of 59162 LinkedIn

Reclassering op drift

Sjors van Beek 1 reactie
De reclassering anno 2008 is na hervormingen in de afgelopen jaren te zakelijk en te repressief geworden, stellen critici. Gesprek met de drie reclasseringsdirecteuren aan de hand van de thema’s versnippering, bureaucratie en nazorg.

Tweeluik

 

De reclassering is een belangrijke, maar relatief onbekende speler op het veld van veiligheid. Elke dader komt er mee in aanraking, maar slechts weinig burgers weten uit welke onderdelen de reclassering bestaat en wat die precies doen. De afgelopen jaren hebben zich op het werkterrein van de reclassering immense veranderingen voorgedaan. De geldstromen, de taken en de bevoegdheden zijn volledig op de schop gegaan. Zowel reclasseringsmedewerkers als verdachten en daders hebben moeten wennen aan de nieuwe werkwijze.

 

Niet iedereen is er van overtuigd dat de veranderingen ook verbeteringen zijn. Breed leeft de zorg dat menig (ex-)gedetineerde inmiddels niet meer de hulp krijgt die nodig is om op het rechte pad te belanden en te blijven. Tegelijkertijd eist de samenleving dat de criminaliteitscijfers worden teruggedrongen. In een tweedelige serie verhalen schetst Binnenlands Bestuur een beeld van ‘de’ reclassering en de veranderingen die zich hebben vertrokken. Deze week deel 1: de reclassering op papier. De managers, de theorie. Volgende week: reclasseringswerk in de praktijk en de gaten in het systeem.

 

Versnippering

 

‘Het is bespottelijk’, verzuchtte criminoloog Cyrille Fijnaut in 2005 in Binnenlands Bestuur, ‘dat ik in een stad als Tilburg heb te maken met zoveel verschillende instellingen voor reclassering: Reclassering Nederland, jeugdreclassering, verslavingsreclassering, reclassering van het Leger des Heils, Halt en de Raad voor de Kinderbescherming. Het is een drama. Maak er één organisatie van.’

 

Fijnaut is niet de eerste en ook niet de enige die de versnippering in het reclasseringswezen aan de kaak stelt. Regelmatig wordt er gesproken over het samenvoegen van de drie reclasseringsinstellingen: Reclassering Nederland (RN), met ongeveer zestig procent van de ‘markt’ de grootste organisatie, de Stichting Verslavingsreclassering GGZ (SVG, dertig procent) en Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering (LJ&R, tien procent).

 

Globaal gesproken belanden verslaafde delinquenten bij de SVG, dakloze daders en verdachten bij het Leger des Heils, en de overigen bij Reclassering Nederland. Al ‘doet’ RN ook verslaafden en psychisch gestoorden, ontfermt het Leger zich ook over ‘normale’ klanten en biedt de SVG ook wel hulp aan een dakloze wetsovertreder. Veel meer dan vroeger zijn de drie organisaties echter ook elkaars concurrenten geworden bij het verdelen van de koek: de opdrachten die het Openbaar Ministerie, de rechterlijke macht (zittende magistratuur) of de Dienst Justitiële Inrichtingen (gevangeniswezen) verstrekken.

 

In een klimaat van ‘outputfinanciering’ en afrekenen op resultaat gaat dat er soms pittig aan toe. De klanten van de reclassering worden verdeeld via een reclasseringsbalie, waarvan er in elk arrondissement eentje is. In minstens tachtig procent van de gevallen gaat dat zonder al te veel discussie en worden de partijen het snel eens bij welke organisatie een verdachte thuishoort. Maar in de overige situaties is er wel degelijk geharrewar, erkennen de directeuren van de drie organisaties. Vooral de SVG heeft het idee dat sommige delinquenten daardoor niet op de juiste plek belanden.

 

SVG-directeur Edwin Ten Holte: ‘Zeventig procent van alle justitiabelen is verslaafd. Als die allemaal naar ons zouden komen, zouden de marktverhoudingen aanzienlijk verschuiven. Maar zelfs als wij alleen díe verslaafden krijgen waarvoor wij echt meerwaarde hebben, namelijk de verslaafden voor wie behandeling noodzakelijk en gewenst is, zouden we 45 procent van de markt hebben’. In de SVG-visie kunnen veel verslaafden alleen met behandeling uit een neerwaartse spiraal worden gehaald. Ten Holte: ‘Men is het er wel over eens dat verslaving een psychiatrisch ziektebeeld is. Om dat te herkennen en te diagnosticeren is meer nodig dan een reclasseringswerker die ook wat van verslaving weet.’

