of 59212 LinkedIn

Droogte blijft ‘sluipende calamiteit’

De waterschappen hebben deze zomer adequaat op de droogte gereageerd, vindt voorzitter Hans Oosters van de Unie van Waterschappen. Maar voor sommige problemen, zoals de droogte op de hogere zandgronden en de afnemende waterkwaliteit, is voorlopig geen oplossing voorhanden.

De waterschappen hebben deze zomer adequaat op de droogte gereageerd, vindt voorzitter Hans Oosters van de Unie van Waterschappen. Maar voor sommige problemen, zoals de droogte op de hogere zandgronden en de afnemende waterkwaliteit, is voorlopig geen oplossing voorhanden.

Voorzitter Hans Oosters van Unie van Waterschappen

‘De droogte van deze zomer heeft ons niet overvallen. We wisten wat we moesten doen’, stelt Oosters. ‘We hebben in Nederland afspraken staan wie of wat voorgaat als er waterschaarste ontstaat. Ik denk dat elk waterschap op regionaal niveau heeft laten zien hoe het beste met deze nieuwe, sluipende calamiteit kan worden omgegaan.’

Bij een eerdere droogteperiode, in 2003, verschoof een veendijk bij Wilnis, met als gevolg dat in een achtergelegen woonwijk een halve meter water kwam te staan. De waterschappen trokken daar lering uit. ‘Die dijkverschuiving was civiel-technisch ook voor ons een nieuw fenomeen. Toen zijn bij ons de alarmbellen afgegaan. Dergelijke veendijken komen in veel waterschappen voor. Sindsdien brengen we bij dat type dijk een minder steil talud aan, met een deklaag van klei. Ook worden ze bij droogte extra besproeid en op scheuren gecontroleerd door onze dijkwachten. Zien die een scheur, dan wordt die meteen uitgegraven. Vervolgens wordt de plek verstevigd met klei.’

Wel heeft de droogte volgens Oosters nog eens onderstreept dat ons land (‘hoe klein ook’) qua geografische omstandigheden ‘heel divers’ is. In het westen speelde de verzilting van het rivierwater op. ‘Rivieren voeren minder water af, maar eb en vloed op de Noordzee gaan gewoon door. Daardoor nemen ze veel meer verzilt water in, met voor de landbouw schadelijk zout.’ Door aangepast sluis- en doorspoelbeheer, het verleggen van innamepunten naar het oosten en de zoetwatervoorraad in het IJsselmeer konden waterschappen en Rijkswaterstaat het oprukkende zout binnen de perken houden.

Zandgronden
Lastiger te bestrijden is de droogte op de hoge zandgronden in het oosten en in delen van Brabant en Zeeland. ‘Daar bestaan de grootste zorgen’, erkent Oosters. ‘Het watersysteem heeft er nauwelijks een relatie met het rivierwater; de grond voedt zich met regen. Als die dan ineens langdurig niet meer valt, zakt de grondwaterspiegel steeds verder weg. Hoe langer gebieden droog staan, hoe meer schade ontstaat aan landbouwgewassen en natuur. In sommige gevallen onherstelbaar. Dat is een calamiteit die je als waterschap op dit moment eigenlijk niet kunt oplossen.’

Volgens Oosters wordt de komende tijd onderzocht met welke maatregelen de grondwaterspiegel in theorie zou kunnen worden beïnvloed. ‘Is het nog mogelijk om ergens in die gebieden water te bufferen? Maar dat is lastig in watersystemen die uiteindelijk vooral via regen worden gevoed. Als die regen er niet is, houdt het eigenlijk al op. Tegelijk kunnen we veel leren van landen in Zuid-Europa die het fenomeen droogte al veel langer kennen. Ze passen daar bijvoorbeeld aangepaste landbouwmethodes toe. Misschien moet dat hier op termijn ook worden overwogen.’

Ook moest Oosters deze zomer opnieuw problemen met de waterkwaliteit constateren. ‘De blauwalg, botulisme, dierziektes … Er komt wel water uit de afvalzuivering beschikbaar, maar als zich dat onvoldoende vermengt met vers regenwater krijg je een opeenhoping van foute stoffen. We weten natuurlijk dat die problemen zich ’s zomers voor kunnen doen, maar je ziet steeds beter dat het echt ernstig is. We hebben nog niet voldoende mogelijkheden om daar het hoofd aan te bieden.’

