of 59179 LinkedIn

Al-Qaeda in ons dorp!

Sjors van Beek Reageer
Guity Mohebbi deed onderzoek naar de omgang tussen autochtone en allochtone jongeren. Tussen beide ‘kampen’ gaapt een kloof van onbegrip, vooroordelen en openlijke discriminatie. ‘Ze vragen erom dat je gaat discrimineren.’

‘Het is beangstigend om te zien hoe, na twintig jaar vreemdelingenbeleid, er van twee kanten wordt gediscrimineerd en hoe groepen jonge mensen elkaar wederzijds uitsluiten’, zegt Guity Mohebbi, auteur van het boek Allochtonia Autochtonia, twee werelden apart. Zij werkt als programmamanager veiligheid in Alphen aan den Rijn.

 

Mohebbi hield voor haar studie sociale wetenschappen gesprekken met zeventig jongeren (33 jongens, 37 meisjes) tussen de 14 en 17 jaar oud. Van hen waren er 44 autochtoon Nederlands, 26 jongeren hadden minstens één ouder die niet in Nederland is geboren, en tien jongeren kwamen als vluchteling hierheen en zijn inmiddels Nederlander geworden. De eerste groep van 44 bestempelt Mohebbi in haar boek als ‘Nedo’s’, de tweede (de 36 personen van diverse afkomst, van Hongaars of Canadees tot Somalisch, Marokkaans of Antilliaans) noemt ze ‘Divo’s’. De gesprekken gingen over de thema’s etnische identiteit, discriminatie en vriendschap.

 

Mohebbi schrok van wat ze tegenkwam. ‘Discriminatie is onder deze jongeren een way of life. Niemand kijkt er van op, en vaak hebben ze niet eens in de gaten dat ze hun vrienden of klasgenoten kwetsen met hun opmerkingen. Jongeren met een etnische achtergrond vormen groepen, niet om rotzooi te trappen, maar om zich te beschermen tegen een discriminerende maatschappij. En de jongeren van Nederlandse herkomst vormen op hun beurt groepen omdat ze bang zijn voor ruzie met etnische jongeren.’

 

Wit-zijn

 

In haar boek schetst Mohebbi een onthutsend beeld van de kloof tussen de twee werelden. Jongeren met een etnische achtergrond voelen zich als ‘buitenlander’ behandeld en buiten de samenleving geplaatst. In reactie daarop sluiten ze de rijen en wenden ze zich af van de autochtoon-Nederlandse jongeren die hen - soms onbedoeld - discrimineren. ‘Het is een understatement om te zeggen dat de jongeren steeds verder uit elkaar groeien’, schrijft Mohebbi.

 

‘In Nederland wordt nog steeds het wit-zijn gekoppeld aan het Nederlanderzijn. Dit betekent dat niet-witte Divo’s met een Nederlandse nationaliteit niet als “één van ons” worden beschouwd. De voortdurende confrontatie met de dominante negatieve beeldvorming over buitenlanders, islam en moslims leidt er bij deze jongeren toe dat ze zich “niet-Nederlander” voelen.’ Deze buitengesloten jongeren begrijpen steeds minder waaraan ze zich zouden moeten aanpassen om als volwaardig Nederlander te worden beschouwd.

 

Mohebbi: ‘Het wij-zij-denken zit zó diep en alles wat “zij” is, wordt als negatief ervaren, en die jongeren worden dagelijks beschadigd. Ik hoorde voorbeelden van een Antilliaans meisje dat de V&D werd uitgestuurd omdat ze Papiaments in haar mobieltje sprak, of een Marokkaans meisje dat botweg te horen kreeg dat een bedrijf geen Marokkanen wilde aannemen. Volwassenen moeten volgens haar beter stilstaan bij wat ze jongeren met dat soort opmerkingen aandoen en wat dit voor hun zelfbeeld betekent.

 

‘Aan de ene kant richten we meldpunten in die ons alert maken op het gevaar van radicalisering. Tegelijkertijd creëren we, door de continue uitsluiting van sommige jongeren, een groep waar we absoluut geen zicht op hebben. Als jongeren zich gedwongen voelen om uitsluitend binnenskamers over zaken als hun religie te praten, is het dweilen met de kraan open’, stelt de onderzoekster.

 

Groenstad

 

Mohebbi interviewde de jongeren op drie middelbare scholen - onmiskenbaar in Alphen aan den Rijn (70.000 inwoners). Zij laat zich echter niet uit over de werkelijke naam van de gemeente die ze in haar boek aanduidt als ‘Groenstad’. Ook zijn alle namen van de ondervraagde jongeren veranderd. De anonimiteit van de gemeente, scholen en leerlingen was een voorwaarde om de medewerking te verkrijgen, legt ze uit.

