of 59318 LinkedIn

Overheidscampagnes zijn zinloos

De goedbedoelde boodschap ‘Handen af van onze hulpverleners’ komt niet aan bij de doelgroep. Hufters leven in een compleet andere wereld dan de bedenkers van de slogan. ‘Het is echt weggegooid geld’, aldus socioloog Frits Spangenberg.

Minister van Veiligheid en Justitie Ivo Opstelten meldt de Tweede Kamer in een brief dat het geweld tegen politie en hulpdiensten tijdens de afgelopen jaarwisseling is toegenomen ten opzichte van een jaar eerder: 186 meldingen tegenover 173. Vooral de politie moest het ontgelden. Hoe brandweer en ambulancepersoneel het er vanaf brachten, moet blijken bij de definitieve rapportage die in februari verschijnt, maar het ziet er niet naar uit dat de vlak voor de jaarwisseling gestarte campagne ‘Handen af van onze hulpverleners’ veel zoden aan de dijk zet.

 

Frits Spangenberg, oprichter van onderzoeks- en strategieontwikkelingsbureau Motivaction, is allesbehalve verrast. ‘Ik zag in de Volkskrant en het NRC op oudejaarsdag paginagrote advertenties met een foto van een tot ambulance omgebouwde Hummer, waaronder de tekst: “Hoever moet het komen?” Hoeveel mensen van het slag dat hulpverleners attaqueert denk je dat die advertentie zien? Niet één.

 

Maar nu komt het cynische. In dezelfde krant lees ik een artikel over een jongeman die bij een routinecontrole een politieman een aantal vuistslagen in het gezicht gaf en daarom van de rechter een taakstraf van 20 uur heeft gekregen. Een taakstrafje! En dan zegt iemand van het Openbaar Ministerie er vergoelijkend bij dat die jongen nog geen strafblad had. Nee, dan heb je natuurlijk nog enig recht om een agent eens een keer in zijn gezicht te slaan. Aan de ene kant die campagne en aan de andere kant zo’n bericht. Wat een fantastische mismatch.’

 

Verschillende werelden

 

Spangenbergs belangrijkste punt is dat de overheid en haar dienaren enerzijds en ‘hufters’ anderzijds in volstrekt verschillende werelden leven. Campagnes als ‘Handen af van onze hulpverleners’ doen een moreel appèl op een type mens dat zich daar helemaal niet door voelt aangesproken. Het rechtssysteem maakt dezelfde fout. ‘De strafmaat is gebaseerd op gelijkheid, niet op effectiviteit. Terwijl we weten dat voor bepaalde individuen het afpakken van de mobiele telefoon effectiever is dan 20 uur taakstraf.

 

Al was het maar omdat deze individuen weliswaar de krant niet lezen, maar wel weten dat je beter niet kunt komen opdagen bij je taakstraf, omdat er zelden een tweede oproep volgt. Maar als overheid mag je niet gedifferentieerd over straffen denken, want iedere burger is gelijk.’

 

In de jaren negentig ontdekte Spangenberg dat traditionele modellen om de samenleving te verklaren - jong of oud, man of vrouw, hoog- of laagopgeleid, arm of rijk - steeds minder voldeden. Hij ontwikkelde een waarden- en leefstijlmodel, Mentality genaamd, dat inzicht geeft in de belevingswereld van mensen. Het model kent acht sociale milieus, van ‘traditionele burgerij’ tot ‘post-moderne hedonisten’. De ene groep mensen vindt bijvoorbeeld status heel belangrijk, terwijl de andere groep zich veel meer richt op het scherpen van de geest.

 

‘Wij zien dat deze verschillende segmenten steeds duidelijker contouren krijgen. Dat komt door het biologische principe “soort zoekt soort” en doordat gelijkgestemden elkaar door toegenomen rijkdom en uitbundige communicatiemogelijkheden gemakkelijker vinden.

 

Dit wetende, moet een overheid die een campagne wil voeren dus heel goed weten op welk segment ze mikt. En daar gaat het mis. Mensen die de Volkskrant of het NRC lezen, vinden het scherpen van de geest belangrijk. Dat zijn niet de mensen die hulpverleners attaqueren. Paginagrote advertenties in die kranten zijn dus louter zelfbevestiging.’

