of 59345 LinkedIn

Dubbele ramp

Bij de brand in het bedrijf Chemie Pack in Moerdijk ging er van alles mis, niet in de laatste plaats bij de informatievoorziening door de overheid. Wat zijn de te leren lessen?

Al snel nadat op 5 januari in de middag de explosies dikke rookwolken de lucht in brachten, werd duidelijk dat er geen slachtoffers waren. En toen bleef het stil. Website crisis.nl was door een technisch mankement niet beschikbaar, het landelijke publieksnummer 0800-1351 niet bereikbaar. Daarna ontstond dagenlang verwarring over de gevaren van de uitstoot en gebrek aan informatie. De media kopten: ‘Moerdijk vooral een communicatieramp’.

 

Naast toxicologen en milieu- en gezondheidsdeskundigen, zijn het ook hoogtijdagen voor experts op het gebied van crisiscommunicatie. Ze spreken over ministers die ‘verkeerde signalen geven’ en over burgemeesters die ‘verwarrende informatie te laat en onvolledig op het verkeerde moment lanceren’. De bestuurders maakten onvoldoende gebruik van wat de klassieke - en sociale media brachten.

 

Met stijgende verbazing heeft Hans Siepel het verloop van de brand en de nasleep gevolgd. Siepel is medeauteur van het boek Als het op communiceren aankomt. Het boek richt zich vooral bestuurders die met een calamiteit te maken krijgen.

 

‘Ook in Moerdijk’, stelt Siepel vast, ‘zie je dezelfde patronen en valkuilen. Bestuurders en communicatieadviseurs die uitgaan van hun eigen positie, terwijl de centrale vraag is: “Aan welke informatie hebben de mensen behoefte en kan ik die leveren?” Kan ik dat, dan is dat mooi; kan ik dat niet, dan ga ik uitleggen waarom.’

 

In plaats van die vragen te stellen, zijn de bestuurders en hun staf - zoals vaker in het verleden - in hun ‘dagelijkse reflex geschoten’, legt Siepel uit. ‘Eerst wordt gewacht om met een mededeling te komen tot er een zo compleet mogelijk beeld is. Dat is niet verstandig. Wat je bij crisiscommunicatie meteen moet doen is de schade beperken. “Houd ramen en deuren dicht! We weten nog niet precies wat de gevolgen van de brand zijn. De eerste voorlopige metingen laten niets kwalijks zien, maar je weet maar nooit”. Van die teksten. Laat je onzekerheid doorklinken.’

 

De reflex, waar Siepel op duidt, heeft te maken met de dagelijkse praktijk waarin een bestuurder communiceert. ‘Je brengt als bestuurder iets naar buiten als je er helemaal zeker van bent. Dat verwacht de bevolking onder normale omstandigheden ook.’

 

Maar bij een crisis gelden andere communicatiewetten. ‘Het gaat erom je in te leven in de positie waarin de bevolking zich bevindt. Als je gaat zeggen dat het allemaal wel meevalt - en dat is op dat moment misschien ook zo - dan zul je toch ook de zorg moeten verwoorden.’

 

In een crisiscentrum moet je je realiseren dat de mensen een pikzwarte wolk op zich af zien komen, zegt Siepel. ‘Ze zien het live, op televisie of via een gsm. Daar moet je wat mee.’ Dan moet een autoriteit niet in beeld gaan staan en zeggen dat alles wel meevalt. Het doet volgens Siepel denken aan het optreden van Mohammad Saeed al-Sahhaf, de Iraakse minister van Informatie tijdens het regiem van Saddam Hussein. Die beweerde voor de camera’s van CNN dat de overwinning nabij was, terwijl Amerikaanse tanks en vliegtuigen op de achtergrond naderbij kwamen.

 

Dat er een sterke persoonlijkheid naar buiten treedt, is alleen maar meegenomen. Siepel wijst naar premier Anna Bligh van het door overstromingen getroffen Australische Queensland. ‘Ze communiceert vanaf het eerst ogenblik open, transparant, heeft bemoedigende woorden, maar blijft de realiteit schetsen.’

