of 59318 LinkedIn

‘Probleemjongere sociaal inkapselen’

Roermond huurt de Belgische wetenschapper Juliaan van Acker in om te helpen de ergste probleemjongeren op het rechte pad te krijgen. Wie is er nou naïef? Ik, of degenen die falend beleid jarenlang laten voortsudderen?’

‘Nu de Arabische lente gaande is, heb ik het tij mee’, glimlacht Juliaan van Acker, emeritus hoogleraar orthopedagogiek. ‘De revolutionaire ontwikkelingen in Noord-Afrika stemmen me hoopvol.’

 

Enkele maanden geleden, vlak vóór de omwentelingen aan gene zijde van de Middellandse Zee, verscheen Van Ackers boek Jeugdzorg en reclassering - harde kernjongeren en Marokkaanse relschoppers. Daarin beschrijft hij hoe de hulp van en samenwerking met landen als Marokko uiteindelijk onontbeerlijk is om de problemen met Marokkaanse jongeren in Nederland werkelijk op te lossen.

 

‘Als Noord-Afrika goed onderwijs, een goede gezondheidszorg, een aanvaardbaar minimum inkomen en gelijke kansen voor iedereen zou hebben, dan hoeft geen enkele Noord-Afrikaan nog naar Nederland te komen vanwege de sociale voorzieningen. Nu profiteren populistische politici nog van het feit dat allochtonen hoog scoren in de criminaliteitsstatistieken en gebruik van de sociale voorzieningen zonder er zelf een bijdrage aan te leveren.’

 

Maar, zo schetst Van Acker in zijn boek, als er in Noord-Afrika welwillende, democratische, welvarende staten zouden ontstaan, kunnen Westerse landen op basis van gelijkwaardigheid en wederkerigheid met hen samenwerken. De allochtone jongeren die in Europa doelloos en werkloos op straat hangen en overlast veroorzaken, zouden in hun herkomstlanden in eigen taal alsnog een opleiding kunnen gaan volgen in vakinternaten, gesubsidieerd door de Europese Unie.

 

Binnen de Europese Unie zou de maatschappelijke dienstplicht breed ingevoerd moeten worden, betoogt Van Acker. Leger, politie en douane zouden dan versterkt kunnen worden met duizenden talentrijke jongeren die zo een doel in hun leven krijgen. Bijkomend effect: moslimmeisjes zouden op scholen en in de jeugdzorg aan de slag kunnen en zo een enorme stap zetten op emancipatoir gebied.

 

En passant betoont de wetenschapper zich tegenstander van WW-uitkeringen. ‘Ook in België zitten tienduizenden Marokkanen thuis werkloos te zijn, terwijl er werk genoeg is. Het is ook een vorm van respect naar het individu. Het mag niet zo zijn dat niemand je meer nodig heeft.’ Natuurlijk begrijpt ook Van Acker wel dat zijn vergezichten niet van vandaag op morgen gerealiseerd zullen zijn. Maar onrealistisch?

 

‘Ik zou zeggen: kijk hoe noodzakelijk het is. In heel Europa is de werkloosheid onder jongeren tussen 18 en 25 jaar enorm. Miljoenen jonge mensen komen niet aan de bak in de periode van hun leven dat ze het meest creatief en dynamisch zijn. Geef hen een kans om 2 jaar voor de samenleving te werken. Benut dat potentieel! Ik vind degenen die zeggen dat dit niet haalbaar is, juist onverantwoordelijk bezig. Wie is er nou het meest naïef? Ik, of degenen die falend beleid jarenlang laten voortsudderen?’

 

Hardnekkig

 

De Belg Van Acker (70) wordt ingehuurd door Nederlandse gemeenten om de problematiek aan te pakken rond de meest hardnekkige, veelal Marokkaanse overlastgevers. Hij werkte onder meer in Rotterdam, Schiedam, Arnhem en Nijmegen en is momenteel aan de slag in Roermond (zie onderstaand kader ‘Netwerk van solidariteit’).

