of 59123 LinkedIn

Beweging in sociaal domein

Beweging is goed voor re-integratie, gezondheid, participatie en sociale cohesie. Fysieke activiteit tegen eenzaamheid, en zelfs radicalisering. Sport was altijd een bescheiden bovenwettelijk onderdeel van de activiteiten van gemeenten maar lijkt nu, in de vitaliteitsgedachte, steeds meer een duizenddingendoekje te zijn geworden. Werkt het ook?

Beweging is goed voor re-integratie, gezondheid, participatie en sociale cohesie. Fysieke activiteit tegen eenzaamheid, en zelfs radicalisering. Sport was altijd een bescheiden bovenwettelijk onderdeel van de activiteiten van gemeenten maar lijkt nu, in de vitaliteitsgedachte, steeds meer een duizenddingendoekje te zijn geworden. Werkt het ook?

Stoeien om waarde van sport in cijfers te vangen

‘De inzet van sport als middel in het sociaal domein is inderdaad een toenemende trend’, beaamt André de Jeu, directeur van de Vereniging Sport en Gemeenten. Hij voorspelde twee jaar terug al in Binnenlands Bestuur dat na forse bezuinigingen een deel van de bekostiging van de gemeentelijke investeringen in sport via het sociaal domein zou worden geregeld.

‘Dat is op zich niet verwonderlijk’, vervolgt De Jeu. ‘Sport, of beter gezegd beweging, is in principe het goedkoopste medicijn en preventiemiddel dat voorhanden is. Daarnaast zie je dat doelgroepenbeleid op het gebied van bewegen tegenwoordig eerder de regel dan de uitzondering is geworden. Dat was een paar jaar terug nog taboe omdat het tot rechtsongelijkheid zou leiden.’

In de zoektocht naar manieren om kosten op het sociaal domein te voorkomen en te drukken, lijken gemeenten het bewegen dan eindelijk te hebben gevonden. ‘Daar werd eerst nog redelijk lacherig over gedaan. Alsof investeren in sport slechts inhield dat je geld stak in de hobby van een paar mensen’, aldus De Jeu. Volgens hem levert elke euro die gemeenten in sport steken de maatschappij uiteindelijk 4,5 euro op aan besparingen. ‘Toch zie je nog steeds dat er wordt verwacht dat we alles met onderzoek en getalletjes tot achter de komma willen verantwoorden. Dat is écht volksziekte nummer één op het snijvlak van gemeenten en sport.’

Volgens De Jeu moeten gemeenten bij sociale initiatieven op het gebied van sport en bewegen vooral op projectbasis kijken naar de toegevoegde waarde. ‘Dat is een kwestie van kijken naar een doelgroep; wat is de behoefte, wat ontbreekt er, en welke bewezen interventie kan dit probleem oplossen? Op doelgroepniveau kunnen gemeenten de effecten dan achteraf evalueren met behulp van de vele data die ze verzamelen en bijhouden.’

Besparen op WMO
Dat blijkt ook de gangbare praktijk te zijn bij een aantal gemeenten. Chantal Wildemors, beleidsadviseur sport en bewegen bij de gemeente Hengelo beaamt dat. ‘Het lastigste bij het pleiten voor de sportbudgetten over de gehele linie is dat er altijd wel een bepaalde scepsis is over de concrete resultaten. Dat is ook des te lastiger omdat de verschillende uitgaven aan sport ook heel versnipperd zijn en heel veel meerwaarde indirect of intrinsiek is. Zo valt bijvoorbeeld een deel onder het sociaal domein en een deel onder het beheer van de openbare ruimte, bijvoorbeeld in de vorm van uitgaven aan speelplaatsen voor kinderen. Het grootste deel van de 7 miljoen euro die in onze laatste kadernota sport en bewegen stond, is bedoeld voor het onderhoud en beheer van de sportinfrastructuur. Die is weer een basisvoorwaarde voor de projecten met bewegen waarvan de meerwaarde zich beter laat uitdrukken.’

Wildemors noemt daarbij de zogeheten LEF-projecten van de gemeente Hengelo. ‘Een simpel voorbeeld van die projecten is onze ‘doeboerderij’. Kinderen met een beperking krijgen daar een collectief aanbod van dagbesteding met veel beweging, bijvoorbeeld op de kinderboerderij, manege of scouting.’

Dat levert volgens Wildemors een dubbel dividend op: ‘Doordat de doelgroep in beweging komt, worden later eventueel zorgkosten bespaard en doordat de kinderen een dagdeel op de doeboerderij besteden, betekent dat ook een dagdeel minder geïndiceerde jeugdhulp. Daarbij gaat het vaak om prijzige maatwerkvoorzieningen met bijkomend hoge vervoerskosten. Dat laatste onderdeel is ook heel goed financieel te onderbouwen. We hebben onder de Wmo [Wet maatschappelijke ondersteuning/ red.] ook een klein budget beschikbaar gesteld voor preventie middels vrijetijdsbesteding, waaronder sport.’

Wie profiteert?
Ook in de gemeente Den Bosch worden er in toenemende mate sport- en bewegingsprojecten gefinancierd vanuit het sociaal domein. Zo is er in het kader van de armoedebestrijding een jeugdsportfonds en organiseert de gemeente bewegingsprojecten in het kader van het ouderenbeleid. Daarnaast loopt in Den Bosch het project ‘Sport werkt’, waarmee de vitaliteit van inwoners in de sociale werkvoorziening wordt verbeterd. Ook is er een stuurgroep opgericht om sport, bewegen en gezondheid breed te promoten met onder meer de GGD, het ziekenhuis, maatschappelijk werk en sportverenigingen, vertelt Corniel Groenen, afdelingshoofd sport en recreatie bij de Brabantse hoofdstad.

