woningvervuiling binnen. Vaak symptoom van een complexe achterliggende problematiek. Een gespecialiseerd GGD-team grijpt in, desnoods met een gedwongen schoonmaak. Niet het vuil en de woning staan centraal, maar de cliënten en hun problemen.

Jaarlijks komen bij de gemeente Rotterdam zo’n tweehonderd klachten over woningvervuiling binnen. Vaak symptoom van een complexe achterliggende problematiek. Een gespecialiseerd GGD-team grijpt in, desnoods met een gedwongen schoonmaak. Niet het vuil en de woning staan centraal, maar de cliënten en hun problemen.

Hoe Rotterdam de woningvervuiling aanpakt

Rotterdam-West, iets na elf uur ’s ochtends. Ragna Keller doet de deur open en trekt haar schoonmaakhandschoenen uit om een hand te geven. De specialist woningvervuiling bij de GGD is vandaag met twee werknemers van werkbedrijf Magis 010 bezig met een grote schoonmaak in het huis van twee zussen van in de zestig. De hele dag wordt er opgeruimd, gepoetst, weggegooid. Voor de deur staat een afvalbusje waarin lichtblauwe vuilniszakken al bijna manshoog liggen opgestapeld, naast een piano en een afgeleefd bankstel.

Zus G. (65 jaar) zit op de bank in de woonkamer. De andere zus E. (63) ligt boven met haar hond op bed. Zij kan nauwelijks meer de trap op of af. De artistiek aangelegde zussen wonen al tientallen jaren in dit huis. G. deed altijd de klusjes buitenshuis en E. de huishoudelijke taken. Ongeveer tien jaar geleden werd E. voor de eerste keer ernstig ziek en verloren de zussen de grip op het huishouden. Er ligt een behoorlijke laag stof in de woning, de vloerbedekking is bezaaid met vogelvoer en het gebruinde behang laat los. Het nog niet opgeruimde deel is een chaos. De keuken, die vol stond met afvalzakken, is inmiddels weer begaanbaar.

Cliënt beslist
‘De schoonmaak is een samenwerking tussen cliënten en hulpverleners’, vertelt Keller over de aanpak ‘maar de cliënt maakt de beslissingen over wat wordt weggegooid of niet.’ Terwijl de mannen van Magis 010 zus G. op ontwapenende wijze verder helpen en aanmoedigen een schifting te maken tussen spullen die ze wil houden en wil weggooien, legt Keller in de keuken uit wat er aan de schoonmaak vooraf is gegaan. De financiën moesten weer op orde worden gebracht. ‘Er stond hier ook een kooi met een vogeltje’, verklaart ze het zangzaad op de vloer. ‘Daarvoor hebben we opvang geregeld.’

De Rotterdamse aanpak van woningvervuiling kenmerkt zich door de korte lijntjes. Doordat het GGD-team woningvervuiling direct een indicatie voor ondersteuning heeft afgegeven, is een Wmo-traject met keukentafelgesprekken en inventarisaties omzeild. Dat scheelt zo een half jaar. Ook aan de nazorg wordt al gedacht. ‘De zussen kunnen hier waarschijnlijk niet eeuwig blijven wonen. E. heeft in ieder geval dringend behoefte aan meer verzorging’, zegt Keller. Vooral dát kenmerkt de Rotterdamse aanpak; niet het vuil en de woning staan centraal, maar de cliënten en hun problemen. ‘Je kan wel gaan schoonmaken, maar als je niks aan de achterliggende problematiek doet, is het binnen de kortste keren weer een janboel. Er moet eerst een hulpplan zijn, pas dán gaan we schoonmaken’, aldus Keller.

De basisformule is in grote lijnen bij elke cliënt, en ook bij de zussen, hetzelfde. De risicogroep wordt vooral gekenmerkt door de combinatie van een beperking, de afwezigheid van een sociaal netwerk en een onvervulde behoefte aan zorg. Verlies, ziekte of ouderdom verergeren vaak de problemen. Vaak mijdt de doelgroep zorgverleners uit wantrouwen of vanwege eerdere teleurstellingen. Keller: ‘Het komt regelmatig voor dat we een half jaar met iemand praten door zijn of haar brievenbus. Wij zijn dan vaak de eersten die een hulpbehoevende na jaren hebben bereikt. Meegaandheid van de cliënt vergt vaak veel voorwerk.’

Ernstiger
De decentralisaties hebben volgens Keller en de gepensioneerde GGD-medewerker Jos Jongeleen niet aantoonbaar geleid tot een toename van het aantal meldingen in verband met woningvervuiling. Dat aantal ligt in Rotterdam consequent rond de tweehonderd per jaar. Wel zijn de gevallen ernstiger geworden, is de indruk van beiden. Jongeleen: ‘Het gaat hier om een doelgroep die vaak geneigd is om zorg te mijden. De terugtrekkende beweging door de overheid leidt ertoe dat deze groep nog langer onder de radar blijft.’