 

Tussen 1980 en 2001 was hij hoogleraar orthopedagogiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen, en daarvoor was hij onder meer inspecteur van de rijksinrichtingen in België en directeur van de Heldring Stichting in Zetten, indertijd een ZIB-internaat (gesloten instelling voor Zeer Intensieve Behandeling).

 

In tal van boeken heeft hij zijn visie op de jeugdproblematiek uiteen gezet. In een zonovergoten brasserie in zijn woonplaats Antwerpen doet hij het mondeling verder uit de doeken. De wortel van de problemen met Marokkaanse jongeren zit in het gezin, daarvan is Van Acker overtuigd. Marokkaanse kinderen in het Westen staan vanaf hun vroegste jeugd bloot aan een scala van ongunstige factoren, zo schetst hij.

 

Gedwongen, vaak liefdeloze huwelijken van hun ouders waarin geen respect wordt bijgebracht voor anderen, vooral niet voor vrouwen, en waarin ‘iemand die niet tot de eigen kring behoort gezien wordt als de vijand’, zo formuleert de wetenschapper het. Daarnaast de specifieke schaamtecultuur van de Berbers: schuld bekennen is ondenkbaar. Zelfs na een heterdaad worden soms de ‘meest absurde verklaringen’ gegeven waarbij desnoods een bejaard slachtoffer de schuld krijgt omdat ‘die hen maar niet zo moest aankijken’.

 

Ook groepsdruk speelt volgens Van Acker een grote rol. ‘Marokkanen worden getiranniseerd door hun eigen groep. Wie bijvoorbeeld bij de overheid gaat werken wordt gezien als verrader, als iemand die informatie over hun groep doorspeelt aan de blanken.’ En de rol van de moskee is volgens Van Acker vaak negatief. ‘Het is niet alleen een gebedshuis, het heeft ook een sociale en politieke functie. Problemen moeten worden opgelost binnen de eigen gemeenschap. Samen met de schaamtecultuur weerhoudt dit Marokkanen ervan bij opvoedproblemen hulp te zoeken bij reguliere instellingen zoals het maatschappelijk werk.’

 

Achterstand

 

Volgens Van Acker hebben veel Marokkaanse jongetjes op 4-jarige leeftijd al een cognitieve achterstand die voor de meesten nooit meer in te halen is. ‘Dat noem ik een ramp! Die kleuters hebben als ze eenmaal naar school gaan een zeer beperkte woordenschat, óók in hun eigen taal, en daarbij spreken ze vaak amper Nederlands. Ze hebben nooit geleerd om te overleggen, ze weten niet hoe ze dingen moeten uitleggen, de enige manier die ze kennen om hun zin te krijgen is agressie. Ze hebben nooit een boek gelezen, ze hebben geen leerzame spelletjes of puzzeltjes gehad om hun motoriek en hun cognitieve vaardigheden, dat wil zeggen hun denkvermogen, te ontwikkelen. Dan begrijp je dus waarom ze vanaf het begin niet mee kunnen komen op school.’

 

Volgens Van Acker is het - gemiddeld genomen - lage opleidingsniveau van de Marokkaanse moeders een belangrijke oorzaak. ‘Ik denk dat ze veel ongeletterder zijn dan de gemiddelde Turkse moeder. Ze zitten alleen maar binnen, hebben amper contact met de omringende samenleving.’

 

Een laag opgeleide moeder is een belangrijke risicofactor voor later crimineel gedrag, net als crimineel gedrag van de vader of agressie van een kind op jonge leeftijd, aldus de orthopedagoog. ‘Door hun cognitieve achterstand lopen die jongetjes een grote kans elke dag te worden uitgelachen op de basisschool. Ze gaan spijbelen, op straat hangen, kattenkwaad uithalen, en zo wordt het van kwaad tot erger’, schetst Van Acker.

 

Als dan de vaders ‘de hele dag in het koffiehuis of in de moskee zitten en thuis vervolgens een paar klappen uitdelen’ is dat geen opvoeding, ‘want daarvoor is toch echt interactie nodig met de ouder.’

