of 59318 LinkedIn

Essay: Rap richting duurzaam

De resultaten van verduurzaming blijven achter. Met 6 procent hernieuwbare energie staat Nederland op de één na laatste plaats in Europa; qua CO2-reductie staan we op een weinig eervolle twintigste plek. Eenzelfde beeld zien we terug bij veel organisaties: tal van losse acties om te verduurzamen – een energiezuinig gebouw, meer fietsen, meer elektrische auto’s – zonder dat duidelijk wordt wat deze acties bijdragen aan de gestelde doelen. Mark Huijben en Maik van Veldhoven ontwikkelden een concreet stappenplan om sneller verder te komen.
Reageer


De resultaten van verduurzaming blijven achter. Met 6 procent hernieuwbare energie staat Nederland op de één na laatste plaats in Europa; qua CO2-reductie staan we op een weinig eervolle twintigste plek. Eenzelfde beeld zien we terug bij veel organisaties: tal van losse acties om te verduurzamen – een energiezuinig gebouw, meer fietsen, meer elektrische auto’s – zonder dat duidelijk wordt wat deze acties bijdragen aan de gestelde doelen. Mark Huijben en Maik van Veldhoven ontwikkelden een concreet stappenplan om sneller verder te komen.

Welke maatregelen hebben de beste verhouding tussen kosten en effecten? Om die vraag te beantwoorden onderzoeken we de aanpak van de finalisten bij de Verkiezing Beste Overheidsorganisatie en die van deelnemers aan het benchmarkprogramma Vensters om te komen tot een duurzame organisatie.

Duurzaamheid blijkt in de praktijk een diffuus begrip, met vaak onheldere doelen. Dat leidt tot ‘shopgedrag’: goede sier maken, zonder dat men de integrale afweging maakt tussen kosten en effecten van maatregelen. Dat zou wel moeten. Daarvoor is het eerst nodig het begrip duurzaamheid te verhelderen door het in vier thema’s uit te splitsen: reductie van broeikasgassen, overstap naar onuitputtelijke en schone energie, circulair werken en sociale duurzaamheid.

Vervolgens is het zaak voor elk thema concrete meetbare doelen voor de eigen organisatie te formuleren, maar ook voor het verzorgingsgebied – bijvoorbeeld alle inwoners in de gemeente. Die doelen moeten onderdeel van de organisatiestrategie worden in plaats van deze taak onder te brengen bij een geïsoleerde mvo-functionaris.

Verder is het nodig acties op vier niveaus te formuleren: eigen gebouw en gedrag van medewerkers, duurzaam en innovatief primair proces, duurzaam inkopen en stimuleren van inwoners en bedrijven. Tussen deze acties en de kosten ervan dienen binnen het beschikbare budget keuzes worden gemaakt. Wat helpt is te kiezen voor acties die het gedrag van burgers en bedrijven beïnvloeden, aangezien deze in potentie een groter effect hebben. En tot slot: stel de hamvraag wat belangrijker is: de doelen halen of binnen het duurzaamheidsbudget blijven? Om een maximaal effect voor de totale organisatie te bereiken, is het belangrijk om integraal te sturen. Dat maakt ‘goede sier maken’ en ‘windowdressing’ veel moeilijker.

Schiphol
Een voorbeeld ter illustratie. Schiphol wint de Eco-innovation-award, een prijs voor de meest duurzame luchthaven. Op onderdelen een prachtige aanpak, ontwikkeld samen met kennispartners en uitgebreid beschreven op de website. Maar de meest bepalende indicator is het aantal vliegbewegingen. En dat aantal neemt toe met 3, 7 procent in 2017. Paul Peeters, promovendus aan de TU Delft, stelde vorig jaar in zijn proefschrift dat de luchtvaartsector als geheel in 2070 meer CO2 zal uitstoten dan de rest van de wereld als geheel.

Wat moet onder duurzaamheid worden verstaan? Op hoofdlijnen gaat het steeds over de volgende vier thema’s: klimaatbestendig (reduceren van de uitstoot van broeikasgassen, waaronder CO2), energieneutraal (overstappen van fossiele brandstoffen op onuitputtelijke en schone bronnen), circulair (afval wordt grondstof) en sociaal (oog voor de zwakkeren in de samenleving en voor mensenrechten). Binnen de overheid lopen de waterschappen met hun klimaatmonitor voorop als het gaat om het meetbaar maken van effecten. Belangrijk, want onderzoek van de Erasmus Universiteit in Rotterdam laat zien dat publieke organisaties mvo-doelen vaak veel minder gekwantificeerd hebben dan bedrijven. En dat terwijl overheden juist veel meer rollen hebben. Het gaat immers niet alleen om de eigen organisatie, maar ook om het faciliteren, stimuleren en bij elkaar brengen van partijen.

