of 59162 LinkedIn

Waarom uitwerking van klimaatakkoord niet verder komt

Jos Benner en Pieter van Eijsden Reageer

Al maanden zijn tientallen organisaties en honderden mensen bezig met de uitwerking van het klimaatakkoord. Onze regering wil via klimaattafels namelijk het klimaatakkoord invullen.

Daarom spreken meer dan 300 deelnemers uit alle sectoren van de samenleving over maatregelen om in 2030 tenminste 49 (of liever nog 55) procent CO2-uitstoot te reduceren, ten opzichte van 1990. Inmiddels zijn we ruim acht maanden in onderhandeling over mogelijke maatregelen aan vijf sectortafels en 34 subtafels. Maar het gaat moeizaam en leidt amper tot resultaat. Zo verspillen we veel tijd en geld. Hoe kan dat, terwijl alle betrokkenen zo overtuigd zijn van het belang?

 

De gedachte samen aan de slag te gaan is goed. Wat echter nog niet goed gaat, is dat de klimaattafels nationaal zaken bespreken, die regionaal spelen, zonder goed te luisteren naar de rijke ervaringen uit de (pilot)regio’s. En juist de tafels waar wel nationale vraagstukken spelen, zoals multinationale bedrijven en zware industrie, boeken amper voortgang, mede omdat daar belangen verder reiken dan alleen Nederland.

 

Minister Wiebes eist bovendien van de betrokkenen dat zij met plannen komen om de transitie-opgave te realiseren. Plannen die – zo benadrukt hij - niets extra mogen kosten en door iedereen geaccepteerd moeten worden. De rijksoverheid neemt daarentegen zelf weinig verantwoordelijkheid – lees: geld en aanpassingen van wet- en regelgeving- om te helpen.

 

Het interbestuurlijke programma - waarbij het Rijk, gemeenten, provincies en waterschappen gezamenlijk grote maatschappelijke opgaven aanpakken – laat weliswaar zien dat er aandacht is voor samenwerking en verbinding. Ideaal (en ook heel logisch) zou zijn dat de overheden zich samen verantwoordelijk voelen voor de energietransitie in samenhang met  andere maatschappelijke vraagstukken, zoals bijvoorbeeld het tekort aan woningen in de steden. Maar nog te vaak leidt het overleg nu alleen tot het aanwijzen van een verantwoordelijke voor de aanpak en niet tot gezamenlijke doelen en afspraken over ieders bijdrage. En dat is zonde.

 

Om tot echte transitie te komen, is leiderschap nodig en samenwerking op basis van een zogeheten ‘gedeeld eigenaarschap’. Daarmee bedoelen we dat niet de overheid bepaalt wat er moet gebeuren, maar dat inwoners, bedrijven, woningcorporaties, netbeheerders meebepalen wat regionale doelen zijn en welke acties nodig zijn om die te realiseren. En dat ook voor al die partijen duidelijk is wat hun eigen belang is om mee te doen. Dat kan de toekomst van je kinderen zijn, maar ook een korte termijn doel als meer wooncomfort tegen lagere kosten. Of een betere luchtkwaliteit. Of doorstroming op de weg. Zo’n andere aanpak leidt tot regionaal herkenbare doelen en vergroot de kans dat ieder mee gaat doen aanzienlijk. De overheid moet hier ruimte voor bieden en aan bijdragen.

 

Daarnaast moeten overheden en betrokken partijen de beste mensen inzetten, met de juiste competenties; niet alleen energie-experts en technische specialisten, maar ook sociale wetenschappers, verbinders en regionale boegbeelden die wat voor elkaar kunnen krijgen.  Als dat gebeurt, ontstaat een stevig fundament voor de verdere acties. Alleen dan bereiken we meer en sneller resultaat, tegen minder kosten. De sleutel tot succes ligt immers in de samenwerking tussen overheden en bedrijven, instellingen, inwoners en andere betrokkenen. Alleen als iedereen zijn uiterste best doet, en in staat wordt gesteld ook een passende bijdrage te leveren, behalen we in 2030 meer dan 30 procent CO2-uitstootreductie.

 

Gedeeld eigenaarschap met de overheid als aanjager is de oplossing. Dat vereist een fundamenteel andere benadering en inzet van de juiste competenties. Alleen dan kunnen we de 49 procent halen, redelijk betaalbaar én met draagvlak.

 

Jos Benner en Pieter van Eijsden, adviseurs bij Lysias Advies

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.