 

De SVG, in feite een netwerkorganisatie van elf instellingen voor geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg en maatschappelijke opvang, heeft meer expertise en betere contacten in de wereld van de GGZ, betoogt Ten Holte, en zou zich daarom moeten ontfermen over de moeilijkste groep, de mensen met zware verslavingsen andere psychiatrische problematiek.

 

Ten Holte: ‘Reclassering Nederland vindt dat ze die groep zelf wel aankan. Wij zijn echter van mening dat zo’n vijftien procent van de justitiabelen momenteel niet de zorg krijgt waar ze recht op hebben. We komen té veel situaties tegen waarbij Reclassering Nederland pas heel laat heeft gemerkt dat er ook een verslaving speelt. Dat wil heus niet zeggen dat wij vinden dat wij elke verslaafde moeten krijgen. Ook onder die groep zitten best mensen die je gewoon een taakstraf kunt geven en verder niks. En daar heeft Reclassering Nederland dan een zeer gelikt en efficiënt apparaat voor. Maar bij menig verslaafde is het al een hele toer om hem überhaupt te komen laten opdagen. Sommige mensen hebben wel degelijk iets extra’s nodig. Wij leveren die plus op het basispakket dat de Reclassering Nederland aanbiedt.’

 

Sjef van Gennip, directeur van de Reclassering Nederland, reageert als door een wesp gestoken als hij dit hoort. ‘Een diagnose stellen, advies uitbrengen en toeleiden naar zorg kunnen wij net zo goed als de SVG en het Leger. Alleen leiden wij door naar andere organisaties terwijl de SVG naar eigen instellingen verwijst.’ Hij draait het om: ‘In feite is het een onfris systeem dat de SVG belang heeft bij meer intakes terwijl ze de zorgtak ook in huis hebben. Je moet volkomen onafhankelijk indiceren.’

 

Al eerder stelde Van Gennip voor dat de SVG zich daarom meer zou richten op de zorgkant van het reclasseringswerk, terwijl Reclassering Nederland dan de adviesfunctie en het toezicht voor haar rekening zou kunnen nemen. ‘De SVG opereert vanuit de hulpverlening en de zorggedachte. Daar is niks mis mee. Maar dat moet je niet vermengen met strak toezicht want dan kom je in een spagaat.’ Ten Holte: ‘Wij denken juist dat de meerwaarde zit in de combinatie. De justitiële stok achter de deur is heel goed bruikbaar om mensen de eerste stap naar verandering te laten zetten.’

 

Thees Gernler, manager bij de GGZ-reclassering Palier (onderdeel van de SVG) in Den Haag: ‘Reclassering Nederland kijkt allereerst wat ze een klant kan aanbieden aan de producten uit de eigen organisatie. Wij kijken wat de problemen van een verslaafde zijn. Vanuit de gedachte: iedereen heeft evenveel recht op zorg, óók psychische, of je nu gevangen zit of niet. Wij staan met één been in de strafrechtketen en het andere in de zorgketen. Dat is niet soft.Wij denken gewoon dat je het met straf alleen niet redt. Als je een zieke twee maanden in de cel zet, komt hij er alleen maar zieker uit. Als je de zorg uitsluit, dan blíjf je vergelden.’

 

Van Gennip: ‘Het is niet waar dat we alleen kijken naar eigen producten. We hebben allemaal hetzelfde doel, namelijk het gedrag van mensen veranderen. Alleen zijn wij daarin scherper, consequenter, met de stok achter de deur, en daar ben ik ook trots op. We maken de onder toezicht gestelde duidelijk: afspraak is afspraak en als je je daar niet aan houdt heeft dat consequenties.’

 

De discussie geeft een inkijkje in een diepgaande ideologische strijd in de wereld van de reclassering. Staat de reclasseringswerker primair aan de kant van de crimineel, of aan de kant van de samenleving? Hoe bereik je dat een delinquent zijn gedrag verandert: door vooral te straffen of door vooral te helpen? Welzijn of repressie?