‘Samen formuleren we speerpunten, stellen we doelen, en gaan we over op interventies. Die samenwerking is cruciaal. Sport alleen is namelijk geen panacee. De kwaliteit moet geborgd worden. Als wij bijvoorbeeld een voetbalclub ondersteunen, heeft dat weinig zin als er in de derde helft flink wordt gedronken, gesnackt en gerookt in de kantine. Om de kwaliteit van de sport te borgen, vragen we dan ook wat terug van verenigingen.’

Die samenwerking lijkt des te belangrijker te zijn omdat gemeenten maar voor een klein deel profiteren van de maatschappelijke opbrengst van sport. Gemeenten hebben er dus baat bij om partijen bij de aanpak en de financiering te betrekken die aantoonbaar veel profiteren van sportinterventies. Maar welke partijen zijn dat? Uit onderzoek door beleidsonderzoeksbureau Ecorys in opdracht van het Kenniscentrum Sport blijkt dat behalve het individu, vooral zorgverzekeraars en werkgevers profiteren van de sociaaleconomische waarde van sport en bewegen. Die waarde kan volgens het onderzoek oplopen tot 100.000 euro per persoon over de gehele levensduur en wordt geboekt op gebied van een verbeterde gezondheid, meer sociale cohesie en hogere arbeidsproductiviteit.

‘De exacte waarde daarvan voor gemeenten laat zich uiteindelijk heel moeilijk precies uitdrukken’, geeft Karin van der Maat, adviseur bij het Kenniscentrum Sport, desgevraagd toe. ‘We krijgen onder meer van gemeenten vaak de vraag wat investeringen in bewegen hen opleveren en wilden met het onderzoek een MKBA (Maatschappelijke Kosten-Batenanalyse) uitvoeren voor sportinterventies door overheden. Dat is slechts in beperkte mate gelukt.’

Toegevoegde waarde
Het laatste rekenkamerrapport over het sportbeleid in de gemeente Zwolle laat goed zien hoe gemeenten worstelen met de vraag hoe de meerwaarde van sport moet worden uitgedrukt in beleid. Uit dat onderzoek blijkt er bitter weinig te kunnen worden gezegd over de doeltreffendheid en doelmatigheid van dat beleid. Daarvoor zijn de doelen eenvoudigweg niet ‘SMART’ (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdsgebonden) genoeg geformuleerd. Dat maakt toetsen of de gewenste effecten daadwerkelijk zijn bereikt onmogelijk.

Het Zwolse actieplan Sport en Bewegen gaat volgens de rekenkamer te beperkt in op het instrument Sport als middel om bij te dragen aan de doelen van andere beleids terreinen, bijvoorbeeld ten aanzien van bijvoorbeeld Wmo, gezondheid en participatie. ‘Er worden geen expliciete relaties met de doelen van deze beleidsterreinen gelegd, waardoor het ook niet mogelijk is om te bezien in hoeverre sport bijdraagt aan deze doelen’, aldus de rekenkamer.

Omdat bovendien een financieel kader ontbreekt, is niet duidelijk wat de activiteiten kosten en of dat doelmatig is. Maar andersom gebeurt dat volgens de onderzoekers evenmin. Zo wordt in de gezondheidsnota wel veel gesproken over bewegen, maar sportverenigingen en andere sportaanbieders worden niet tot nauwelijks specifiek benoemd als partners.

Het advies van de Zwolse rekenkamer is dan ook om de sportafdeling (sub)doelen, indicatoren en een financieel kader op te laten stellen, samen met aanpalende beleidsterreinen op het gebied van gezondheid, sociaal domein, onderwijs, ruimtelijke ordening en economie. En ook met andere stakeholders zoals verenigingen en het maatschappelijk middenveld.

‘We constateren dat de toegevoegde waarde van sport ten opzichte van de andere beleidsterreinen vooral een incidenteel en projectmatig karakter heeft’, aldus de rekenkamer. ‘Op uitvoeringsniveau wordt de verbinding nog wel gemaakt, maar op beleidsniveau is hier geen sprake van en wordt nog te veel ‘verkokerd’ gedacht.’

Rekentool
Op welke manier kunnen gemeenten sportinterventies in het sociaal domein dan beter meet baar maken? Daar wordt nog hard aan gewerkt. Een recente rekentool van het Kenniscentrum sport geeft globaal aan wat een interventie de maatschappij zou kunnen opleveren maar heeft dezelfde beperkingen als de uitkomsten van het Ecorys-onderzoek: wat gemeenten exact met interventies kunnen realiseren en hoe dat zich verhoudt tot de verschillende gemeentelijke kostenposten op het sociaal domein blijft vooralsnog onduidelijk.

‘Die tool is inderdaad vooral geschikt om met andere stakeholders het gesprek te voeren en hun een indicatie te geven hoe zij bij een gezamenlijke interventie gebaat kunnen zijn’, beaamt Van der Maat. Er is aanvullend onderzoek nodig naar de effectiviteit van het gemeentelijk sportbeleid om te bepalen of de gedane investeringen echt lonen. 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.