of 59345 LinkedIn

Aanpak kindermishandeling vergt extra inzet

Het beleid tegen kindermishandeling en huiselijk geweld dient na de valse start in 2015 dit jaar zijn beslag te krijgen. Een aangescherpte meldcode en een landelijk actieprogramma moeten leiden tot een betere signaalgevoeligheid en samenwerking. Maar ligt daar wel de hoofdmoot van het probleem?

Het beleid tegen kindermishandeling en huiselijk geweld dient na de valse start in 2015 dit jaar zijn beslag te krijgen. Een aangescherpte meldcode en een landelijk actieprogramma moeten leiden tot een betere signaalgevoeligheid en samenwerking. Maar ligt daar wel de hoofdmoot van het probleem?

Onderzoek nodig naar financiering veilig thuis

De vijf maanden oude baby Mirella uit Tilburg overlijdt op 31 januari 2012. Eén dag nadat zij door elkaar is geschud. Het toenmalig Samenwerkend Toezicht Jeugd komt een jaar later tot de pijnlijke conclusie dat de dood van het meisje misschien had kunnen worden voorkomen als de diverse jeugdzorginstanties die bij het gezin betrokken waren, beter met elkaar hadden gecommuniceerd.

De zaak rondom baby Mirella is er één uit een reeks dossiers met een gitzwarte afloop waarin de betrokken partijen langs elkaar heen werkten en soms niet eens van elkaars betrokkenheid op de hoogte waren. Het zijn dan ook zaken als deze die al jaren zorgen voor een discussie over meldcriteria en samenwerking, en die uiteindelijk leidden tot de per 2019 aangescherpte meldcode, zegt Paul Baeten voormalig manager bij Veilig Thuis Haaglanden.

Spanning
‘Het credo was eerst ‘probeer het zelf op te lossen en ga daarna pas naar het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling of het Steunpunt Huiselijk Geweld [sinds 2015 vormen deze organisaties samen Veilig Thuis, red.]’, aldus Baeten. ‘De aangescherpte meldcode houdt in dat er melding wordt gedaan bij Veilig Thuis én dat de hulpverlener zelf hulp organiseert. Een van de vernieuwingen in de nieuwe meldcode is het afwegingskader. Dat bevat een afspraak die voor alle betrokken beroepsgroepen geldt, namelijk dat bij de conclusie dat een thuissituatie acuut of structureel onveilig is, een melding bij Veilig Thuis wordt verwacht. Dat moet de nieuwe professionele norm worden.’

Die nieuwe norm zal naar verwachting leiden tot een hoger aantal meldingen, maar of, en zo ja wanneer de keten een hogere toestroom aankan, is nog geen uitgemaakte zaak. Baeten: ‘Gemeenten moeten met hun Veilig Thuis-organisaties nagaan in hoeverre men is voorbereid, en er is nog veel werk te doen. Er wordt gewerkt aan een enorme capaciteitsuitbreiding bij de Veilig Thuis-organisaties, die op sommige plaatsen startten met medewerkerstekorten. Ook inhoudelijk moet er veel worden voorbereid, maar dat gebeurt door middel van trainingen al grootschalig.’

‘Voor gemeenten heel belangrijk, is de vraag hoe de wijkteams en jeugdteams voor te bereiden’, besluit Baeten. ‘Onder meer in het Actieprogramma Geweld hoort nergens thuis zou aanvankelijk worden nagedacht over de manier waarop de wijk- en jeugdteams beter kunnen worden toegerust op hun taak. Het feit dat hier nog over wordt nagedacht, geeft aan dat er nog wat spanning op zit. Op veel fronten moet nog hard worden gewerkt om te komen tot een effectievere aanpak, tot aantoonbaar herstel van de veiligheid in gezinnen. Het idee dat we op 1 januari dit jaar het licht aan hebben geknipt en dat alles functioneert, is in niet realistisch.’