 

Wijkscholen

 

Van Acker pleit dan ook hartstochtelijk voor de oprichting van wijkscholen, waarbij de jeugdhulpverlening en het maatschappelijk werk worden ondergebracht ín de basisschool. ‘Tussen zijn 4e en 18e jaar brengt de gemiddelde mens 16 duizend uur door op school. Dáár gebeurt het! Kinderen die aan het begin staan van een criminele carrière, vallen al rond hun 8e jaar op door hun gedrag. Agressie, veel op straat hangen. De leerkrachten kennen hen, ze kunnen hen er zó uitpikken.

 

Als de jeugdhulpverlening in de school is gevestigd, kan er een directe link worden gelegd tussen de leerkracht en de hulpverlener. De kinderen krijgen meteen gespecialiseerde hulp, de leraar krijgt ondersteuning en advies bij het omgaan met de lastige leerling. Ik denk dat minstens de helft van de kinderen die nu voor het oog van de buurtgenoten en tot hun grote schaamte met de “debielenbus” naar het speciaal onderwijs wordt gebracht, op deze manier gewoon op school zou kunnen blijven. Je moet de problemen aanpakken daar waar ze ontstaan: op school.’

 

Bovendien kan de hulpverlener zo in een vroeg stadium contact leggen met het gezin van het probleemkind. ‘Een goede samenwerking tussen ouder en school is een van de beste beschermende factoren tegen later antisociaal gedrag, blijkt uit onderzoek. Die Marokkaanse ouders komen nu nooit naar ouderavonden, niet omdat ze niet willen, maar omdat ze niet durven. Ze zijn vaak weinig verbaal en zijn bang toch alleen maar kritiek te krijgen.’

 

Mankracht hoeft het probleem niet te zijn bij het intensief begeleiden van de moeilijkste gevallen, stelt Van Acker. ‘Ik erger me dood als ik zie hoeveel ambtenaren er momenteel in de onderwijs- en welzijnssector werken die nooit direct contact hebben met de gezinnen en de jongeren. Er zijn veel te veel mensen die alleen maar praten óver ouders en jongeren, ten koste van het aantal dat praat mét hen’, zo beschrijft hij ook in zijn laatste boek. ‘Ik zag het ook op de universiteit. Alles is zo enorm gebureaucratiseerd. Mijn beste studenten hebben inmiddels allemaal managementfuncties, ze komen nooit meer in een probleemgezin. En wie doet het feitelijke werk? Juist, degenen met de minste opleiding. Een drama…’

 

Racisme

 

Van Acker signaleert nog een andere weeffout in het systeem. ‘De IQ-testen die worden gebruikt voor kinderen noem ik een vorm van discriminatie, het is regelrecht racisme dat elke dag plaatsvindt. Marokkaanse jongetjes scoren soms 59 bij zo’n test, terwijl je toch een heel normaal gesprek met hen kan voeren. Hoe kan dat? Ik snap werkelijk niet dat psychologen hier niet doorheen kijken. Bij een score van 59 hoor je thuis in een kliniek voor diepzwakzinnigen.

 

Maar de bestaande testen zijn dus gemaakt voor mensen die een normale cognitieve ontwikkeling hebben doorgemaakt, en dat hebben die Marokkaanse kinderen nu juist níet. Dat wil echter niet zeggen dat ze niet intelligent zijn.’ Terwijl Van Acker heilig gelooft in preventie in de vroegste levensjaren, ziet ook hij de noodzaak in van repressie tegenover een wat hij noemt ‘kleine minderheid van enkele honderden psychopaten en verbitterden die de sfeer in onze wijken verzieken.’

 

Van Acker: ‘In een stad als Rotterdam praten we niet over duizenden van dit soort jongens, het zijn er hooguit enkele honderden. Ze plegen geweld tegen weerloze slachtoffers, recidiveren doorlopend en zijn totaal niet gemotiveerd. We hebben het dan over 3 procent van alle arrestanten, die echter wél 60 procent van alle delicten plegen. Díe groep moet je hebben! Ik ben geen tegenstander van een harde aanpak. Alleen moet die harde aanpak dan wel gepaard gaan met het aanbieden van educatieve vaardigheden.’

