of 59082 LinkedIn

Essay: de stad, de markt en de wereld

Steden zijn door de globalisering en de gevoerde neo-liberale politiek een pion van de markt geworden. En het zijn de wetten van die globale markt die bepalen wat er gebeurt. Het is aan de lokale bestuurders om te dealen met de vele schaduwzijden van die wetten, zoals de voor vele groepen onbetaalbaar wordende woningen, het gevoel van ontheemding bij de autochtone inwoners en de niet-passende architectuur. Stadssocioloog Wim Derksen schetst enkele grote opgaven voor het stedelijk bestuur.
1 reactie

Steden zijn door de globalisering en de gevoerde neo-liberale politiek een pion van de markt geworden. En het zijn de wetten van die globale markt die bepalen wat er gebeurt. Het is aan de lokale bestuurders om te dealen met de vele schaduwzijden van die wetten, zoals de voor vele groepen onbetaalbaar wordende woningen, het gevoel van ontheemding bij de autochtone inwoners en de niet-passende architectuur. Stadssocioloog Wim Derksen schetst enkele grote opgaven voor het stedelijk bestuur.

Wie in de stad rondloopt komt ze nog vaak tegen: de armoedige huizen van de blije stadsvernieuwing uit de jaren zeventig en tachtig. Punaise-bouw. Ze zijn al lang weer aan renovatie toe. Maar toch stonden die woningen ergens voor. Voor de wederopstanding van de steden én voor een sterke lokale overheid. Na de oorlog waren de Nederlandse steden verpauperd en verkrot. Aanvankelijk waren sloop en kaalslag het enige antwoord. En groeikernen en suburbanisatie. Tot een nieuwe generatie het in de steden voor het zeggen kreeg.

Er kwam een nieuw zelfbewustzijn. De stad werd opnieuw op de tekentafel gelegd. In al die jaren was de stad het ruimtelijk project van de overheid, vanzelfsprekend met een zekere inspraak. De stad als antwoord op de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. De stad eerst als een modernistisch antwoord op verkrotting, later als een nostalgisch antwoord op het modernisme. Maar we hadden nog niet door dat na 1989 alles anders zou zijn.

We betraden een era waarin het neo-liberalisme en het verlangen naar de markt de overheid met zijn oude tekentafels snel terugwierpen. Een tijdperk waarin grenzen in snel tempo vervaagden en waarin we eerst nog over mondialisering maar al snel over globalisering spraken. De positie van de steden was daarin voorlopig nog onduidelijk. Want door de snelle opkomst van internet, laptops en smartphones leek de ‘world flat’ te worden. Het zou niet meer uitmaken waar je ging wonen, overal kon je met je laptop aan het werk. Maar er werd ook gesproken over glokalisering, de globalisering zou in steden voet aan land gaan zetten.

Er werd gesproken over de triomf van stad, mede vanwege de creatieve klasse die zich daar zou vestigen. En toen hoorden we al snel niet veel meer over die ‘world’ die ‘flat’ zou worden. Nee, in de globaliserende wereld werd het alleen maar drukker in de steden.

Ideale woonplek
Ook in Nederland. Door de globalisering was de industrie in snel tempo uit Nederland vertrokken. We moesten voortaan ons geld vooral verdienen met onze hoge opleidingen. En met onze connecties over de hele wereld. Steden werden hubs in een netwerk, kristallisatiepunten van een globale economie. En dé plek voor face-to-face contacten. Juist in dat directe contact ontstond de innovatie en in de economie werd je niet meer groot met eeuwigdurende herhaling (Ford), maar juist met de unieke innovatie.

Veel burgemeesters en wethouders waren enthousiast. Eindelijk stond hun stad op de wereldkaart. Gingen de bestuurders vroeger naar China om nieuwe bedrijven te halen, tegenwoordig komen die bedrijven vanzelf als jij de goede hoogopgeleide werknemers in de aanbieding hebt. Dus gemeentebesturen moeten vooral zorgen voor een plek waar hoogopgeleiden graag willen wonen. En ze moeten ervoor zorgen dat de afgestudeerden in de stad blijven wonen. Het zijn de aantrekkelijke steden die op dit punt succesvol zijn. Gerard Marlet schreef er een mooi proefschrift over. Waar de oude grachten in de jaren ’50 nog op de nominatie stonden om te worden gedempt, vinden de hoogopgeleiden er nu een ideale woonplek.