 

Veelzeggend in dit verband is de term die de drie organisaties gebruiken voor hun doelgroep. Waar Reclassering Nederland spreekt van ‘daders en verdachten’ omdat ze ‘zelf verantwoordelijk zijn voor hun gedrag’, reppen de verslavingsreclassering en het Leger des Heils consequent van ‘cliënten’. Leger-des-Heils- directeur Jacco Groeneveld: ‘Dat doen we heel bewust. We willen eerst de mens zien. Dat heeft niks te maken met een softe benadering. We zijn niet vies van toezicht, controle of risicotaxatie, maar het is geen doel op zichzelf. Reïntegratie is voor ons het belangrijkste. Als je mensen wil weerhouden van recidive, moet je zorgen dat ze weer iets te verliezen hebben. Het gaat om de drie W’s: wonen, werken, wijffie.’

 

Ten Holte (SVG): ‘Reclassering Nederland kijkt meer vanuit het strafrecht en de veiligheid van de samenleving, wij meer vanuit de cliënt. Die proberen we te helpen, uit een uitzichtloze cyclus te halen, en langs die weg bevorderen ook wij de veiligheid van de samenleving. De mensen waar wij mee werken, zijn gewoonweg niet in staat hun leven zelfstandig op de rit te krijgen. Ze zijn echt in het putje van de samenleving beland. We maken het hier mee dat mensen in tranen uitbarsten als ze een certificaat krijgen voor een leefstijltraining. Ze hebben nog nooit een diploma behaald, zelfs geen zwemdiploma. We moeten soms echt aan de basis beginnen.’

 

Ellineke Bolt, perswoordvoerster van het Leger des Heils: ‘Wat ons betreft is het geen concurrentieslag, we proberen aanvullend te zijn, waarbij wij ons vooral richten op de moeilijkere groepen zoals daklozen. Die cliënten kosten echter extra tijd die we niet vergoed krijgen, dus om de productie te halen hebben we wel ook een percentage “makkelijke” cliënten nodig.’

 

Discussie over de taakverdeling speelt niet alleen tussen de diverse organisaties. Ook intern is het werk opgeknipt – tot ongenoegen van veel betrokkenen. Jacco Groeneveld (Leger des Heils): ‘Eind 2004 had het ministerie van justitie vergevorderde plannen om de adviestaak van de reclassering onder te brengen bij een aparte Justitiële Adviesdienst. Dat vonden mijn collega Van Gennip en ik een hele slechte zaak. Advies en toezicht zijn allebei taken van de reclassering.’

 

Uiteindelijk wisten de tegenstanders te bewerkstelligen dat het plan in de ijskast belandde. Als wisselgeld eiste Justitie dat binnen de reclassering de adviestaak en de toezichttaak strikt werden gescheiden. ‘Inhoudelijk is daar wat voor te zeggen. Lastig is het echter bij de hele moeilijke doelgroepen, de veelplegers, de zwervers en daklozen, en de mensen die uit een behandelinstituut komen. Die hebben toch al heel veel te maken gehad met onderbroken hulpverleningstrajecten. In die gevallen is continuïteit een voorwaarde voor succes en moet je dus zo weinig mogelijk opknippen’, vindt Groeneveld.

 

Het idee achter de scheiding van advies en toezicht is dat reclasseringswerkers niet langer hun eigen werk genereren. In het verleden kwam het voor dat een werker adviseerde om toezicht te houden dat hij vervolgens zelf uitvoerde. In de praktijk leidt de scheiding er toe dat een delinquent tegenwoordig met minstens twee reclasseringswerkers te maken krijgt: eentje die het advies- of voorlichtingsrapport opstelt, een ander die begeleidt danwel toezicht houdt.

 

De systematiek is aan – soms zware - kritiek onderhevig. Bijvoorbeeld van Jaap van Vliet, voormalig unitmanager bij Reclassering Nederland, tegenwoordig beleidsmedewerker bij het Leger des Heils. In 2006 promoveerde Van Vliet op onderzoek naar de relatie tussen de forensische psychiatrie (tbs) en de algemene geestelijke gezondheidszorg.