 

In zijn boek pleit Van Acker daarom voor een ondertoezichtstelling van deze jongens tot hun 35e jaar. ‘Die juridische mogelijkheid bestaat nog niet, maar deze jongens moeten gewoon van de straat, óók als ze meerderjarig zijn.’ Nu komen deze jongens na een korte gevangenisstraf ‘als helden terug in hun wijk en gaan even vrolijk verder met hun wangedrag’, betoogt Van Acker. ‘In hun ogen zijn de autoriteiten laffe bangeriken die geen respect verdienen. Zolang de wet geen ander beleid mogelijk maakt, staan de lokale bestuurders en de politie machteloos.’

 

Detentie geen straf

 

Detentie voor de onverbeterlijke recidivisten moet volgens Van Acker ‘niet als straf worden voorgesteld’. Binnen zo’n instelling kunnen de jongens in zijn visie veel vrijheid hebben, ze mogen onbeperkt bezoek ontvangen, en ze krijgen een opleiding of werk. Allerlei therapievormen zijn voor deze groep nutteloos, denkt de orthopedagoog. ‘Het gaat om bewaking, praktijkgericht onderwijs en zinvolle tijdsbesteding.’ Met hun werk kunnen ze de door henzelf aangerichte schade aan slachtoffers en staat vergoeden, desnoods in een ouderwetse ‘landloperkolonie om daar in de biologische landbouw en veeteelt te arbeiden en te genieten van de gezonde buitenlucht’, aldus Van Acker.

 

Zijn ideeën stoelen op tientallen jaren praktijkervaringen met gedragsgestoorde kinderen uit de zwaarste categorie. Tijdens zijn hoogleraarschap zette hij het Nijmeegse Gezinsproject op, waarbij gezinnen intensief werden begeleid in plaats van de kinderen naar gesloten instellingen te sturen.

 

De ouders en volwassenen uit de kring van die kinderen werden intensief betrokken bij de terugkeer van hun kroost in de maatschappij. ‘Problemen moeten worden behandeld waar ze zijn ontstaan en in de behandeling moeten de volwassenen uit de omgeving van het kind een centrale rol krijgen’, zo vat Van Acker het samen.

 

Die theorie is uitgegroeid tot de aanpak zoals die nu in Roermond wordt toegepast. ‘De basis van mijn werkwijze is het opbouwen van een vertrouwensrelatie met de volwassenen rondom die probleemjongeren. De ouders zijn onze partners, we kunnen niet zonder hen.’

 


Netwerk van solidariteit

 

Juliaan van Acker is door Roermond ingehuurd om 3 jaar lang vier casemanagers te gaan begeleiden, die zich op hun beurt intensief bezighouden met zo’n vijf jongeren elk. ‘Het gaat om harde kernjongeren die door de reguliere hulpverlening niet meer kunnen worden geholpen’, aldus Van Acker.

 

Kern van de Roermondse aanpak: creatie van een ‘netwerk van solidariteit’, bestaande uit positieve rolmodellen die zich om de jongeren gaan bekommeren. Daarbij worden uiteenlopende mensen ingeschakeld als de wijkagent, de docent, de ouders, de jongerenwerker en medewerkers van de sportclub. ‘Het gaat er vooral om het sociale netwerk van de jongere mee te krijgen. Wie kan er nog invloed uitoefenen op het gedrag van de jongere? Hulp die beperkt blijft tot één oorzaak, bijvoorbeeld het gedrag van de jongere proberen te veranderen, heeft geen duurzaam effect’, stelt Van Acker.

 

In het Roermondse project krijgen de jongeren trainingen (sociale vaardigheid, anti-agressie), de ouders en de school worden van adviezen voorzien en geprobeerd wordt de jongens sociaal actief te laten worden (bijbaantje, sportclub).  