Vooral bij nieuwbouw kunnen grote stappen worden gemaakt in verduurzaming van het eigen kantoor. Daarnaast neemt men maatregelen om het gedrag van medewerkers te veranderen, zodat minder energie en grondstoffen worden verbruikt. Een voorbeeld is DCMR, de gezamenlijke milieudienst van Zuid-Holland, vijftien gemeenten in de regio Rijnmond en Goeree- Overflakkee, waar liefst 85 procent van het personeel voor het woon-werkverkeer gebruik van het openbaar vervoer of de fiets. Al met al is de CO2-uitstoot van DCMR in de loop der jaren gehalveerd. Ze doen er steeds meer digitaal.

En dat is terug te zien in de papierinkoop: in 2006 werd nog 60.000 kilo ingekocht, in 2017 was dat 5.900 kilo. Het percentage restafval is ongeveer 5 procent van het totale gewicht aan afval, de rest wordt hergebruikt. De stroomvoorziening is 100 procent duurzaam, waarbij de zonnepanelen op het dak helpen. En er wordt gewerkt in een goed bereikbaar en duurzaam gebouw.

Macht afnemer
De tweede stap is dat organisaties hun primair proces verduurzamen, vaak door innovaties. Dat heeft vooral zin in een productieomgeving, zoals waterschap pen die met de rioolwaterzuiveringen gelden als grootverbruikers van elektriciteit en aardgas. Een zuiveringsinstallatie van Waterschap Stichtse Rijnlanden in Nieuwegein is inmiddels energieleverend, door slib uit de zuivering te vergisten. En met warmte uit afvalwater worden in Utrecht ruim 10.000 woningen verwarmd.

De Unie van Waterschappen looft jaarlijks de innovatieprijs uit, om het delen van kennis tussen waterschappen te stimuleren. Gezamenlijk hebben de waterschappen de Energie en Grondstoffenfabriek opgericht, die tal van innovatieve ideeën uitvoert. Indrukwekkend is de ontwikkeling die afvalverwerker Avri heeft doorgemaakt. Innovaties in het primair proces hebben naast een kostenbesparing van 35 procent per huishouden vooral ook geresulteerd in meer duurzaamheid. Er is een omslag gemaakt van het inzamelen van afval naar het inzamelen van grondstoffen.

De derde stap is duurzaam inkopen, de macht gebruiken die je als afnemer hebt. De overheid koopt jaarlijks voor 73 miljard euro in, zo meldt Pianoo, het expertisecentrum voor aanbesteden. Op de website van deze organisatie staan tal van handreikingen voor duurzaam inkopen. Steeds meer publieke organisaties stimuleren marktpartijen met doelstellingen op het terrein van duurzaamheid, waaronder ook social return. Zo heeft de provincie Gelderland bij de aanbesteding van het openbaar vervoer duurzaamheid zwaar laten meewegen. Stichtse Rijnlanden verplicht opdrachtnemers tot een social return, het inzetten van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, van 2 tot 5 procent van de opdrachtwaarde bij alle opdrachten boven de 100.000 euro. Dat wordt gerealiseerd met de inzet van portiers, schoonmakers en bouwopruimers.

Gedrag inkopers
Gedrag van inkopers is cruciaal voor succesvol duurzaam inkopen, zo betoogt Jolien Grandia van de Erasmus Universiteit in haar proefschrift over duurzame inkoop. Inkopers moeten leveranciers uitdagen. Dat doen ze vooral indien ze persoonlijk overtuigd zijn van de noodzaak en genoeg kennis hebben van duurzaamheid. Uit haar onderzoek blijkt echter dat ruim 50 procent van de inkopers niet het gevoel heeft genoeg kennis te hebben om professioneel duurzaam in te kopen. Er is scholing nodig, is Grandia’s conclusie, en inkopers dienen betrokken te worden bij de ontwikkeling van nieuwe duurzame inkoopprocedures.

Vensters voor Bedrijfsvoering, een grote benchmark onder overheden, laat zien dat bij ongeveer 50 procent van de aanbestedingen duurzaamheid een gunningscriterium is. Het wordt gemiddeld voor 19 procent meegewogen ten opzichte van andere criteria zoals prijs en kwaliteit. Opvallend zijn vooral de enorme verschillen tussen organisaties, wat aangeeft dat er veel te leren valt.

De vierde actie betreft het stimuleren van inwoners en bedrijven tot duurzaamheid. Dordrecht gaat het warmtenet in de komende jaren verder uitrollen over de stad en investeert in windmolens. In de energiestrategie Drechtsteden is vastgelegd wat de gemeente doet om van het gas los te komen. Stichtse Vecht wil in 2022 een klimaatneutrale gemeentelijke organisatie hebben en in 2030 als gemeente klimaatneutraal zijn. Ze laat onder meer alle openbare verlichting in de komende tien jaar vervangen door ledverlichting, heeft elektrische huurfietsen bij station Maarssen staan, biedt een gratis quickscan voor bedrijven die willen verduurzamen en stimuleert met de Stichting Duurzame Vecht burgers met collectieve inkoop van zonnepanelen, isolatiemateriaal en wko-installaties.