De stedelijke besturen scheppen tegenwoordig op zijn best de randvoorwaarden voor een bloeiende lokale economie. Zie het Oostelijk Havengebied al in de jaren ‘90, zie het oude spoorcomplex in Tilburg dat tegenwoordig ruimte biedt voor nieuwe bedrijvigheid en nieuwe kenniswerkers. Helaas denken veel gemeentebesturen ook dat ze zelf hun eigen Silicon Valley kunnen plannen. Maar dan blijkt dat de nieuwe economie toch heel wat weerbarstiger is dan de tekentafel-bestuurders gewend waren. Valleys en campussen ontstaan vooral bij toeval en als de buurman er al één heeft, is het zinloos om dat idee te kopiëren. De globale economie zet wel voet aan land in de steden, maar besluit zelf in welke stad dat het beste was.

Het doet me soms sterk denken aan de zorg. Misschien een rare vergelijking. Maar ook de zorg was vroeger van de overheid. Het mocht zo zijn dat artsen te veel verdienden en zich moeilijk lieten sturen, er mochten wachtlijsten zijn, maar de overheid was de baas. Tegenwoordig is de zorg overgelaten aan de onzichtbare hand van de markt. Wie aan het stuur zit, is onduidelijk. En de winsten verdwijnen vooral naar elders. Bij steden bekruipt me eenzelfde gevoel. Temeer omdat steden een pion zijn geworden in een mondiale markt.

Die mondiale markt heeft de steden de laatste decennia veel goeds gebracht. En daardoor hebben de steden veel bijgedragen aan de gestegen welvaart. Waar vroeger de haven van Rotterdam en de luchthaven van Schiphol de fundamenten waren van de economische groei, zijn dat nu de High Tech Campus van Eindhoven, de Food Valley in Wageningen en de vele terrasjes in Amsterdam.

Onbruikbaar gereedschap
Maar die ontwikkeling heeft ook iets ongrijpbaars, omdat ze wordt bepaald door de wetten van de globale markt. En die wetten hebben ook schaduwzijden. De triomf van de stad vindt zijn tegenhanger in de schaduw van de stad. Triomf en schaduw gaan gelijk op. En terwijl de stedelijke besturen tien jaar geleden nog druk bezig waren om de triomf op te stoken, worden ze nu steeds meer met de schaduw geconfronteerd. Terwijl hun gereedschap uit de jaren ’80 in onbruik is geraakt.

Mag ik wat schaduwen noemen, vanuit een vijftal perspectieven’? Ik begin met het demografisch perspectief. De Nederlandse steden groeien door hun geboorteoverschot en door een buitenlands vestigingsoverschot. Binnenlands gezien hebben alle grote steden een vertrekoverschot. Simpel gezegd: er komen veel expats binnen die de huizenprijzen zodanig opdrijven, dat veel stedelijke bewoners wel gedwongen zijn om ergens anders hun heil te zoeken. Niet omdat ze de stad willen verlaten, maar gewoon omdat de woningen in de stad voor hen onbetaalbaar zijn geworden. Zo worden de lagere én de middeninkomens de stad uitgedreven, of verdrongen naar de randen van de stad.

Bovendien ontstaat daarmee het gevaar dat veel randgemeenten (denk aan de voormalige groeikernen) hun bevolkingsopbouw zien verschralen. De sterke groei van de stedelijke regio’s vertaalt zich verderop in het land in krimp. Een geringe bevolkingskrimp hoeft niet altijd een probleem te zijn, maar bevolkingskrimp kan zichzelf wel gaan versterken als jongeren in versterkte mate wegtrekken omdat met de krimp van de bevolking ook de nieuwe kansen zijn verdwenen.

Vanuit economisch perspectief zien we dat de triomf van de stad bepaald niet aan iedereen ten goede komt. Met de groei van de werkgelegenheid aan de bovenkant blijkt de werkloosheid aan de onderkant helemaal niet af te nemen. Vanwege een mismatch op de arbeidsmarkt. Voor de velen voor wie in de industrie en in de haven nog wel werk was te vinden, is in de kenniseconomie nog maar weinig plaats. Zeker als alle terrasjes door studenten worden bediend. De triomf versterkt een maatschappelijke tweedeling die zich verscherpt langs lijnen van werk, inkomen, gezondheid en niet te vergeten onderwijs. Ook tussen de steden zijn er grote verschillen.