Prestatieafspraken
Gemeenten hebben sinds 2015 een regierol in de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling en zijn verantwoordelijk voor eventuele opvang van slachtoffers onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). Zij zijn ervoor verantwoordelijk dat alle partijen die binnen hun grenzen met jeugd hebben te maken, goed zijn toegerust én goed samenwerken om kindermishandeling aan te pakken en te voorkomen. En die taak valt blijkbaar niet mee. In 2015 bleek al dat de regionale Veilig Thuis-organisaties, die de centrale rol hebben in het oppakken van signalen en het inschakelen van hulp, ernstig tekortschoten. De Inspectie Jeugdzorg concludeerde eind dat jaar dat er niet zelden sprake was van gebrekkige registratie, beperkte beschikbaarheid en lange wachtlijsten. In april 2017 bleken die zorgen de wereld nog niet uit te zijn; registratie, monitoring en capaciteit waren toen volgens de samenwerkende inspecties nog steeds achilleshielen van de Veilig Thuis-structuur.

Onlangs bleek uit cijfers van het Landelijk Netwerk Veilig Thuis dat de regionale organisaties hun prestatieafspraken niet halen. Negentien van de zesentwintig Veilig Thuis-organisaties lukt het niet om in 90 procent van de gevallen de veiligheidssituatie in een probleemgezin binnen vijf dagen te beoordelen. Maar liefst eenentwintig Veilig Thuis-organisaties slagen er niet in om 80 procent van de meldingen binnen tien weken te onderzoeken.

Volgens Tanno Kleijn, voorzitter van het Landelijk Netwerk Veilig Thuis zouden die cijfers mede het gevolg zijn van de invoering van de aangescherpte meldcode. De Veilig Thuis-organisaties hebben daardoor veel nieuw personeel moeten aantrekken en huidig personeel op cursus moeten sturen, zei Kleijn tegen dagblad Trouw. Gemeenten zijn zelf afgelopen jaren niet allemaal even voortvarend geweest in het effectief oppakken van hun taken omtrent de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling.

Kinderombudsman Margrite Kalverboer en het Nederlands Jeugdinstituut concludeerden in 2017 dat gemeenten maar mondjesmaat progressie boekten in het opzetten van hun beleid. Binnen het scoresysteem dat in het onderzoek werd gehanteerd, haalde bijna een vijfde van de onderzochte 169 gemeenten nog geen kwart van de totale score.

Huiverigheid
Annemarie Penn-te Strake, burgemeester van Maastricht, is namens de gemeenten ambassadeur van het landelijk actieprogramma Geweld hoort nergens thuis. Binnen dat actieprogramma moeten nieuwe lokale en regionale interdisciplinaire samenwerkingen van de grond komen. ‘Daarvoor is het zaak dat er door gemeenten goede bestuurlijke afspraken worden gemaakt om de integrale samenwerking te versterken’, zegt Penn-te Strake. ‘Binnenshuis en buitenshuis. Hoewel er voorbeelden zijn van plekken waar het goed gaat, hebben gemeenten het over het algemeen nog niet goed georganiseerd.

Er is te veel asymmetrie. In sommige regio’s loopt de multidisciplinaire samenwerking door de professionals als gesmeerd, in andere zijn er vooral bestuurlijke worstelingen, en soms is er helemaal geen samenwerking. Ook is er soms geen eenduidigheid over de vraag of iets een zorg- en preventievraagstuk is, of een veiligheidsvraagstuk. Of is er slechts aandacht voor een van die twee. Die eerste opgave is dus om met de domeinen zorg en veiligheid intern tot een integrale samenwerking te komen.’

De tweede opgave daarbij is volgens haar ervoor te zorgen dat er door het bestuur in de zogeheten horizontale samenwerking barrières worden weggenomen bij de professionals. ‘De partijen vinden elkaar vaak nog onvoldoende. Huiverigheid over het delen van informatie, financierings- en capaciteitsvraagstukken en een gebrek aan mandaat voor professionals werken nog erg belemmerend. Dat mandaat is bovenal nodig omdat het de professionals zijn die uiteindelijk het welzijn van de cliënt als hoogste doel hebben. Zij worden niet gehinderd door andere overwegingen, weten wat er moet gebeuren.’

Penn-te Strake erkent dat de problemen bij Veilig Thuis-organisaties niet kunnen worden genegeerd in een operatie die de aanpak van huiselijk geweld moet verbeteren. ‘Zij staan vanwege hun verantwoordelijkheid als meld- en triagepunt centraal in de samenwerking, en bij een aantal van die organisaties gaat het nog niet goed vanwege gebrek aan geld of capaciteit.’