 

‘Altijd gaat het in de publiciteit over de grote steden. Ik wilde duidelijk maken dat deze problematiek ook speelt in middelgrote gemeenten en de omliggende dorpen. Ik ben voorbeelden tegen gekomen van kinderen die in zo’n dorp zijn opgegroeid en pas op de middelbare school in de stad voor het eerst van hun leven in aanraking komen met jongeren met een andere achtergrond.’ Twee scholen waar Mohebbi onderzoek deed waren gemengd, een school staat te boek als wit. ‘Je zou denken dat het op de gemengde scholen allemaal koek en ei is, maar dat is niet het geval. Als jongeren samen naar school gaan, wil dat niet zeggen dat ze ook vriendschappen aangaan’, stelde Mohebbi vast.

 

Over de rol van de ouders is ze niet al te positief. Jongeren in beide ‘kampen’ krijgen hun discriminerende denkbeelden en de angst voor alles wat anders is maar al te vaak met de paplepel ingegoten, zo komt schrijnend duidelijk naar voren uit de interviews. ‘Een jongen vertelde dat zijn zusje het aan tafel had over “kut-Marokkanen”. Hun vader wees haar terecht: je mag geen kut aan tafel zeggen. Hij zei niet: ik wil niet dat je zo spreekt over je landgenoten’, zo geeft ze een voorbeeld. Het omgekeerde komt ook voor: zoals het Turkse meisje dat van haar ouders alleen met autochtone Nederlandse kinderen mag omgaan om haar toekomstkansen te vergroten.

 

‘De basis van alles is dat diepgewortelde wij-zij-denken, dat moet echt ter discussie worden gesteld. Iedereen maakt zich er schuldig aan, ik betrap mezelf er ook soms op. Je leest termen als “de Marokkaanse criminele jongeren”. Welke jongens precies, wie zijn het, waar wonen ze dan? Ik zie het in allerlei ambtelijke stukken, ook in mijn eigen gemeente. Daar wordt nog steeds geschreven over ‘sociale problemen in wijken met veel allochtonen’, zonder dat het gespecificeerd wordt. Dat is het pijnlijke: iedereen leest dat maar niemand ziet het. Zolang je dit niet onderkent, roei je het ook niet uit. Als je zegt: ik discrimineer niet, dan verandert er niks. We moeten werken aan één gemeenschappelijke noemer, aan Nederland als ons gezamenlijke thuisland.’

 

Allochtonia, Autochtonia van Guity Mohebbi is verschenen bij uitgeverij Betelgeuze, ISBN 978-90-8708-120-1

 

Uitspraken van jongeren in het boek Allochtonia, Autochtonia

 

Het maakt mij niet uit of die mensen nou hier zijn geboren of niet, of ze goed Nederlands spreken, een opleiding of een baan hebben. Het feit dat ze er anders uitzien is voor mij voldoende om ze als niet-Nederlander te beschouwen. Zij blijven toch hun gewoontes houden en met ramadan meedoen, hoofddoekjes dragen of van die grote, opvallende moskeeën neerzetten. Daar kun je toch niets aan veranderen. (Jaimy)

 

Ik beschouw ze als gasten en we moeten ze wel binnenlaten. Mensen gaan toch niet zo maar vluchten. Maar als gast moeten ze zich wel aan onze waarden en normen houden. Daar moeten we meteen mee beginnen, anders gaan ze ons later ook irriteren. (Eric)

 

Ik vind Nederland vol. Zij veroorzaken toch zelf die oorlogen? Zij gaan zichzelf opblazen en dan gaan ze vluchten. Dat snap ik dan niet. Ik vind ze agressief en heb ze liever niet hier. (Jaap)

 

Sommigen komen hier en denken dat ze van alles mogen doen. Dat soort mensen hoeft voor mij niet hoor. Wat is er nou mis met Marokko? Waarom zijn die mensen hier? (Serge)

 

Ik zou nooit met een buitenlander trouwen. Je trouwt niet alleen met één iemand maar met de hele familie. Ik weet van die moslims dat als je problemen krijgt dat je meteen hun vader of broers op je dak krijgt. Daar heb ik dus echt geen behoefte aan. (Niels)

 

Ik mag van mijn ouders niet met een Turkse jongen thuiskomen maar wel met een ‘neger’. (Rianne)

 

Ik zie ze wel lopen bij mij in de buurt, die moslims. Dat zie je gewoon, zwarte haren en van die donkere ogen. Ze kijken altijd alsof ze ruzie zoeken. Je ziet meteen dat ze uit die gebieden komen waar oorlog is en zo. Ik heb niets tegen ze hoor! We blijven gewoon uit hun buurt. Voor je het weet zit je in een gevecht. (Dick)

 