De regio’s Den Haag en Rotterdam hebben op dit moment ongeveer even veel arbeidsplaatsen als in 2008, op het hoogtepunt voor de crisis. Amsterdam heeft er ruim 70.000 meer. Ook Utrecht en Eindhoven doen het goed. Dat heeft alles te maken met het opleidingsniveau van de beroepsbevolking. Vanuit economisch perspectief valt ook op dat de infrastructuur de toegenomen mobiliteit nauwelijks aan kan. Dat kan op termijn schadelijk zijn voor de bereikbaarheid van de stedelijke economieën.

Populisme
Vanuit geografisch perspectief zien we dat de maatschappelijke tweedeling zich ook ruimtelijk vertaald. Segregatie is in Nederland nog steeds bescheiden, als we het met steden elders in de wereld vergelijken. Maar concentratie van armoede en werkloosheid kan leiden tot een cumulatie van problemen, waardoor de kansen om in de samenleving verder te komen, steeds kleiner worden. Vanuit geografisch perspectief valt er ook veel te zeggen over bijvoorbeeld de voorzieningen en de culturele instellingen die de stad een voorsprong geeft op het ommeland. Wat steden aantrekkelijk maakt voor de gezochte kenniswerkers, kan steden ook aantrekkelijk maken voor toerisme.

De gemeente Amsterdam dreigt al uit balans te raken. Temeer daar de winkels door de stijgende vierkante-meterprijzen homogeniseren. Airbnb doet de rest. Er komen zo veel mensen op aantrekkelijke steden af, dat deze moeite hebben om aantrekkelijk te blijven. Vanuit sociologisch perspectief valt op dat het aantal nationaliteiten en culturen in de steden in de afgelopen decennia enorm is toegenomen. De kansarme migranten starten vaak in arrival neighbourhoods in de grote steden om van daaruit vaak langzaam op te klimmen en naar betere wijken te verhuizen en soms te suburbaniseren. Ik spreek hier niet over expats. Lange tijd waren migranten vooral ‘gastarbeiders’ (Spanjaarden, Italianen, later Turken en Marokkanen) of mensen uit het rijke koloniale verleden (Molukkers, Surinamers, Antillianen).

Tegenwoordig leidt de globalisering ertoe dat in Amsterdam en Rotterdam bijna 200 nationaliteiten wonen. Bovendien blijven veel migranten steeds korter. Of blijven ze in een globaliserende wereld gemakkelijker met het thuisland verbonden. Zo vindt Turkse politiek zijn weerslag in Rotterdamse wijken. Dat kan een extra druk leggen op integratie van nieuwkomers. En kan autochtonen een gevoel van ontheemding geven, zeker als ze toch al Globalisierungsverlierer zijn. Dat kan tot spanningen leiden en dat raakt de lokale politiek. Terwijl nu juist een tolerante cultuur de aantrekkelijkheid van steden voor de hoogopgeleiden, die de brandstof vormen van de motor van de kenniseconomie, vergroot. Populisme kan steden dus op termijn op achterstand zetten.

Stedebouwkundig is er sprake van een boeiende paradox. Aantrekkelijke steden zijn vaak historische steden. Grachten. Dát zijn de plekken waar veel hoogopgeleiden willen wonen om te werken in een kenniseconomie die in veel opzichten footloose en grenzeloos is. Maar tegelijkertijd sluiten steden lang niet altijd in hun nieuwbouw aan bij de stad die ze altijd zijn geweest. Het lijkt er zelfs op dat gekozen wordt voor een internationaal imago, of op zijn minst voor een imago waarvan men denkt dat het internationaal is. Soms staat dat niet alleen haaks op de stad die men was, maar is het ook in strijd met de diversiteit die echte steden kenmerkt. Het gaat hier verder dan de oude tegenstelling tussen Le Corbusier en Jane Jacobs. Juist in de huidige kenniseconomie hebben steden de diversiteit nodig waarvoor Jane Jacobs een halve eeuw geleden pleitte.