Noord-Holland werkt aan de energietransitie door zonnestroomsystemen te realiseren op maatschappelijk vastgoed en het verstrekken van leningen in het kader van de regeling Asbest eraf, Zon erop. Ook heeft zij een taakstelling voor windenergie van 685 MW in 2020.

Landelijk bestaat er veel aandacht voor het stimuleren van duurzaamheid. Zo zit de Vereniging van Nederlandse Gemeenten namens de gemeenten aan tafel bij het Klimaatberaad en aan de sectortafels met lokale bestuurders. Doel hiervan is om in 2030 de uitstoot van CO2 met 49 procent terug te dringen. Gemeenten moeten uiterlijk eind 2021 een transitievisie warmte vaststellen, met daarin een tijdpad wanneer wijken worden verduurzaamd en van het aardgas afgaan. In deze transitie krijgt de gemeente de regierol. Doel is dat uiteindelijk alle acht miljoen gebouwen geen aardgas meer gebruiken, geïsoleerd worden en voorzien worden van duurzame energie.

Verder monitort de Unie van Waterschappen jaarlijks de afspraken met het rijk op het vlak van duurzaamheid en is een energiekaart ontwikkeld met alle duurzame energieprojecten van de waterschappen. Met de investeringsagenda ‘Naar een duurzaam Nederland’ doen gemeenten, provincies en waterschappen gezamenlijke investeringen. Uitgangspunt is lokaal maatwerk. De energietransitie geldt daarbij als belangrijke pijler van de duurzame economie.

Zoals gezegd, blijven de resultaten van de energietransitie sterk achter bij de rest van Europa. In 2017 zou volgens het CBS in Nederland 6,6 procent van de totale energie hernieuwbaar zijn (biomassa, wind, zon, aardwarmte). Daarmee staat Nederland op de één na laatste plaats in Europa. De middenmoot zit op zo’n 40 procent. Ander minder goed nieuws is dat de helft van onze 6,6 procent bestaat uit biomassa. Dat gaat weliswaar niet snel op, maar bij verbranding komt wel CO2 vrij.

Inwoners stimuleren
We hebben een enorme slag te maken, waarbij Nederlandse publieke organisaties een belangrijke rol te vervullen hebben. De inspanningen van publieke organisaties op het terrein van duurzaamheid zijn daarbij vooral effectief wanneer zij de rol van aanjager op zich nemen: het stimuleren van burgers en bedrijven – de vierde stap in ons model. Want het lijkt erop dat burgers en bedrijven een zetje nodig hebben voordat ze investeren. Men heeft behoefte aan duidelijkheid en betrouwbaarheid.

Of de huidige lokaal gerichte aanpak dan de beste weg is, is de vraag. Zo stelde een directeur van een woningcorporatie, die bij het ontwikkelen van een nieuwe wijk last heeft van de onduidelijkheid over de energievoorziening van de toekomst: “Wat ontbreekt is een landelijke stip aan de horizon: hoe gaan we van het gas af? En hoe gaan we dat betalen?” Daarnaast kunnen gemeenten en provincies bij de energietransitie zelf het voorbeeld geven en hun inwoners stimuleren met acties en gezamenlijke inkoop van bijvoorbeeld zonnepanelen. Dan is het effect breder dan de eigen organisatie. Duurzaam inkopen blijkt een belangrijk aandachtspunt, vooral omdat op dit terrein meer scholing en kennisuitwisseling nodig is om daadwerkelijk invloed uit te oefenen. Het gaat hierbij om een totale inkoopsom van maar liefst 73 miljard euro oftewel 10 procent van ons nationaal inkomen.

Het grote aandeel van vervoer en (perso - nen- en goederen)transport in de CO2- uitstoot stelt het belang van wereldwijde handel in een ander daglicht en onderstreept het belang van lokaal werken. Op lokale schaal kan ook het verder stimuleren van thuiswerken een optie zijn. Het meest belangrijke blijft echter om de vier stappen als geheel te bezien, om een integrale afweging te kunnen maken tussen kosten en effecten. En om te kijken wat past in de ontwikkeling van de organisatie. Wanneer dat lukt, kunnen publieke organisaties fungeren als vliegwiel voor verdere verduurzaming.

Mark Huijben, organisatieadviseur bedrijfsvoering, strategie en benchmarking en Maik van Veldhoven, interim manager en leiderschapscoach


Op Platformoverheid is een uitgebreidere versie van dit essay.te vinden

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.