 

Gemaksgeoriënteerden

 

Wat voor mensen zijn de belagers van hulpverleners wel? Spangenberg omschrijft: ‘Ze hebben een impulsieve, gemaksgeoriënteerde levensstijl. Ze ervaren een hoge mate van onzekerheid, zijn sterker dan gemiddeld gefrustreerd en meer dan gemiddeld gefocust op materialisme.’ Hij voegt er enkele kenmerken uit de meer ‘traditionele modellen’ aan toe. ‘Je vindt ze meer dan gemiddeld terug in achterstandswijken.

 

Het zijn vaker jongeren, doordat die minder in staat zijn de consequenties van hun handelen te overzien. Maar ook mensen die het stadium van volwassenwording niet hebben doorgemaakt. Hooligans bijvoorbeeld zijn veelal rond de 30. Zij hebben in hun vormende periode niet geleerd wat het verschil is tussen goed en kwaad. Daar zijn ze altijd mee weggekomen, nooit op gecorrigeerd.’

 

Als het aan Spangenberg ligt, kunnen niet alleen campagnes tegen hufterig gedrag, maar alle overheidscampagnes die gedrag willen beïnvloeden per direct worden beëindigd. ‘Het is een industrie geworden, die zichzelf in stand houdt. Het betekent werkgelegenheid voor wat reclamebureaus, maar daar is ook alles mee gezegd. Heb je ooit iemand horen zeggen: “Goh, ik wilde een heleboel vuurwerk kopen, maar ik lees nu net in de krant dat vuurwerk best gevaarlijk is. Dat wist ik nog niet. Nu koop ik maar geen vuurwerk.” Het is echt weggegooid geld. Ik ben het heel erg eens met minister Schippers, die de gezondheidscampagnes heeft stopgezet. Te veel eten, te veel roken, te weinig bewegen, is slecht voor je. Dat weet echt ie-der-een.’

 

Hooligan

 

In plaats daarvan moeten publieke dienstverleners gaan beseffen dat hun normen- en waardenpatroon geheel anders is dan dat van hufters. ‘Hufters, ik zeg het gechargeerd, worden nog altijd behandeld als mensen die een moeilijke jeugd hebben gehad of die een of andere stoornis hebben waardoor ze moeten worden ontzien.

 

Een pijnlijk voorbeeld is de hooligan die de keeper van voetbalclub AZ aanviel. Wat je leest, is dat hij een aandoening heeft waardoor hij zich wel provocatief móet gedragen. Hij kan er ook niks aan doen, is de teneur. Die manier van denken hoort bij de belevingswereld van jou en mij - en ik denk bij het grootste deel van de Binnenlands Bestuur-lezers: omdat een normaal mens zoiets niet doet, moet er wel iets aan de hand zijn met een persoon die zoiets wél doet.

 

En als er dan een plausibele verklaring is gevonden - een moeilijke jeugd, adhd, verzin het maar - dan moet zo’n jongen een herkansing krijgen. Ik ken nogal wat rechters die zo denken. Ze kijken, net als de meeste functionarissen in publieke dienst, met een hoge mate van maatschappelijk idealisme naar de samenleving. En vergeten dat niet iedereen zo is.

 

Want ondertussen weten we dat die hooligan een stadionverbod heeft, dat hij in supermarkten tegen de schappen staat te urineren, dat zijn broertje de stadionkaartjes voor hem heeft gekocht en een vriend met hem een weddenschap heeft afgesloten om die keeper aan te vallen. Maar door de gestelde diagnose wordt niemand aansprakelijk gesteld. Dat kan dus niet. Een paar jaar geleden molesteerde een groep Marokkaanse jongeren het ambulancepersoneel dat een van hun kameraden uit het Mirandabad in Amsterdam kwam ophalen, omdat hij te veel had gedronken en geblowd. Anderhalf jaar later kwam de zaak voor, anderhalf jaar later! De rechter sprak ze vrij, omdat niet was aan te tonen wie wat had gedaan.’