Ik vind Antillianen eng, alleen al de wijze waarop ze kijken is angstaanjagend. Die zwarte ogen worden vaak door Nederlanders als agressief gezien. Wij Marokkanen hebben ook donkere ogen, maar wij zijn niet zo agressief. (Hasna)

 

In de klas ga ik gewoon met de Nederlanders om, maar daarbuiten – no way. Niet dat ik alleen met Iraniërs omga hoor! Ik ga alleen met buitenlanders om. Dat is mijn groep. We passen bij elkaar. Nederlanders roepen maar dat we ons moeten aanpassen, maar ze willen ons niet echt als Nederlanders zien. Wat we ook doen, in hun ogen blijven we buitenlanders. (Khaled)

 

Ik was vroeger tegen discriminatie maar nu niet meer. Buitenlanders discrimineren ook terwijl ze naar ons land komen. Ik discrimineer daarom ook terug. Soms word ik zo boos door hun gedrag. Zeggen dat homo’s van een hoog gebouw naar beneden mogen worden gegooid! Dan ga ik bewust discrimineren. (Emily)

 

In mijn dorp wonen geen buitenlanders. Als een buitenlander bij ons komt dan is er paniek, iedereen roept dan: ‘Oh, er is een buitenlander in ons dorp, er is een Al-Qaeda in ons dorp!’ (Kenny)

 

We hadden het laatst over Pim Fortuyn en over zijn uitspraak dat ‘islam een achterlijk geloof is’. Die leerkracht keek mij aan en zegt op een namaakmanier dat zij echt tegen die uitspraak is. Toen zei ik tegen haar: ‘Waarom kijk je mij aan? Omdat ik moslim ben wil je dan goed bij mij overkomen?’ Dat vind ik nou discriminatie, weet je. (Najat)

 

Ik weet niets van discriminatie. Ik heb toch alleen Nederlandse vrienden en ga alleen met Nederlanders om. (Maurice)

 

Ik heb echt geen contact met buitenlanders. Als ik een Marokkaan tegenkom, dan weet ik heel goed hoe ik me moet gedragen. Ik kijk ze nooit aan. Ik kijk gewoon naar de grond en vermijd ieder oogcontact. Als je dat niet doet, loop je het risico dat je of geslagen wordt of de hele groep op je krijgt. (Nando)

 

Mijn vriendin wordt regelmatig door ze gediscrimineerd alleen omdat ze een ander soort kleding draagt die ze in hun eigen land niet gewend zijn. Korte rokjes en zo, een blote navel. (Judith)

 

Die mensen vragen er echt om dat je gaat discrimineren. Mijn vader werkt in een zwembad. Laatst hadden ze een meisje dat solliciteerde als badju rouw. Dat meisje had een hoofddoek om. Dat kun je je toch niet voorstellen? Een badju rouw met een hoofddoek om. Gekker kan het toch niet worden. (Rika)

 

We zijn hier in Nederland en niet bij hen thuis. Denkt u echt dat als we in Marokko zouden zijn, we net zo veel kerken mochten bouwen als zij hier moskeeën hebben neergezet? Ze komen hier en houden zich niet aan onze regels. De meesten zitten in de gevangenis en hebben ook nog eisen. (Robby)

 

Ze hebben ook nog een grote mond. Er hoeft maar iets te gebeuren en dan hebben ze het over discriminatie. Het is dan onze schuld dat zij werkloos lekker thuis zitten te luieren. (Karin)

 

Het lijkt alsof de leerkrachten blind en doof zijn en niet zien en horen hoe het op straat gaat. Er zijn ‘nazi’s’ en je moet je verdedigen. Wil je je veilig voelen, dan moet je bij een groep zijn. (Said)

 

Als we voor een rood licht staan en er passeert een buitenlander dan roept mijn broertje: ‘Pa rij door, rij hem dood!’ Ik vind het vreselijk dat hij dat zegt. Maar ik vind het nog erger dat mijn pa alleen maar lacht en hem niet corrigeert of straft. (Ruud) Dan zien ze dat ik er modern en welvarend uitzie en dan word ik wel gemakkelijker geaccepteerd. Kijk hoe Nederlanders aan de lippen van Hirsi Ali hangen. Zij is hoogopgeleid, heeft mooie praatjes en is leuk aangekleed. Zij is geaccepteerd en ze mag alles zeggen en doen. (Khaled)

 

Ik heb twee persoonlijkheden. Met Nederlanders ben ik aangepast en met buitenlanders ben ik gewoon Said. (Said)

 

In mijn vriendengroep zitten geen Nederlanders, wel allerlei buitenlanders. Dan voel ik me veiliger tegenover ‘nazi’s’ en Nederlanders die discrimineren. (Sheida)

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.