 

De persconferentie is vaak een noodzakelijk kwaad, weet Siepel. Op een zeker moment is het handig om de media op één punt tegelijk in te lichten. De pers vraagt er vaak zelf om. Siepel ziet te vaak - ook nu weer in de Moerdijkse aanpak - dat de burgemeester het gevoel heeft daar de boventoon te moeten voeren. ‘Als bestuurder zit je daar als vertegenwoordiger van de overheid. Dan moet je niet allerlei stukken uit een RIVM-rapport gaan voorlezen. Laat de toelichting over aan de deskundige van het RIVM. Stel desnoods zelf vragen als je de indruk hebt dat het publiek dezelfde vragen heeft.’

 

De bestuurder kan in een lastig parket zitten. Bepaalde informatie kan of mag op een bepaald tijdstip - nog - niet naar buiten. Dat is ook gebeurd in Moerdijk. De lijst met stoffen die bij het bedrijf opgeslagen waren, werd door het Openbaar Ministerie in beslag genomen. Het OM deed dat in het belang van het strafrechtelijk onderzoek, werd gezegd.

 

Siepel: ‘Dat maakte het niet gemakkelijker voor de burgermeesters. Het wekte de indruk dat er belangrijke informatie werd achtergehouden.’ Burgers zijn niet gek, zegt Siepel. ‘Ze stellen zich de vraag: Waarom wordt deze lijst geheim gehouden? Wat kan het voor kwaad als wij weten wat er in de lucht is gekomen?’

 

Eigen belang

 

De bestuurders, maar ook instanties als het OM, moeten volgens Siepel het eigen belang soms laten varen. ‘Bij dit soort crises is het publiek belang groter dan het strafrechtelijke belang.’ Niet alleen wordt door de geheimhouding het wantrouwen gevoed. Door gebrek aan informatie wordt de informatiestroom warriger. In de zucht naar duidelijkheid gaan de media op zoek naar deskundigen die er toch iets over kunnen zeggen. Mensen gaan internet afspeuren. Er ontstaan fora en ander uitwisselingen.

 

Dat brengt Siepel op de tweede taak van de communicatie die vanuit een crisiscentrum moet worden uitgevoerd. Naast het geven van informatie, zullen ook ‘omgevingsanalisten’ hun werk moeten doen. Die analisten zijn oog en oor van de bestuurders. ‘Wat leeft er onder de bevolking. Hoe komt de boodschap van de overheid over? Hoe reageren de omwonenden, maar ook wat speelt zich af op internet? Zijn er geruchten die absoluut niet kloppen of zitten er verhalen tussen waar het bestuur wat aan kan hebben?’

 

Zo open mogelijk

 

Menno van Duin is lector aan de Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid (NIFV) en de Politieacademie. Hij is het met Siepel eens dat bestuurders zo open mogelijk naar het publiek moeten zijn. ‘Hoe lastig dat ook kan zijn. Aan de ene kant vertrouwen uitstralen en ook nog in alle eerlijkheid zeggen: “Wij weten ook nog niet alles”.’

 

Van Duin vindt de vergelijking die wordt gemaakt tussen het optreden van burgemeester Van der Laan van Amsterdam in de zaak van het Hofnarretje en het gedrag van de autoriteiten bij de Moerdijk-ramp, niet opgaan. ‘Van der Laan krijgt terecht veel lof. Er is meteen open en direct gecommuniceerd naar de ouders van de mogelijke slachtoffertjes van het misbruik. Dat is ook gedaan richting pers. Bij crises als Moerdijk, Enschede of Volendam, ligt het toch anders. De overheid is daar veel meer partij in en draagt een veel grotere verantwoordelijkheid dan bij het seksschandaal in Amsterdam.’

