of 59281 LinkedIn

Onlosmakelijke samenhang, wijziging 2.7, eerste lid, Wabo

Reageer
 

ABRvS 12 juni 2006, LJN CA2986

Deze uitspraak gaat over onlosmakelijke samenhang als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo. Dit artikel is met ingang van 25 april 2013 gewijzigd. Zowel de oude tekst van artikel 2.7 als de nieuwe tekst van artikel 2.7 van de Wabo komt in de uitspraak aan de orde.

Het college van Schiedam had, voor zover van belang, een omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van werkzaamheden in verband met het bouwrijp maken van een projectgebied - Park A4 - . Dit projectgebied zou  later nog zou worden ingevuld. Tevens zag de vergunning op de activiteit ‘planologisch strijd gebruik’ in verband met de bouw van drie luifels en een zettingsvrije plaat met een lengte van 218 meter, die nodig waren voor het bouwrijp maken van de grond. Voor het bouwen van de luifels en de zettingsvrije plaat was geen omgevingsvergunning aangevraagd en dus ook niet verleend.

Appellant betoogde dat de aanvraag van de omgevingsvergunning ook had moeten zien op de inrichting van het Park A4, alsmede op de bouw van de zettingsvrije platen en luifels.

Appellant meende daartoe allereerst dat het bouwrijp maken noodzakelijk was om tot de inrichting van het Park A4 te komen. De Afdeling gaat daar niet in mee. Weliswaar is het bouwrijp maken van de grond gericht op de bouw en de aanleg van de inrichting van het Park A4, maar nu dit bouwrijp maken vooraf gaat aan de toekomstige inrichting, zijn de activiteit bouwrijp maken en de activiteit bouw en aanleg van het Park A4 fysiek van elkaar te onderscheiden en doet de situatie van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, zoals deze voor 25 april 2013 luidde, zich niet voor.

 

Appellant betoogde wel op juiste gronden dat de aanvraag om omgevingsvergunning ook had moeten zien op de bouw van de zettingsvrije platen en luifels. Artikel 2.7, eerste lid van de Wabo, zoals deze voor 25 april 2013 luidde, stond er aan in de weg om eerst een omgevingsvergunning te vragen voor het planologisch strijdig gebruik voor het bouwen van de zettingsvrije platen en luifels en vervolgens op een later moment afzonderlijk een omgevingsvergunning aan te vragen voor het bouwen hiervan. De gemeente had de aanvrager ten onrechte op grond van artikel 4:5 niet in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. De omgevingsvergunning wordt daarom door de Afdeling op dit punt vernietigd.

 

De Afdeling ziet niettemin aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten vanwege de wijziging van artikel 2.7, eerste lid, Wabo per 25 april 2013. Met deze wijziging is mogelijk gemaakt om de activiteit planologisch strijdig gebruik en andere activiteiten waarop dat gebruik geheel of gedeeltelijk betrekking heeft, achtereenvolgens vergund te krijgen. Dit betekent dat de aanvrager thans voor de bouw van de luifels en zettingsvrije platen afzonderlijk een omgevingsvergunning kan aanvragen.

 

Overigens blijft volgens de parlementaire geschiedenis bij het gewijzigde artikel 2.7, eerste lid, Wabo de jurisprudentie over een bestemmingsplan en een artikel 19 WRO-vrijstelling, dan wel een projectbesluit ex artikel 3.10 Wro (oud) en concrete bouwplannen van toepassing. Dat betekent dat een ‘separate’ c-vergunning niet voor herhaalde toepassing geschikt is (zie bijvoorbeeld ABRvS 1 september 2010, LJN BN5725 en ABRvS 21 maart 2012, LJN BV9516).

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.