 

‘De knip tussen advies en toezicht leidt eerder tot meer recidive dan tot minder, omdat je mensen kwijtraakt’, stelt Van Vliet onomwonden. ‘Mensen willen niet voortdurend opnieuw hun verhaal vertellen. Daar zijn ze nu net bij andere hulpverleningsinstellingen op afgeknapt waarna ze uiteindelijk bij Justitie zijn beland’, aldus Van Vliet, die rept van een ‘ronduit zorgelijke ontwikkeling’. In een nog niet gepubliceerd artikel schrijft hij: ‘Deze werkwijze is vergelijkbaar met de huidige organisatie van de Jeugdzorg, waarvan inmiddels bekend is dat deze tot een verambtelijkte praktijk heeft geleid.’

 

De functiescheiding stoelt, wat Van Vliet betreft, ook op een onterechte premisse, namelijk dat het zou leiden tot objectiviteit. ‘Daar moet je helemaal niet naar streven. Je moet mikken op maatwerk en dat is juist heel subjectief.’ Ook TNO en de Inspectie voor de Sanctietoepassing hebben in rapportages inmiddels kritische kanttekeningen gezet bij de strikte scheiding der taken.

 

Bureaucratie

 

In de wereld van de reclassering klinkt de klacht steeds luider: te veel formulieren, te veel bureaucratie, te veel afrekenen op ‘productietikken’. In een recent door de SP uitgevoerde enquête onder 242 reclasseringswerkers gaf bijna driekwart van de ondervraagden te kennen te veel tijd achter de computer door te brengen vergeleken met de tijd die beschikbaar is voor de cliënt. Een reclasseringswerkster schreef dat de verwerking van een handeling (‘toeleiding zorg’) in de computer soms langer duurde dan de actie zelf. ‘Ik heb een kantoorbaan in plaats van een baan waarbij ik mensen écht kan begeleiden’, meldde een ander.

 

Sjef van Gennip, directeur Reclassering Nederland, herkent de kritiek. ‘Het is soms inderdaad veel te bureaucratisch. Ik strijd er binnen mijn organisatie fel tegen. Ik heb een “Taskforce Stop de Bureaucratisering” in het leven geroepen. Die moet intern gaan uitzoeken welk papierwerk overbodig is, en aan welke dingen het personeel zich het meest ergert. Het hele systeem van verantwoording afleggen is doorgeschoten, de regelgeving is overdadig. Het kan veel simpeler en het aantal uren dat een reclasseringswerker administratie doet kan substantieel omlaag.’

 

Ten Holte: ‘De producten zijn doelen op zich geworden. In de huidige structuur worden professionals en instellingen meer beloond voor het voldoen aan productievereisten dan voor het zo goed mogelijk voldoen aan het doel van het reclasseringswerk.’

 

Tot ergernis van veel reclasseringswerkers staat voor elk product ook een vast budget. Differentiatie is daardoor amper mogelijk. Voor de begeleiding van een belastingfraudeur of een verkeersovertreder is op papier even veel geld beschikbaar als voor die van een verslaafde dakloze die eerst moet worden opgespoord voordat er een adviesrapport kan worden opgemaakt. Jacco Groeneveld van het Leger des Heils: ‘Voor toezicht op een winkeldief of op dronken rijder staat beiden standaard 35 uur per half jaar. Dat is toch gek? We werken dan ook aan een plan om hier verder in te differentieren.’

 

Zorg over nazorg

 

Tot 2003 werkte de reclassering in de gevangenis. Gedetineerden werden al tijdens het uitzitten van hun straf geholpen bij hun terugkeer in de samenleving. Ook na hun vrijlating was de nazorg in handen van de reclassering. Minister Donner (CDA) maakte hier rigoureus een einde aan: de zorg binnen de gevangenis kwam in handen van de MMD’ers (medewerkers maatschappelijke dienstverlening), de nazorg werd een taak van de gemeenten. Voor de reclassering restte advies, toezicht, uitvoering taakstraffen en het aanbieden van (gedrags)trainingen.