Daar moeten volgens Penn-te Strake linksom of rechtsom oplossingen voor komen. ‘De aanwas van het aantal meldingen is een autonoom proces. In die gevallen kan er hooguit meer geld worden vrijgemaakt. In Zuid-Limburg zagen wij een toename in het aantal meldingen sinds Veilig Thuis intensiever aan de bak is gegaan. De wachtlijsten liepen op en dus moest en ging er geld bij. Dat is een proces waar je nu eenmaal doorheen moet.’ Om die extra middelen vrij te maken is echter geen gemakkelijke taak, erkent Penn-te Strake ook. ‘Een gemeenteraad zal niet snel geneigd zijn om extra geld te steken in een Veilig Thuis-organisatie die nog niet goed genoeg presteert. Gemeenten hebben met de decentralisaties in het sociaal domein ook een boel taken erbij gekregen die zij met veel minder geld moeten uitvoeren. Het is geen sinecure’

Bedroevend resultaat
Volgens de Maastrichtse burgemeester is het van groot belang dat er erkenning is voor de financiële worstelingen in het sociaal domein van veel gemeenten; dat de herkomst van de plaatselijke tekorten goed worden onderzocht en dat de rijksfinanciering eventueel wordt aangepast. ‘Er gaan veel tijdelijke middelen in het actieprogramma. Dat is mooi, natuurlijk, maar een deugdelijk onderzoek naar de noodzakelijke financiering van het Veilig Thuis-netwerk lijkt me daar een cruciaal onderdeel van. Het kan niet zo zijn dat er na drie jaar geen structurele middelen zijn toegevoegd. Dan zijn we verkeerd bezig geweest.’

Tot slot geeft zij vooral gemeenten de sporen: ‘We scharen dit onderwerp vaak onder de andere onderwerpen die met veiligheid of het sociaal domein te maken hebben, maar dit gaat net wat verder omdat deze doelgroep uit kinderen en andere kwetsbare mensen bestaat. Dat we ons maximaal sterk moeten maken voor hen weten wij heel goed in gemeenteland, maar als ik zie waar we zes jaar na de Taskforce [De in 2012 opgezette door justitie Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik, red.] staan, vind ik het resultaat bedroevend.’


Mishandeling bij 3 procent van alle kinderen
Tenminste 90.000 tot 127.000 kinderen van 0 tot 17 jaar zijn jaarlijks slachtoffer van tenminste één vorm van kindermishandeling. Dit is ongeveer 3 procent van alle kinderen. Naast fysieke en emotionele mishandeling vallen daaronder ook gevallen van ernstige verwaarlozing. De grootste groep kinderen heeft te maken met ernstige verwaarlozing. Bij 96 procent van alle mishandelde kinderen gaat het om mishandeling door een biologische ouder. Bijna 30 procent van de kinderen die slachtoffer zijn, heeft te maken met meer dan één vorm van kindermishandeling.

Dat blijk uit eerder deze maand gepubliceerd onderzoek van het WODC. Er is voor het eerst ook onderzoek gedaan naar de samenloop van huiselijk geweld en kindermishandeling. Daaruit blijkt dat bij 2,5 procent van alle scholieren (12–17 jarigen) sprake is van samenloop van fysiek geweld tussen de ouders en kindermishandeling. Wanneer wordt uitgegaan van de totale groep kinderen die slachtoffer was van kindermishandeling dan kwam samenloop met ander huiselijk geweld relatief het meest voor onder de groep kinderen die slachtoffer was van emotionele mishandeling (65 procent). Deze werd gevolgd door de groep die slachtoffer was van fysiek geweld (53 procent), fysieke verwaarlozing (37 procent) en tot slot de kinderen die slachtoffer waren van seksueel misbruik (28 procent).

De uitkomsten bevestigen volgens minister De Jonge van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de noodzaak om onverminderd in te zetten op de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling met het programma ‘Geweld hoort nergens thuis’ dat in april vorig jaar van start is gegaan. ‘Het alert zijn op signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling, het weten wat je met dergelijke signalen kunt doen en het vervolgens overgaan tot handelen is van groot belang om dit probleem aan te pakken’, aldus de CDA-bewindsman.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.