of 59345 LinkedIn

Groen denken is nog niet groen doen

Steeds meer Nederlanders maken zich zorgen over klimaatverandering. Maar hun gedrag loopt daarmee niet altijd in de pas. Duurzame denkers blijken bovengemiddelde vervuilers, toont onderzoek van I&O Research in opdracht van Binnenlands Bestuur aan.

Steeds meer Nederlanders maken zich zorgen over klimaatverandering. Maar hun gedrag loopt daarmee niet altijd in de pas. Duurzame denkers blijken bovengemiddelde vervuilers, toont onderzoek van I&O Research in opdracht van Binnenlands Bestuur aan.

Onderzoek naar rol burger bij energietransitie

Korter douchen, minder vliegen, geen vlees eten, vaker de auto laten staan, de kachel een graadje lager. De bijdrage die elke burger kan leveren aan de energietransitie is klip en klaar. Alom leeft het besef dat we tot ander, duurzamer gedrag moeten komen. Twee op de drie Nederlanders maken zich zorgen over de uitstoot van broeikasgassen, de klimaatverandering en de effecten daarvan op het milieu. Een op de vijf zelfs ‘veel zorgen’. Maar daar de consequenties uit trekken en, om te beginnen, het eigen gedrag veranderen – dat blijkt moeilijk. Juist onder de groepen met de grootste zorgen over het klimaat bevinden zich geregeld ook de grootste vervuilers.

Dat blijkt uit nieuw onderzoek van I&O Research in opdracht van Binnenlands Bestuur. De hoger opgeleiden die het somberst zijn over het klimaat, zijn uitgerekend ook degenen die het langst douchen, het meest en verst vliegen en het vaakst de auto gebruiken. Dezelfde tendens is te zien bij de twintigers die zich – omdat ze nog lang op de deze planeet zullen rondstappen – begrijpelijk veel zorgen maken over de toenemende uitstoot van broeikasgassen. Maar het is deze groep die het langst doucht en bij hun voedselverbruik het minst let op eventuele negatieve klimaateffecten.

‘Duurzaam denken is nog niet duurzaam doen’, doopt onderzoeker Peter Kanne van I&O Research niet voor niets het rapport. ‘Je merkt dat de zorgen over het klimaat de afgelopen jaren zijn toegenomen’, vult hij mondeling aan. ‘Het is logisch dat de burger daarbij op de overheid of op bedrijven wacht, maar hij mag ook weleens in de spiegel kijken.’ Practice what you preach, wil Kanne maar zeggen.

Voor het eerst werd aan ‘vervuiling’ – voedsel, de aanschaf van kleding en spullen, de wijze van vervoeren, wonen – een gewicht gehangen, naar rato van de bijdrage aan de totale CO2-uitstoot. Zo kwamen de onderzoekers van I&O Research tot een CO2-voetafdruk van de Nederlander. In dit onderzoek werd het (al dan niet) duurzame gedrag van burgers bovendien gekoppeld aan hun politieke overtuiging.

Het lijkt op zich weinig verrassend dat de VVD-stemmer veruit het slechtst scoort. Die is immers relatief welgesteld (dus kan veel vliegen, heeft vaker een groot huis, et cetera) en maakt zich daarbij van nature wat minder zorgen over het klimaat. Ook niet vreemd is de gunstige score van de Partij van de Dieren, met de GroenLinks- en Christen- Unie-stemmer meteen in het kielzog. De opvallendste uitkomsten doen zich voor op detailniveau. Zo scoort de D66-stemmer slecht in de categorie vervoer: die vliegt namelijk beduidend vaker dan gemiddeld. En de GroenLinks-stemmer spendeert jaarlijks exact evenveel uren in het vliegtuig als de aanhanger van Forum voor Democratie.

Positief prikkelen
Burgers maken zich flink zorgen over de opwarming van de aarde, concludeert Kanne, maar kijken voor oplossingen vooral naar de overheid en innovaties vanuit het bedrijfsleven. ‘Ze verwachten minder effect van hun eigen gedrag en passen dat dan ook maar mondjesmaat aan. Ook willen ze niet dat de overheid met wetten of verboden hun individuele keuzes beperkt.’ Zo zitten we dus in een patstelling. Kanne: ‘Overheid en burgers zitten over en weer op elkaar te wachten.’ Hij ziet twee opties om daaruit te komen: ‘De overheid moet doorkomen met maatregelen en informatie; burgers moeten bij zichzelf te rade gaan wat ze zelf kunnen doen en, vooral, kunnen láten.’ Hoe kan de overheid de burger tot dat broodnodige duurzamer gedrag aanzetten en wie moet in dat proces het voortouw nemen?

Vooral gemeenten lijken aan zet. In het algemeen hebben burgers tot nu toe slechts een heel beperkt beeld van het klimaatbeleid van hun gemeente. Nog geen derde zegt daarvan goed op de hoogte te zijn (en bij provincies is dat nog geen vijfde deel). Voor de warmteplannen die de gemeenten in 2021 per wijk moeten hebben, is hier dus nog een forse inhaalslag te verrichten.

Rol gemeenten
Tegelijkertijd blijkt uit dit onderzoek dat gemeenten een veel grotere rol kunnen spelen bij het betrekken van burgers bij energietransitie. Bijna de helft van de Nederlanders geeft aan dat ze ‘graag’ meer informatie van hun gemeente zouden willen ontvangen over hoe ze van het gas af moeten komen. Slechts 7 procent van hen is daarover tot nu toe geïnformeerd. Kanne: ‘De sleutel voor de overheid ligt in een combinatie van positief prikkelen en hardere wetgeving en handhaving daarvan. De geschiedenis leert dat de overheid op deze manier succesvol veranderingen teweeg kan brengen, ook bij onderwerpen waarover veel weerstand bij burgers bestaat. Denk bijvoorbeeld aan de helm- of gordelplicht of het rookverbod in de horeca.’


Hoe krijg je burgers aan de warmtepomp? 
Het meest voor de hand liggende, gasloze alternatief voor de cv-ketel is nu nog de warmtepomp. Maar de pomp is kostbaar (circa 15.000 euro, inclusief installatie), neemt meer plaats in en maakt meer herrie. Ook levert de pomp burgers voorlopig een amper lagere energierekening op; al gaat dat verschil toenemen als de gasprijs zoals verwacht hoger wordt en elektriciteit goedkoper. Het voornaamste voordeel voor de burger nu is dat een huis met warmtepomp toekomstbestendig is en bij verkoop meer zal opleveren. Hoe kunnen gemeenten dan toch de aanschaf van warmtepompen door burgers stimuleren? 

I&O Research legde de geënquêteerden drie varianten voor, waarbij de kosten van aanschaf en installatie van de pomp voor respectievelijk 100, 50 en 15 procent door de gemeente worden vergoed. Wat blijkt: bij volledige vergoeding stapt 30 procent binnen twee jaar over. Bij vergoeding van de helft van de kosten is dat 5 procent. En bij 15 procent vergoeding door de gemeente is dat slechts 2 procent. Kortom: een klein deel van de burgers proefsgewijs volledig vergoeden, lijkt vooralsnog meer zoden aan de dijk te zetten dan iedereen een beetje.


Verantwoording onderzoek
Aan het onderzoek werkten 2.572 Nederlanders van 18 jaar en ouder mee. Het onderzoek werd in de eerste helft van februari grotendeels online uitgevoerd in het I&O Research Panel. Alle uitkomsten van het onderzoek zijn te lezen op de website van Binnenlands Bestuur.


Afbeelding



Afbeelding

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.