of 59345 LinkedIn

VNG wijst kabinetsstandpunt omgevingsvergunning af

3 reacties
Het kabinet en de gemeenten zijn en blijven het vierkant oneens over een nieuwe opzet rond vergunningverlening, toezicht en controle op VROM-regels.

Concessie
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) ziet ondanks tegemoetkomingen nog steeds niets in een voorstel om 25 zogenoemde omgevingsdiensten op te richten. Een commissie bracht vlak voor de zomer advies uit aan het kabinet om zulke diensten op te zetten, in plaats van de honderden ‘versnipperde’ diensten die nu gaan over handhaving van allerlei milieu-, bouw- en ruimteregels. Het kabinet neemt dat advies over, zij het dat de verplichte deelname van gemeenten en provincies is losgelaten. Voor de VNG is die concessie echter onvoldoende.

 

Stappen
De gemeenten wijzen daarom een voorstel van het kabinet af om mee te werken aan de verdere invulling van de plannen. Samen met het IPO (provincies) beraadt de VNG zich op verdere stappen.Niet de structuur, maar de kwaliteit van de vergunningverlening en handhaving van regels moet volgens de gemeenten centraal staan. De kabinetsoplossing voor omgevingsdiensten is volgens de VNG te centralistisch en vergroot de afstand tussen burger en gemeente.

Lees meer:
Eindbod Cramer: 40 miljoen voor Wabo (27/10/2008)
Verzet tegen voorstel omgevingsdiensten (17/10/2008)
Cramer steunt komst omgevingsdiensten (26/09/2008)

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door A. van den Heuvel (zelfstandig adviseur) op
Nee, ik ben redelijk thuis in de materie van de omgevingsdiensten, maar hier begrijp ik ook niets van. Misschien is het taalgidsje voor ambtenaren waarover deze website onlangs schreef iets voor de dhr. de Vos?
Door Esther (Lezer) op
Sorry, maar ik kan geen touw aan de onderstaande reactie vastknopen. Ben ik de enige?
Door Wouter de Vos op
De door de VNG afgewezen 25 tal omgevingsdiensten (5/11/'08), welke inzake de omgevings vergunning, door het kabinet zijn ingesteld, zouden mogelijk meer onafhankelijke en gelijkberechtigde beoordelingen kunnen opleveren. Het is daarom ook een oneigenlijk argument van de VNG, om te stellen dat de invoering ervan, de afstand tussen de gemeente en de burgers (op negatieve wijze) zou vergroten.
Wat kennelijk hierbij wel het geval is, is dat de VNG de gemeenten ongeacht wat, hun reeds vergrote autonome almacht, inzake vergunningen / handhaven, botweg om machts - en financi-eele redenen wil laten behouden.

Het is overigens te verwachten, dat als gemeenten de aankomende procedure voor een samengestelde (snelle) omgevingsvergunning, ook zelf autonoom in uitvoering zouden mogen nemen, de ruimtelijke procedure voor belanghebbenden nog verder aan kwaliteit zal gaan inboeten. Want de neigingen van sommige gemeenten om gewoon gehele wijken welstandsvrij te gaan verklaren dragen daar op niet mis te verstane wijze toe bij.

Er is trouwens toch al een bedenkelijke cultuur ontstaan, sinds de privatiseringsgolf, bij bepaalde gemeenten aangaande het respecteren van de rechtszekerheid van burgers. Door om te beginnen al weinig mededeelzaam te zijn over voorgenomen wijzigingen in een willekeurige woonwijk, terwijl daar tegenover de beleidsvrijheid van de colleges steeds verder is uitgebreid. Daar komt dan bij, dat naar ervaring (bepaalde) gemeenten, het beginsel van handhaven, in de ontworpen buitenruimte, plaatselijk stelselmatig verzaken. Om vervolgens met wetshantering, via een z.g. groenstructuurplannen, delen van de groene ruimte om te vormen, middels interim - vrijstellingen, tot bouwbestemming en/of het aan te wenden voor verkeer en verblijf.

Mede ten gevolge van 't Vrom beleid is de controle, van de provincie en door de inspectie, binnen de bebouwde kom reeds weg gevallen. Daardoor heeft de neiging bij gemeenten om de handhaafbeginselen maar te negeren zich geleidelijk kunnen uitbreiden, al naar gelang de mate van prioriteitstelling die het management er zelf nog aan belieft te geven. Want in de praktijk is het plaatselijk al lang tot dergelijke niet rechtmatige ruimtelijke exploitaties gekomen. Waardoor er dan sprake was van procedurele -, private - en ruimtelijke overtredingen, met vervolgens dus afglijding naar willekeurige vrijstellingen. Dit dan N.B. in reeds minimaal afgewogen ontwerpen, welke dus onderdeel vormden van onherroepelijk geworden bestemmingsplannen.

Juist bij uitstek dus bij de 'eigen' gemeenten, is mede door de sinds de decennia geleden ingetreden privatiseringswoede, de rechtsbescherming voor burgers als belanghebbenden niet meer onverdeeld in goede handen.
De afwijzing door de VNG van het kabinetsstandpunt, aangaande het opzetten, van naar veronderstelling meer onafhankelijk oordelende omgevingsdiensten, is dan ook dus, niet met zuivere motieven geschied.

Daarentegen mag juist met enig voorzichtig optimisme, naar het instellen van dergelijke omgevingsdiensten worden uitgekeken, in de hoop dat het middels bedoelde - diensten tot een meer re-eele standaard belangenafweging kan gaan komen. Dit laatste is overigens ook de conclusie van de commissie Mans. De onafhankelijke omgevingsdiensten zouden dus positief kunnen uitwerken naar belanghebbenden toe, want door standaardisering van de procedures zal dus (meer) gelijke behandeling kunnen ontstaan. Hetgeen beslist niet kan gebeuren als iedere gemeente dit autonoom naar eigen voorkeur zelf mag gaan bepalen.
Tot slot zouden de onafhankelijke omgevingsdiensten inzake de toetsing aan milieu -, bouw - en ruimteregels bovendien ook nog tot een vermindering van bezwaar - en beroepsschriften kunnen gaan leiden.