 

Ik pleit niet voor strenger straffen, maar voor effectiever straffen. Dat streven naar effectiviteit ontbreekt volledig, niet alleen in onze rechtspraak maar in bijna de gehele publieke dienstverlening. Iedereen is gelijk, dus voor iedereen gelden dezelfde rechten en dezelfde straffen. Prachtig. Maar het werkt niet.’ 


CV Frits Spangenberg

Drs. Frits Spangenberg (1948) studeerde sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1984 richtte hij Motivaction International op, dat zich bezighoudt met opinie-, beleids- en marktonderzoek voor bedrijven, overheden en instellingen. In 1997 introduceerde hij het waarden- en leefstijlonderzoek Mentality. In 2005 trok hij zich terug uit de dagelijkse leiding van Motivaction. In 2005 en 2009 verschenen zijn boeken over ‘De grenzeloze generatie’, die hij samen schreef met Martijn Lampert.


Redeloze woestelingen

Wie denkt dat geweld tegen politie en hulpdiensten typisch iets van deze tijd is, komt bedrogen uit. Tijdens de jaarwisseling van 1963 op 1964 telde vermoedelijk alleen Friesland al meer incidenten dan geheel Nederland nu.

 

‘Heerenveen heeft een van de rumoerigste jaarwisselingen sinds jaren beleefd. De baldadigheden bereikten een triest hoogtepunt, toen jongelui de Heerenveense brandweerlieden molesteerden. De spuitgasten werden niet alleen van achteren besprongen, ze kregen ook klappen en moesten tenslotte tegen deze overmacht van tierende lawaaischoppers het veld ruimen.’ Zo beschreef De Friese Koerier op 2 januari 1964 oudejaarsnacht in Heerenveen. Een brandweerman brak zijn pols, tientallen ruiten sneuvelden, mensen werden ‘hartstochtelijk’ afgetuigd. ‘Vergeefs was een beroep op redelijkheid, want de woestelingen waren redeloos’, schrijft de krant.

 

Ook in Gorredijk en Steenwijkerwold liep de viering uit op vechtpartijen en vernielingen. In Drachten loste de politie waarschuwingsschoten, aldus de krant onder de kop ‘Onprettig feestvieren’. ‘De Drachtster jeugd heeft dit jaar een slechte beurt gemaakt.’ Overigens waren deze ongeregeldheden niet het belangrijkste nieuws voor De Friese Koerier. De stijgende spanning op Cyprus was de opening van de krant.

 

Tijdens oudjaar 1959, 4 jaar eerder, voerde de politie van Den Haag charges uit met ‘blanke sabel’. Een politieadjudant liep een jukbeenfractuur op. ‘Dertien politieauto’s werden beschadigd, waarbij er enkele waren waarvan alle ruiten sneuvelden. Hoe vernielzuchtig men te werk ging, blijkt wel uit het feit dat van een ambulancewagen van de ongevallendienst, op weg naar een verkeersongeluk, alle ruiten werden ingegooid. Een brandweerman werd door een steen dusdanig aan zijn schouder gewond dat hij voorlopig geen dienst meer zal kunnen doen.’

 

Zelfs voor de oorlog was het al hommeles. Volgens het Algemeen Handelsblad van begin 1939 moest de politie in Den Haag ‘forsch’ optreden. ‘Tusschen 3 en 4 uur nam het rumoer zoo grooten omvang aan, dat de politie met den gummistok tusschenbeide is moeten komen. In de Van Ravesteinstraat werd zelfs met steenen naar de agenten gegooid, waarop twee schoten ter waarschuwing zijn gelost. Eerst daarna keerde de rust geleidelijk terug.’


Van kwaad tot erger?

 

Uit tweejaarlijks onderzoek uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken blijkt dat werknemers met een publieke taak steeds minder te maken hebben met ‘ongewenst gedrag’ van het publiek. Daaronder valt niet alleen fysiek, maar ook verbaal geweld, intimidatie en discriminatie.

 

In 2007 had 48 procent van alle brandweerlieden te maken gehad met ongewenst gedrag, in 2009 45 procent en in 2011 44 procent. Voor politieagenten veranderde er niet veel: bijna driekwart heeft jaarlijks te maken met ongewenst gedrag. Onder ambulancepersoneel vond een drastische daling plaats: van 89 procent in 2007 naar 83 procent in 2009 naar 79 procent in 2011.