 


Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Khalid Ramdani (raadslid in Roermond en re-integratieconsulent) op

In het kader van de aanpak van overlast veroorzakende jongeren heeft de gemeente Roermond emeritus hoogleraar orthopedagogiek Van Acker ingehuurd. De aanpak van deze jongeren wordt door de PVDE (Partij Van De Eenheid) op zich onderschreven.

De professor schetst echter een te negatief beeld door het steeds over Marokkaanse jongeren te hebben, (zie BB15) terwijl de werkelijkheid blijkens de gemeentelijke gegevens genuanceerder ligt. Daardoor ontstaat veel onrust. Alles wat Van Acker stelt over de Marokkaanse jongeren geldt voor een zeer kleine groep; toch wordt iedereen wederom over één kam geschoren. Weer moeten de Marokkanen toekijken hoe ze te kijk worden gezet!

Hij begint al met de grappig bedoelde zin ‘nu de Arabische lente gaande is, heb ik het tij mee’, waarmee hij aangeeft te profi teren van andermans ellende. Vervolgens poneert hij zeer stellige, en door de ongenuanceerdheid vaak kwetsende opvattingen zoals ‘de wortel van de problemen met Marokkaanse jongeren zit in het gezin’, ‘de rol van de moskee is negatief’ en ‘ook in België zitten tienduizenden Marokkanen thuis werkloos terwijl er werk genoeg is’. Hij spreekt van ‘gedwongen, liefdeloze huwelijken waarin geen respect wordt bijgebracht voor anderen, vooral niet voor vrouwen’, en waarin ‘iemand die niet tot de eigen kring behoort, gezien wordt als de vijand’.

Waar haalt deze man deze onzin vandaan? Deze professor weet blijkbaar niets van andere culturen af, ik vraag me af of hij weleens een moskee heeft bezocht. In Roermond waar hij al maanden bezig is in ieder geval nooit. Als je veel geld krijgt om met verschillende culturen aan de slag te gaan dien je eerst je huiswerk te doen door je te verdiepen in andere culturen alvorens te starten.

Het geeft de PVDE-fractie aanleiding het college vragen te gaan stellen. Ik ben van mening dat stigmatisering van bevolkingsgroepen voorkomen dient te worden, zeker door een met overheidsgeld betaalde adviseur en dat hij zijn woorden zorgvuldig dient te kiezen.

Het was beter geweest indien in ieder geval één van de hoofdzakelijk autochtone case-managers die Van Acker in het kader van zijn werkzaamheden begeleidt, vanuit de Marokkaanse gemeenschap aangesteld zou zijn. Dat zou hem ook meer realistische inzichten hebben gegeven omtrent de Marokkaanse gemeenschap en cultuur.

Door Peter (consultant) op
Ahmed, uw ontkennende modus is onderdeel van het probleem. De enigen die Marokkanen stigmatiseren, zijn Marokkanen zelf.
Door Belle op
Ahmed, u heeft gewoon het stuk niet goed gelezen.
Het is fijn dat uw kinderen niet tot die kleine groep echt problematische gevallen behoort, het is fijn dat uw kinderen niet in een liefdeloos gearrangerd huwlijk opgroeien, het is fijn dat uw kinderen qua intelligentie en taalkennis wel meekomen in het onderwijs, het is fijn dat u werkt. Maar dit alles wil nog steeds niet zeggen dat er veel mis is met veel juist marokkaanse jonge mannen!
Door Ahmed Bouariche (Verpleegkundige) op
Ik zal de bevindingen vaa dhr. v. Acker niet betwisten. Ik ben een marokkaanse vader maar ik herken zijn omschrijving totaal niet bij mijn kinderen of mijn gezin. Wellicht heeft dhr. v. Acker door zijn werk alleen via een gekleurde bril naar de marokkannen gekeken. Het zou misschien wel beter geweest als hij dat groepje die hij bedoelde benoemen ipv stigmatiserend naar alle marokkanen.

Vacatures

Van onze partners