Volgens Oosters zijn periode van droogte, net als de hoosbuien van juni, geen incident meer maar een structureel fenomeen. ‘Het voor 2050 voorspelde weer hebben we nu al. Er zijn klimatologen die voorspellen dat we de komende vijf jaar droge zomers zullen krijgen, in combinatie met hoosbuien.’ En dus ontkomen we er volgens hem niet aan ‘dat er op een andere manier moet worden nagedacht over de inrichting van ons land.’ Klein voorbeeld: ‘Winkelstraten met plat plaveisel, zonder stoepen, zijn nu heel populair. Maar bij een langdurige stortbui loopt het regenwater zo de winkels binnen. De stoep moet dus terug.’

Het enige voordeel van afgelopen zomer is dat vrijwel niemand de noodzaak van dergelijke aanpassingen nog zal betwisten. Oosters: ‘Mensen doorgronden nu voor het eerst de effecten van klimaatverandering. Dat dit weer niet meer weggaat en dat het jou in je huis ook persoonlijk kan treffen. We hebben er als waterschappen vaak last van gehad dat klimaatverandering iets abstracts bleef, of het was in Azië of in Afrika. Nu komt het bij mensen tot aan de voordeur. En je hebt maatschappelijke druk en draagvlak nodig om met elkaar acties in te zetten. Ik kom nu geen mensen meer tegen die zeggen dat die langdurige droogte toeval is. Die bewustwording is de basis voor politiek handelen.’

Meer vaart
Ook bij gemeenten ziet hij de urgentie om met klimaatadaptatie aan de slag te gaan. Al riep deltacommissaris Wim Kuijken de gemeenten vorige week nog op meer vaart te maken: niet volstaan met mooie woorden in coalitieakkoorden maar de schop de grond in. ‘Zeker, gemeenten zullen aan de slag moeten en prioriteiten stellen’, reageert Oosters. ‘Dat doen ze echter al volop. Al was het maar omdat we onderling hebben afgesproken dat elke gemeente in Nederland de klimaatstresstest gaat doen. Zo brengen ze hun kwetsbaarheid voor hitte, droogte en hoosbuien in beeld. Veruit de meeste gemeenten hebben daar al de eerste inzichten in.’

Om de gemeentelijke klimaatinspanningen te financieren, moet ook het rijk over de brug komen, vindt Oosters. ‘Wij geven als decentrale overheden een half miljard uit aan watersysteemmaatregelen en hebben de ambitie uitgesproken de komende jaren nog eens 200 tot 250 miljoen extra in klimaatmaatregelen te investeren. Het zou mooi zijn als de rijksoverheid een vergelijkbaar deel zou kunnen toevoegen. Bijvoorbeeld als co-financier van een project om elke gemeente klimaatbestendiger te maken. Van een waterplein in Groningen tot beekherstel in Limburg. We rekenen op 100 miljoen jaarlijks van het rijk. En ik weet dat de minister hard op zoek is naar de middelen.’


Schurende samenwerking is ‘onverklaarbaar dipje’
Het stond echt in de laatste, dit voorjaar verschenen voortgangsrapportage van het nationale waterbeleid, De staat van ons water. Slechts een kwart van de waterschappen voelde zich in 2016 voldoende betrokken bij de gemeentelijke structuurvisies. Ook werden de door de waterschappen aan gemeenten gegeven adviezen minder goed opgevolgd dan een jaar eerder (68 tegenover 75 procent). Opvallende cijfers nu de expertise van de waterschappen op klimaatgebied meer dan ooit gewenst lijkt.

Een onverklaarbaar dipje, zegt Oosters. ‘Eerdere onderzoeken gaven aan dat de betrokkenheid van waterschappen bij gemeentelijke omgevingsvisies niet optimaal was, maar jaar na jaar wel toenam. Ik vaar op mijn eigen ervaring, mijn eigen gebied [naast voorzitter van de unie is Oosters dijkgraaf van hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, red]. Het tegendeel is eerder waar. Er is volgens mij geen gemeente die de rol van het veranderende klimaat in de ruimtelijke plannen geen plek geeft. En de nieuwe omgevingsvisies bouw je niet in de geïsoleerde zolderkamer van het gemeentehuis op, maar met mede-overheden, bedrijven en bewoners. Echt, wij zitten overal aan tafel.’ De unie zegt in oktober betere samenwerkingscijfers te presenteren.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Vacatures

De nieuwste whitepapers

Van onze partners