 

Veruit het grootste deel van het ongewenste gedrag betreft verbale agressie (rond de 60 procent). In 20 procent van de gevallen gaat het om fysieke agressie. ‘Het percentage slachtoffers van fysiek geweld is signifi cant afgenomen’, meldt de rapportage Agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. Binnen de ambulancezorg lopen de meningen over deze rapportage uiteen. Tegen Zorgvisie.nl stelde Martin Smeekes, directeur Ambulancezorg van de veiligheidsregio Noord-Holland Noord dat de cijfers dalen omdat ambulancemedewerkers incidenten steeds minder melden.

 

Patrick Nijman, voorzitter van CNV Ambulancezorg, vindt daarentegen dat geweld tegen ambulancepersoneel wordt overtrokken. Jaarlijks is er zo’n tiental gevallen met daadwerkelijk ernstig fysiek geweld tegen ambulancepersoneel. Dat is zeer kwalijk, maar op 900 duizend ambulanceritten per jaar valt dat gelukkig nog mee. We moeten niet net doen alsof het dagelijks voorkomt. Het blijven gelukkig incidenten.’ Nijman staat achter de campagne ‘Handen af van onze hulpverleners’, omdat 4 op de 5 ambulancemedewerkers jaarlijks met een vorm van geweld te maken krijgt.

 

‘Maar dat betekent nog niet dat meer dan 80 procent van het ambulancepersoneel geregeld klappen krijgt. Wie 10 minuten op een ambulance moet wachten terwijl z’n zus op straat ligt te bloeden, kan emotioneel reageren. Maar dit is iets heel anders dan agressieve bemoeienis van omstanders. Ik mis dat onderscheid een beetje.’

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Nico Jan van Hemel (Zelfstandig copywriter) op
Overheidscampagne en zinloos g(ew)eld?

Met ‘Echt weggegooid geld’ doet socioloog Frits Spangenberg de campagnes van de overheid af als ‘zinloos’. Spangenberg voert naar mijn mening een sterk pleidooi. Het is alleen niet een pleidooi om overheidscampagnes af te schaffen maar om anders om te gaan met het kijken naar zinloos geweld. En om misschien eens na te gaan denken over gedifferentieerd straffen. Dat is dus een heel andere discussie. Verschillen bestaan in Nederland. Niet alleen tussen man en vrouw, allochtoon en autochtoon maar ook tussen soort. En de soort ‘overheidsdienaren’ is een andere dan de soort ‘hufters’. ‘Dit wetende’, zo vervolgt Spangenberg, ‘moet een overheid die een campagne wil voeren dus heel goed weten op welk segment ze mikt. En daar gaat het mis.’ De verhufterde elementen die hulpverleners attaqueren zijn niet de lezers van de Volkskrant of het NRC. Zijn stelling betreft dus veel meer zijn kijk op mediaplanning en niet zozeer de vraag of overheidscampagnes ‘zinloos geld’ zijn. Want natuurlijk zijn overheidscampagnes wel degelijk effectief. 80% van de Nederlanders is zat van het geweld tegen hulpverleners. De campagne van Sire in het voorbeeld (en dus in dit geval niet de overheid!) is een teken van erkenning en respect voor onze hulpverleners. Het zet gezond denkend Nederland aan om op te komen tegen geweld tegen hulpverleners. Om mogelijke oplossingen aan te dragen. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat voor ‘reclame’ van de overheid andere wetten gelden dan voor laten we zeggen Albert Heijn. Denk maar eens aan onze BOB, of de campagne ‘Veilig internetten’ (de fantastische ‘viral’ Stanislav), het zijn actuele voorbeelden van campagnes die bewezen effectief zijn. Ze maken wat mij betreft Spannenbergs stelling ‘zinloos’ wel wat erg kort door de bocht. Kortom, zolang de overheidscampagne inhoudelijk relevant is (whats in it for me?), opvalt en lang loopt dan heeft het wel degelijk zin.

www.nicojanvanhemel.nl

Copywriter

Vacatures

Van onze partners