 

Het is niet zo vreemd dat bij calamiteiten waarbij de overheid meer betrokken is, burgers kritischer worden. Al snel wordt vermoed dat de bestuurders eventuele fouten of vervelende resultaten van onderzoek af willen dekken. Dat is in de Moerdijk- kwestie ook goed te zien, vindt Van Duin. Op internet wemelde het al snel van de reacties in de trant van “De burgemeester zegt: Ga maar lekker slapen, jaja”. De naam van burgemeester Denie van Moerdijk werd verhaspeld tot deny - van het Engelse ontkennen. De pers dook op het woordje ‘ramp’ dat VVD-minister Opstelten van Veiligheid en Justitie bij een bezoek aan het getroffen gebied bezigde. Normaal zou niemand over zo’n kwalificatie vallen, maar nu werd gezegd: Er was toch niets aan de hand, hoe kon ‘Moerdijk’ dan ineens in de ogen van de minister een ‘ramp’ zijn?

 

De bestuurders leunen in het algemeen te veel op de klassieke media, vindt Van Duin. Die faalt nogal eens. ‘De regionale omroepen RTV Rijnmond en Omroep Brabant doen hun best om als rampzender hun rol te vervullen. Maar dan moeten ze wel voldoende informatie van het crisiscentrum krijgen. Ze vervullen natuurlijk ook nog hun taak als nieuwszender.’

 

Voor de berichtgeving op nationale tv-zenders leunen is ook niet verstandig, is in het verleden gebleken, onder andere na de vuurwerkramp in Enschede en ook na de cafébrand in Volendam. ‘Het duurde toen heel lang voordat de NOS in de lucht was, en dat was nu weer zo. Het commerciële RTL Nieuws was nog eerder.’

 

Van Duin heeft gezien wat er vervolgens gebeurt. ‘De overheid schiet in de bekende kramp. Misschien is “spagaat” een beter beeld. Er wordt aan de officiële media beperkte informatie gegeven, want men realiseert zich dat je daar later op afgerekend kan worden.’

 

Het publiek - zeker jongeren - gaan via Twitter, Hyves en ander kanalen met elkaar communiceren. Ze gaan ‘om de officiële kanalen heen’, omdat ze een onprettig gevoel hebben bij de berichtgeving. Zo kan het gebeuren dat een loslopende brandweerman wordt gevraagd of hij het benauwd heeft. Zijn kuchende antwoord gaat zo het internet op, als bewijs dat het wel degelijk gevaarlijk is bij de brandhaard.

 

Bij gebrek aan informatie gaan ook klassieke media steeds meer hun eigen gang. Die roepen deskundigen naar de studio en vragen of die misschien weten wat er aan de hand is. Van Duin wijst op een voorval dat veel kwaad heeft gedaan: ‘Tot overmaat van ramp was bij een persconferentie over de meetresultaten van het RIVM niet gesproken over de verhoging van lood in een bepaald gebied. Wat denk je dat de kijkers denken als een toxicoloog later op de dag op televisie gaat zeggen dat ergens verderop in het rapport die gegevens stonden?’

 

Volgen van media

 

Net als Siepel vindt Van Duin dat er ook een andere les uit ‘Moerdijk’ getrokken kan worden. Het volgen van media moet veel intensiever. ‘Daar is nog onvoldoende aandacht voor’ weet hij, ‘Het kan bijvoorbeeld gaan om het reageren op een uitzending van SBS. Die zender kwam met het - niet kloppende - bericht dat de evacuatie van Zwijndrecht was begonnen. Daar moet je meteen op anticiperen. Dat gaat ook op voor hardnekkige lariekoek die op internet wordt gespuid. Dat kan veel onterechte angst wegnemen.’

 

Een week crisiscommunicatie

 

Woensdag 5 januari
14:30 uur
De brandweer probeert een grote brand bij het chemisch bedrijf Chemie-Pack in Moerdijk te blussen door er een deken van blusschuim overheen te leggen. Er ontstaat een grote rookwolk.
15.30 uur
Hoogste alarmfase in Veiligheidsregio’s Zuid-Holland Zuid en Brabant-West. RTV Rijnmond en Omroep Brabant worden rampzender. In delen van de Hoekse Waard gaan sirenes af.
19.00 uur
Website crisis.nl en het publieksnummer 0800-1351 zijn tijdelijk uit de lucht. Moerdijk meldt bij monde van burgemeester Denie dat het RIVM geen gevaarlijke stoffen in de lucht heeft gemeten. De politie adviseert: ramen en deuren dicht.