 

Platte bezuiniging of niet, het naar de zijlijn rangeren van de reclassering stuit op breed onbegrip – nog steeds. Jaap van Vliet, wetenschapper en beleidsmedewerker bij de Reclassering des Heils: ‘Meer dan 175 jaar was nazorg de kern van het werk van de reclassering. Dat is haar ontnomen. Het idee is nu: als we het gedrag van mensen kunnen veranderen, vermindert dat de recidive. Echter: je kan de zaken cognitief nog zo goed op orde hebben, als je geen dak boven je hoofd hebt en je relatie ligt in de kreukels is de kans dat je weer in de fout gaat nog steeds erg groot.’

 

‘Het is inderdaad jammer dat onze core business van de ene dag op de andere bij de gemeenten over de schutting is gegooid’, zegt ook RN-directeur Van Gennip. ‘Maar ik verzet me niet langer tegen het kabinetsstandpunt. Laten we maar gewoon zorgen dat gemeenten ons inhuren als er een gedetineerde vrijkomt. Dat laatste gebeurt al op diverse plaatsen.’

 

Toch vallen er grote gaten, stellen tal van critici. De 183 MMD’ers kunnen het werk niet aan en gemeenten hebben soms niets geregeld. Uit onwetendheid, uit onkunde, of omdat ze de politieke wil niet hebben om Wmo-geld te besteden aan reclasseringswerk. Van Gennip: ‘Het is nu te vrijblijvend geregeld. Zo’n ex-gedetineerde is nu inderdaad burger, zoals Donner stelt. Maar als we niks doen krijgen wij hem straks weer binnen als crimineel.’ Van Vliet: ‘Het niveau van de nazorg is bedroevend. Een heleboel mensen verlaten de gevangenis zonder dat er iets is geregeld. Terwijl de periode onmiddellijk na de vrijlating juist ontzettend belangrijk is.’

 

Jacco Groeneveld, directeur van de Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering, legt uit dat MMD’ers nu nog maar vier taken hebben. Ze moeten een gedetineerde hulp bieden op vier leefterreinen: identiteitspapieren, inkomen, huisvesting en zorg. ‘Voorheen hield de reclassering zich echter ook bezig met de psychische kant, met gezin, relatie, met echte begeleiding. Dat is gewoon weggevallen. Gedetineerden zoeken die steun nu dus bij de geestelijke verzorgers die het daardoor steeds drukker krijgen.’

 

Groeneveld: ‘Ik vind het maar raar. Meer dan honderd jaar is er een gespecialiseerde organisatie geweest voor gedetineerden en ex-gedetineerden. Ineens zegt Justitie: dat werk kan naar de gemeente, het kan best worden gedaan door de gemiddelde ambtenaar.’

 

Dat komt er dus lang niet altijd van, weet ook de Leger des Heils-directeur: ‘Wij hebben het idee dat redelijk veel gedetineerden de gevangenis verlaten met de spreekwoordelijke vuilniszak onder de arm, zonder dat ze een goede startpositie hebben. Wij willen dus graag weer terug in de gevangenis, om de aansluiting van binnen naar buiten soepeler te laten verlopen. Bovendien kunnen we dan toezien op een humane detentie. De reclassering als luis in de pels binnen de gevangenismuren.’

 

RN-directeur Van Gennip kijkt er iets anders tegenaan. ‘Het gaat ons er niet om dat we fysiek in alle gevangenissen aanwezig zijn, maar dat we de ruimte krijgen om te doen wat nodig is. Zo heb ik onlangs aan de DJI (Dienst Justitiële Inrichtingen) voorgesteld om een aanbod te doen aan alle kortgestraften, en dat gaat ook gebeuren. In het kader van het programma Terugdringen Recidive krijgen de meeste langgestraften (langer dan vier maanden, red.) een aanbod voor reïntegratie. Dat gaat dan om zes- à zevenduizend man. Maar verreweg de meeste gedetineerden zijn kortgestraft, en voor die vele tienduizenden is niets geregeld. Dat is toch vreemd? De meeste langgestraften zijn ooit begonnen als kortgestraften. Hoe eerder je erbij bent, hoe beter het is.’

