of 60831 LinkedIn

Het verleden heeft de toekomst in RO

Boudewijn Goudswaard Reageer

De rijksoverheid stimuleert het benutten van onze cultuurhistorische waarden. Begrijpelijk, want die waarden vormen een inspiratiebron en richtingaanwijzer voor de stedenbouw, architectuur en inrichting van de openbare ruimte. Verder versterkt zichtbaar en beleefbaar erfgoed de sociale cohesie omdat het mensen verbindt met hun leefomgeving.

Daarbij maakt de erfgoedwet van 2017 besluitvorming over archeologie tot een integraal onderdeel van de ruimtelijke ontwikkeling. Er ligt zelfs een subsidiebedrag van ruim 300 miljoen euro klaar voor het programma ‘Erfgoed telt’. Maar hoe breng je beleidsmakers, ontwikkelbedrijven en uitvoerend archeologen op één lijn om de mogelijkheden aan te grijpen?

 

In alle lagen van de overheid leeft een gebrek aan visie op de toegevoegde waarde van de archeologie en het erfgoed. Let wel, we hebben het niet alleen over erfgoed en archeologie uit het verre verleden maar ook dat van gisteren. Dat zit allemaal verpakt in de huidige leefomgeving. Dat groeit dus nog steeds en overheden moeten daaruit een selectie maken wat je daarvan meeneemt naar de toekomst. Om met Loesje te spreken: “Onze geschiedenisleraar krijgt het iedere dag een beetje drukker”.

Gemeentelijke beleidsmakers zouden een voortrekkersrol moeten nemen door het sectoraal dichtgetimmerde academische benadering open te breken en uitvoerende partijen een kader mee te geven voor het benutten van archeologie en erfgoedwaarden. De rijksoverheid - lees: de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed - kan zich dan richten op het faciliteren van synthetiserend onderzoek waar nodig, in plaats van angstig te reageren op de besluitvorming van ‘omgevingswet denkende’ gemeenten.

 

De meeste archeologen zijn sectoraal ingesteld. Ze zien de toevoeging van wetenschappelijke kennis over het verleden als einddoel van hun onderzoek. Daar is op zich niets mis mee. Maar de kennis over de historie van een gebied is ook toepasbaar om een toekomstbestendige leefomgeving te creëren. Dat zou het eindproduct van het onderzoek moeten zijn. Anders worden de publicaties van archeologen alleen door vakgenoten bekeken. Helaas is de route om verder te gaan dan het wetenschappelijke pad geblokkeerd. Dat komt door hun eigen Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) waarmee een academisch normenstelsel middenin het ruimtelijk proces is geparachuteerd. Dat stelsel garandeert kennis over het verleden maar houdt geen rekening met de maatschappelijke meerwaarde van erfgoed noch het gebruik in de leefomgeving.

 

De meeste gemeentelijke ontwikkelbedrijven zien archeologisch onderzoek als een ‘moetje’. Dus vragen ze uitvoerende onderzoeksbureaus om zo snel en goedkoop mogelijk een vrijbrief te leveren die ze verlost van hun wettelijke verplichtingen. Anders kunnen hun projecten uitlopen in tijd en geld. Daardoor beperkt hun belang en het onderzoek zich vaak tot een risico met betrekking tot de bodemverstoring. Opdrachtgevers vragen niet welke zichtbare geschiedenis zit opgeslagen in het plangebied en wat er zich er in de loop van de jaren heeft afgespeeld. En als gezegd zitten de archeologen ook gevangen in hun eigen stelsel en doen op eigen initiatief geen voorstellen om de ontdekte of bekende historische waarden te benutten in een nieuwe leefomgeving.

 

Maatschappijgericht benutten van erfgoed en archeologie vraagt om begrip voor het werk van alle partijen die bezig zijn met de inrichting van de leefomgeving. Welke doelen heeft de ontwikkelaar, de sociaal werker, de architect, de stedenbouwkundige en de marketeer voor bewoners en gebruikers van de plek? Wat zijn de behoeften van de burger? En hoe kun je hierop aansluiten als archeoloog of erfgoedspecialist? De betrokken partijen moeten over hun eigen vakgrenzen heenkijken, om samen een duurzame leefomgeving te realiseren. Integraal werken en co-creatie zijn niet voor niets de basisingrediënten van de nieuwe Omgevingswet.

Erfgoed is voor dat proces een duurzame grondstof. Dat begint met het ‘opgraven’ van het verhaal over het plangebied. Hebben er memorabele gebeurtenissen plaatsgevonden? Welke markante mensen woonden er? Wat is of was kenmerkend voor de volksaard of bedrijvigheid? Door het antwoord te vinden op die vragen kunnen sectorale professionals zich transformeren tot ‘makelaar in identiteit’. Vervolgens selecteren de partijen de meest aansprekende verhaallijn. Dat legt de basis voor de volgende stap: toepassing van erfgoedwaarden de ruimtelijke, economische en sociale kennis van het gebied aan de omgevingsbesluittafel en in het ontwerp. Deze aanpak wordt 'applied archaeology' genoemd. Inmiddels werken de Universiteit Leiden en Saxion Hogeschool al samen bij het opzetten van een master met die naam.

 

‘Als je doet wat je deed, krijg je wat je kreeg’, aldus Einstein. En we doen in de archeologie eigen al een halve eeuw hetzelfde, in een nieuw stelsel maar zonder precies te weten waarvoor. Om de waarde van erfgoedonderzoek ten volle te benutten, is het zaak om niet alleen kennisdoelen te stellen, maar ook paden uit te zetten voor de toepassing bij de inrichting van de nieuwe leefomgeving. De wetgeving biedt alle vrijheid om erfgoed te integreren in beslissingen over de ruimtelijke inrichting. Dat biedt nieuwe kansen om een onderscheidend imago van het plangebied neer te zetten en de belangenafweging in het planproces te stroomlijnen. Zo werken we samen aan een mooier Nederland dat duurzaam verankerd is in de historische waarden.

 

Boudewijn Goudswaard, archeoloog/historicus en directeur van The Missing Link.

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.