 

Donderdag 6 januari
Op een persconferentie herhaalt burgemeester Peter van der Velden van Breda dat nergens schadelijke stoffen zijn aangetroffen. Het advies is wel: kinderen niet buiten laten spelen en geen groenten uit de tuin eten. Bewoners krijgen een brief van het RIVM: de uitslagen van de luchtkwaliteitmetingen zijn ‘niet verontrustend’.

 

Vrijdag 7 januari
De lijst met giftige stoffen blijft geheim.

 

Zaterdag 8 januari
Een gezondheidsonderzoek wordt aangekondigd door de Bredase burgemeester. De lijst met giftige stoffen wordt vrijgegeven. Veel onrust tijdens bewonersbijeenkomst in Moerdijk.

 

Zondag 9 januari
Een brief van burgemeester Denie (Moerwijk). Er komt geen grootschalig gezondheidsonderzoek. Wel gaan de hulpdiensten een onderzoek doen. Wie klachten heeft, wordt geadviseerd naar de huisarts te gaan.

 

Maandag 10 januari
De ministers Opstelten (Veiligheid en Justitie) en Schippers (Volksgezondheid) bezoeken Moerdijk, maar ze komen het busje waarmee ze worden rondgeleid niet uit. Op de aansluitende persconferentie spreekt Opstelten over een ‘ramp’. Een woordvoerder van Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid verklaart dat een bewonersbijeenkomst voor omwonenden niet nodig is. De metingen geven immers geen alarmerende uitslagen te zien.

 

Dinsdag 11 januari
Op een persconferentie meldt het RIVM dat dioxine is aangetroffen in roetdeeltjes. Wie goed zoekt in het rapport, leest dat in de Mariapolder een hoge loodconcentratie is aangetroffen. Dat vertelt een toxicoloog later op de dag in het televisieprogramma Nieuwsuur, op de persconferentie komt het niet aan de orde.

 

Woensdag 12 januari
Bewonersbijeenkomsten in Hoekse Waard. Er blijkt nog veel ongerustheid bij de omwonenden te zijn.

 

Donderdag 13 januari
Spoeddebat in Tweede Kamer. Minister Opstelten van Veiligheid is het eens met de kritiek op communicatie. ‘Hierbij is het gezag van de overheid in het geding’, zegt de minister, ‘we moeten hier lessen uit leren.’ De communicatie is onderdeel van de gestarte onderzoeken naar de gang van zaken tijdens en na de brand in Moerdijk.

 

Rampinflatie
Communicatiedeskundige Menno van Duin ziet de aandacht voor ‘calamiteiten’ groeien. Van Duin: ‘Er is een neiging meer dan vroeger situaties als “ramp” te bestempelen.’ Toen in 1977 hotel Polen in Amsterdam afbrandde en 33 personen om het leven kwamen, werd er in de media kortstondig aandacht besteed aan de brand. Bij de brand in ‘t Hemeltje in Volendam in de Nieuwjaarsnacht van 2001 waarbij veertien doden te betreuren waren, was dat geheel anders. Uit een vergelijkend media- onderzoek kwam naar voren dat het NOS Journaal destijds in totaal vier keer aandacht besteedde aan hotel Polen waarvan één keer als hoofditem.

 

De brand in Volendam was alleen al in de eerste maand dertien keer onderwerp van aandacht, waarvan zeven maal hoofdonderwerp.’ Dat aantal is na een krappe 2 weken bij ‘Moerdijk’ nu al gehaald. Van Duin: ‘Het begrip ramp werd in 1977 niet gebezigd. Er is, wat mij betreft sprake van “rampinflatie”. Gebeurtenissen die vroeger weinig tot nauwelijks aandacht kregen, krijgen nu om uiteenlopende redenen veel meer aandacht en worden ook vaker en sneller als ramp betiteld.’ De media zwepen elkaar op en daarmee neemt ook de druk op bestuurders toe. ‘Zeker omdat internet en de sociale media een snel groeiende rol gaan spelen. Iedereen is een medium geworden.’

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Vacatures

Van onze partners