of 59162 LinkedIn

‘Meer recherche nodig tegen jeugdbendes’

Om de jeugdcriminaliteit beter te bestrijden is meer betrokkenheid van de recherche hard nodig. Dat zegt politiejournalist Hans Schaafsma, die de opsporing van criminele jeugdgroepen in Nederland onderzocht. Hij pleit voor speciale jeugdopsporingsteams.
Birgit Kooijman Reageer
Om de jeugdcriminaliteit beter te bestrijden is meer betrokkenheid van de recherche hard nodig. Dat zegt politiejournalist Hans Schaafsma, die de opsporing van criminele jeugdgroepen in Nederland onderzocht. Hij pleit voor speciale jeugdopsporingsteams.

De samenleving krijgt maar geen greep op criminele jeugdgroepen. Preventieve maatregelen als het installeren van camera’s in de openbare ruimte lijken het probleem te verplaatsen naar minder goed beveiligde plekken. Dit blijkt onder meer uit de stijging van het aantal woningovervallen, die vooral gepleegd worden door jonge daders. Intussen verhardt de criminaliteit onder jongeren. Hoe komt het dat er ondanks alle energie die er in de probleemjeugd wordt gestoken zo weinig resultaten worden geboekt?

Hans Schaafsma, journalist bij politievakblad Blauw, onderzocht in opdracht van de Politie en Wetenschap (onderdeel van de Politieacademie) hoe in Nederland de opsporing van criminele jeugdgroepen in zijn werk gaat. In zijn gisteren gepubliceerde boek De buurt is bang, knelpunten in de opsporing van criminele jeugdgroepen, laat hij zien dat jeugdcriminaliteit bij de recherche een ondergeschoven kindje is, waardoor - onder meer door langdurige bureaucratische procedures - een groot aantal jongeren onnodig ontspoort.

Waarom is het zo belangrijk dat ook de recherche zich intensiever met de jeugd bemoeit?
‘Omdat die speciale opsporingsbevoegdheden heeft. De recherche kan telefoons afluisteren, zenders plaatsen in scooters, huiszoeking doen. Er wordt altijd geroepen om “meer blauw op straat”, maar ik denk dat je meer hebt aan rechercheurs.’

De harde aanpak, dus.
‘Nee, juist niet. Je moet die jongens in de kraag vatten uit mededogen, om te zorgen dat ze niet verder afglijden. En hoe eerder je erbij bent, hoe groter de kans dat je ze kunt redden. Want hoe langer ze zich met criminaliteit inlaten, hoe meer ervaring ze opdoen. Ze worden steeds slimmer in het uit handen blijven van de politie, én ontlenen steeds sterker hun identiteit en status aan hun criminele gedrag. Daar komt bij: hoe langer je wacht, hoe meer politiecapaciteit het kost. Want hoe bedrevener ze worden, hoe lastiger het is om die jongens op te sporen en te vervolgen.’

Criminele jeugd wordt dus overgelaten aan de agenten op straat.
‘De belangrijkste oorzaak is de kloof tussen wijkteams en de recherche. Rechercheurs hebben toch de neiging om zich het liefst met georganiseerde misdaad bezig te houden zoals drugs- en mensenhandel. Vaak hebben ze geen affiniteit met jeugd. En omdat er altijd keuzes gemaakt moeten worden, delft de jeugdcriminaliteit vaak het onderspit. Meestal komt de recherche pas in actie na een ernstig incident. Soms blijkt het dan om een zwaar criminele groep te gaan, zonder dat iemand dat wist. Alleen de wijkagent had vaak al z’n vermoedens, maar naar hem wordt lang niet altijd geluisterd.’

Hoe komt dat?
‘Belangrijk is dat de wijkagent regelmatig en zorgvuldig de politiesystemen voedt met zogenaamde straatinformatie. In de waan van de dag schiet dat er nog wel eens bij in, en dan wordt het wel erg lastig om een degelijk dossier op te bouwen. Een goede samenwerking tussen wijkteams en de districtsrecherche is cruciaal in mijn ogen. Elke politieregio zou een speciaal opsporingsteam moeten hebben, met rechercheurs die voeling hebben met jongeren en die samen met de wijkagent de straat opgaan. Dan wordt expertise opgebouwd en behaalt de politie ook langetermijn resultaten. Alleen in Amsterdam-West bestaat zo’n team.’

Welke voordelen biedt zo’n team op de korte termijn?
‘Het kan pro-actief optreden in plaats van alleen op incidenten te reageren. Dankzij hun opsporingsbevoegdheden vangen rechercheurs signalen op - over de tap bijvoorbeeld, of tijdens huiszoekingen - die voor de hulpverlening van groot belang zijn. Zo kan ineens blijken dat een jongen wordt afgeperst door een heler. Of dat hij uit stelen wordt gestuurd omdat zijn ouders schulden hebben. Een goede samenwerking met de hulpverlening is dus erg belangrijk; hulpverleners op hun beurt zouden relevante informatie moeten delen met de recherche. Steeds met het doel om jongens zo vroeg mogelijk uit het criminele circuit halen. En dus niet alleen de harde kern van een jeugdgroep. Want zodra die is opgepakt, staat er weer een nieuwe harde kern klaar.’

De buurt is bang. Knelpunten in de opsporing van criminele jeugdgroepen, Hans Schaafma, SWP, ISBN 978 90 8850 123 4, €17,90 

Cijfers 2009
• Nederland telde in 2009 zo’n 1.800 ‘problematische jeugdgroepen’.
• Het grootste deel werd gekwalificeerd als ‘hinderlijk en overlastgevend’ (1.668).
• De rest kreeg het predikaat ‘ crimineel’ (92) of ‘straatbende’ (27) of ‘jeugdbende’ (10).

Bron: Shortlist/Bureau Beke

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Vacatures

Van onze partners