Er is dan ook een groep cliënten – afgelopen jaar goed voor vijf van de 67 door een bedrijf uitgevoerde schoonmaak- of ontruimingsacties – waarvan de situatie zo schrijnend is dat er dwang moet worden toegepast. Keller: ‘Gedwongen schoonmaak of ontruiming kan plaatsvinden als een cliënt overlast veroorzaakt voor zijn of haar omgeving of een gevaar is voor zichzelf en buren. Dan kan het gaan om problemen als stankoverlast, maar ook om serieus brandgevaar. Gedwongen ontruimen doen we overigens niet voor we alle registers hebben opengetrokken. Bij verzamelaars waarvan het hele huis vanwege alle opeengehoopte spullen min of meer een tondeldoos is geworden, komt op ons verzoek de brandweer langs. Die is vaak wat botter en dan valt het kwartje wel. Bij licht verstandelijk beperkten komen ze bijvoorbeeld vaak binnen zetten in vol ornaat; pak, helm, zuurstofmasker. “Wij kunnen u niet helpen als hier brand uitbreekt en als u niet naar buiten kan komen, dat is voor ons veel te gevaarlijk”, zeggen ze dan. Dat maakt meestal veel indruk.’

Mochten cliënten zich alsnog met hand en tand verzetten tegen schoonmaak, dan treedt het huzarenstukje van de Rotterdamse aanpak in werking; het in 2004 getekende convenant tussen GGD-Rotterdam- Rijnmond, brandweer, de dienst stedebouw en volkshuisvesting en reinigingsdienst Roteb. Alle betrokken partijen zijn een inspanningsverplichting aangegaan bij de schrijnendste gevallen van woningvervuiling. In het convenant liggen de rolverdeling en de te volgen procedures voor zowel vrijwillige als gedwongen schoonmaak besloten.

‘Collega’s uit andere gemeenten kijken daar met grote jaloezie naar’, zegt oudge- diende Martin Daamen tussen de middag in de GGD-kantine nadat de handen zijn gewassen. ‘We hadden onlangs delegaties van Amsterdam, Utrecht en Groningen op bezoek die hier erg van onder de indruk zijn.’ Daamen (die later die middag aanschuift bij een casusoverleg over een gezin waar onder meer 25 konijnen, drie honden, zes katten en een schildpad vrij rondlopen) vindt op zijn beurt dat Rotterdam weer wat kan opsteken van de Amsterdamse samenwerking met de dierenasiels.

Uitwaaien
Behalve het convenant, zit de kracht van de Rotterdamse aanpak er volgens Daamen in dat er binnen de GGD Rotterdam-Rijnmond wordt gewerkt met een hecht team met jarenlange expertise en een uitstekend netwerk. ‘Een tijd geleden waren er plannen om de aanpak van woningvervuiling bij de 42 wijkteams van de stad neer te leggen. Stel je voor… Er zijn in deze stad lang niet zoveel gedwongen schoonmaakacties per jaar. De opgebouwde expertise zou totaal uitwaaien. Ik ben dan ook heel blij dat dit plan uiteindelijk niet is doorgegaan. Het gaat om een expertise en een netwerk dat voor bijzondere taken moet worden behouden. Ik heb destijds het onderdeel lijkbezorging als voorbeeld gegeven. Dat moet echt aan de specialisten worden overgelaten.’

Dat de wijkteams een onmisbare partner zijn voor het team woningvervuiling, wordt zowel door Daamen als Keller beaamd. ‘Het onderhouden van contacten met alle 42 wijkteammanagers is wel een forse taak’, voegt Daamen daaraan toe. Keller: ‘Het is super dat alle Rotterdamse wijkteams GGZ-medewerkers krijgen, maar die hebben denk ik nog te weinig mogelijkheden. Ze zijn erg afhankelijk van de zorgverzekeraar, waardoor het langer duurt tot er zorg kan worden gegeven. Ook worden door de verzekeraars snelle en gestroomlijnde trajecten verwacht, maar dat is bij zorgmijders niet realistisch.’

Terug naar de zussen G. en E. , waar de twee volgende dagen ook nog is schoongemaakt en het behang wat is opgelapt. De wijk-GGZ is ingeschakeld om een vinger aan de pols te houden en er is verpleging ingezet. ‘Dat gaat wel een beetje lastig. Ze blijven de hulp nog een beetje afhouden, dus we gaan zo laagdrempelig mogelijk beginnen. De nieuwe hulpverleners moeten nog wat vertrouwen winnen, maar dat lukt de thuishulp al heel behoorlijk.’ Over twee of drie maanden zal Keller een controlebezoekje brengen aan de zussen om te kijken of alles naar wens verloopt.

‘Of ik bel binnenkort even aan als ik toevallig in de buurt ben.’ Anderhalve week na de schoonmaak zijn de zussen nog aan het bekomen van de metamorfose die hun huis heeft ondergaan. ‘Het is behoorlijk heftig voor ze geweest’, laat Keller weten. ‘Maar ze zijn blij met hun schone en opgeruimde woning. Ze hebben letterlijk en figuurlijk weer wat lucht.’


Ervaring gebundeld
Van 1981 tot 2017 werkte Jos Jongeleen als psychiatrisch verpleegkundige bij de GGD Rotterdam, waar hij een schat aan ervaring opbouwde op het gebied van hulpverlening aan woningvervuilers. Voor hij in januari 2017 met pensioen ging, besloot hij die ervaring te bundelen in het boek ‘Woningvervuiling, achtergrond en aanpak in de dagelijkse praktijk’ (Uitgeverij De Tijdstroom). De variatie in soorten woningvervuilers en hun problematiek wordt geïllustreerd in casussen. 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.