 

Van Gennip raakt hiermee aan vermoedelijk de grootste grief onder reclasseringswerkers: ze voelen zich beperkt in hun mogelijkheden om (ex-) gedetineerden in de knel de helpende hand toe te steken. In de jaren tachtig gebeurde dat wellicht te veel, maar nu is de slinger te ver de andere kant op geslagen, klinkt het alom. Van Gennip: ‘De professionals voelen zich terecht beknot. In aantallen is het probleem misschien niet eens zo groot, misschien stuiten ze een paar keer per jaar op een situatie waar ze echt te weinig kunnen doen. Maar die keren hebben dan wel meteen een hele grote impact.’

 

Grote boosdoener is de scheiding tussen wel of geen ‘justitiële titel’. Wie klaar is met zijn straf is vanaf dat moment gewoon burger, verordonneerde Donner. Als een ex-gedetineerde twee jaar na zijn vrijlating in de knoei raakt en nog eens aanklopt bij de reclassering, moet die ‘nee’ verkopen. Of werk verrichten waarvoor Justitie niet betaalt. Van Gennip: ‘Dit is nou een voorbeeld van een doorgeslagen output-systeem. Als iemand zich vrijwillig meldt, al is het na twee jaar, mogen wij dus niet zomaar beslissen dat dit een potentieel gevaar is en dat we iets moeten doen. Intern hebben wij dan ook gezegd: in zo’n evident geval ondernemen we tóch actie, en dan zien we wel waar we het geld vandaan halen. Geen geld is nooit een excuus om niets te doen.’

 

SVG-directeur Ten Holte: ‘Op papier mogen wij niet meer mee met een cliënt als die na vrijlating uit detentie naar een kliniek moet. Als zo iemand vanuit de gevangenis meteen zelf op de trein moet stappen, ligt het gevaar van een opdringerige drugsdealer op de loer. Betaald of niet, in de praktijk gaan we dus tóch mee.’ Groeneveld: ‘Ook wij voelen spanning tussen wat we willen en de tijd die er voor beschikbaar is. Máár...dat laatste is wel een gemiddelde. Soms besteden we dus minder tijd aan iemand die het niet echt nodig heeft, zodat we toch even met een dakloze mee kunnen naar de woningcorporatie of het CWI.’

 

Inmiddels is het ook tot de Haagse politiek doorgedrongen dat de reorganisatie van de reclassering op onderdelen wellicht wat uit de bocht is gevlogen. Op initiatief van SP-Kamerlid Van Velzen is eind vorig jaar een motie aangenomen die het sein op groen zet voor een experiment in het arrondissement Den Bosch. De reclassering mag tijdelijk de helft van haar budget naar eigen inzicht inzetten. De pilot wordt op de werkvloer zonder uitzondering met applaus begroet. Van Gennip: ‘Ik ben er heel blij mee. Het is een steun in de rug om de zaken waar we nu geen titel voor hebben, toch op te pakken en te voorkomen dat mensen tussen wal en schip belanden.'

 

Reclassering in Nederland

 

cijfers 2007 RN LH SVG
Aantal fte 1.500 222 681
Aantal reclasseringswerkers 1.088 154 537
Vroeghulpbezoeken 8.797 1.903 4.123
Vroeghulpinterventie 1.278 374 1.408
Diagnose 10.334 1.327 4.274
RISc 10.495 2.005 5.445
Voorlichtingsrapport 9.755 1.6220 5.128
Adviesrapport 10.467 1.656 3.443
Maatregelrapport 314 48 87
Toezicht 16.474 2.793 9.728
Gedragsinterventies 1.006 406 1.948
Toeleiding zorg 2.916 939 3.684
Werkstraf groep 11.523 0 3.698
Werkstraf individueel 18.365 486 1.569
Werkstraf totaal 29.888 486 5.267
Leerstraf 597 471 294

 

 

Hoofdtaken

 

  • diagnose en advies

     

  • begeleiding en toezicht

     

  • uitvoering taakstraffen

     

 

 

Aantal klanten: 95.375

 

  • circa 90% man

     

  • 25% is tussen 18 en 25 jaar

     

  • 33 % is ouder dan 40 jaar

     

  • 50% is laag opgeleid

     

  • 33% is werkloos

     

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door L.Ramakers (manager) op
Dit artikel is een deel van een tweeluik, zoals in het begin wordt gezegd. Ik mis deel 2; "reclassering in de praktijk"

Vacatures

Van onze partners