Dat roept ook de vraag op wie de vormgevers zijn van de nieuwe stad. De markt heeft daarin altijd een rol gehad, zij het eerder wel binnen duidelijke kaders van het stedelijk bestuur. Die kaders zijn enerzijds schijnbaar verwaterd, de overheid lijkt vaak de wensen van de markt te volgen. Daarnaast is de succesvolle stad een prachtig investeringsobject geworden voor mensen die dat kunnen betalen. In Londen wordt in hele straten, buurten nog maar nauwelijks gewoond omdat de huizen door investeerders zijn opgekocht. Ook in Nederlandse steden zie je ontwikkelingen in die richting. De vraag: van wie is de stad? lijkt tegenwoordig eenvoudig te beantwoorden. En dat hoeft niemand na dertig jaar neo-liberale politiek te verbazen.

Burgemeesters
Inderdaad, de triomf van de steden is onweerlegbaar. En die triomf heeft veel te maken van de globalisering van de economie. Steden zijn schakels in de globaliserende economie. Soms straalt de triomf af op de stedelijke bestuurders. Benjamin Barber meende zelfs dat de burgemeesters de tegenwoordiger wereldleiders zijn. Dat lijkt me een vreemde conclusie als steden nu juist tot grote bloei zijn gekomen in een neo-liberale tijd waarin de markt het voortouw moest nemen, én als kristallisatiepunten van de globalisering, waarover nationale overheden, en laat staan lokale overheden, per definitie weinig te zeggen hebben. En tegelijkertijd kent die triomf schaduwen, die veel inspanningen vragen van de overheid. Dat vraagt een heel subtiel spel van het stedelijk bestuur.

Wim Derksen, stadssocioloog, eerder hoogleraar bestuurskunde, kerndocent van de leergang ‘Triomf van de stad’. 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Edward L. Figee op

Ingezonden brief, gepubliceerd in Binnenlands Bestuur nr. 11-2019


Burgemeester hoeft van Barber geen wereldleider te worden

Met grote belangstelling heb ik het essay gelezen van prof. dr. Wim Derksen onder de titel ‘De stad, de markt en de wereld’ (BB10). In de strekking van zijn betoog kan ik mij heel goed vinden. Echter, in de allerlaatste alinea’s waarin hij Benjamin Barbers If mayors ruled the world – disfunctional nations, rising cities (2013) aanhaalt, neemt hij naar mijn mening een onjuiste afslag als ik het zo even mag uitdrukken.

De redenering van Barber is juist dat nationale overheden zich niet zouden moeten bemoeien met het besturen van grote steden. Die stadsbesturen kunnen dat het beste zelf omdat ze er elke dag midden in zitten. Nationale overheden zijn in hun streven naar ‘control’ druk met het bewerken van de nationale economie, het bewaken van de nationale schatkist, het kopen van straaljagers, met gezondheidszorg, met onderwijs, enzovoorts, enzovoorts, en oefenen vanuit dit perspectief voortdurend invloed uit op stadsbesturen, terwijl geen stad hetzelfde is.

Die overheden doen dat omdat zij de geldstromen van ‘centraal’ naar ‘decentraal’ willen kunnen blijven beheersen en daardoor, ondanks allerlei aangebrachte slimme verdelingsmechanismen in wezen ook participeren in het stadsbestuur.

Barber zegt onder verwijzing naar het gegeven dat circa driekwart van de wereldbevolking in geürbaniseerde gebieden woont, kort en goed: regel het nou zo dat die stadsbesturen in werkelijk álle opzichten de handen vrij hebben om te doen wat voor hun stad nodig is want niemand weet beter waar die noden precies zitten dan die stadsbesturen zelf. Hij beweert niet dat die burgemeesters ‘wereldleiders’ moeten worden, zoals Derksen Barbers visie in die laatste alinea’s kenschetst.

De titel van zijn boek suggereert dat inderdaad wel, maar dat is waarschijnlijk gedaan om de verkoop te bevorderen wat dankzij de VNG, die in 2014 een Nederlandse vertaling mogelijk maakte, gelukt is overigens. Het mooie in Barbers boek is dat de burgemeesters van die (miljoenen-)steden in hun streven het beste voor hun stedelijke samenleving voor elkaar te boksen, geheel losgezongen raken van de politieke partij waaruit zij zijn voortgekomen. Ook dit is een tendens.

Edward L. Figee