of 61441 LinkedIn

Kansen in de nieuwe ronde

© Shutterstock
© Shutterstock

Door het Brexit-gedoe duurt het nog wel even voordat de precieze omvang van de Europese meerjarenbegroting duidelijk wordt voor de periode 2021-2027. Stilzitten is het slechtste wat provincies en gemeenten kunnen doen. ‘Zet vast zoveel mogelijk projecten klaar’, adviseert Economische Zaken.

Meer Brussels geld naar technologie en integratie

Brussels geld
In de aanloop naar de Europese Verkiezingen op 23 mei worden in een aantal artikelen de kansen belicht die Europa met name decentrale overheden biedt.

In de nu nog lopende periode haalde Nederland tot dusver 4,7 miljard euro aan Brussels geld binnen – een bedrag dat uiteindelijk nog kan oplopen tot 7 à 7,5 miljard euro. Van dat totaal subsidiebedrag kwam ruim een half miljard bij de decentrale overheden terecht, met gemeenten als grootste ontvanger. Met de nieuwe programmaperiode van zeven jaar voor de boeg, is de vraag waar en voor hoeveel geld er dan kansen voor ze liggen.

Precies een jaar geleden, in mei 2018, werd in Brussel door de Europese Commissie een voorstel gedaan over de hoofdlijnen van de EU-begroting voor de periode 2021-2027. In dat voorstel staat wat de hoogte van het EU-budget is, waar het geld aan wordt uitgegeven en hoeveel iedere lidstaat moet bijdragen. Nu, twaalf maanden verder, is er over de hoogte van het budget nog steeds geen uitspraak te doen. Met name door het Brexit-uitstel komen de 27 regeringsleiders maar niet tot een beslissing. Wanneer dat wel zo is, is met geen zinnig woord te zeggen. Die andere vraag, op welke terreinen straks de kansen liggen voor de Nederlandse provincies, gemeenten en waterschappen, is iets makkelijker te beantwoorden. Op hoofdlijnen blijft namelijk veel hetzelfde, al vinden er beperkt wat verschuivingen plaats. Zo komt er (nog) meer geld voor innovatie en energietransitie, alsook voor migratie en integratie.

Met name het Horizon 2020-fonds (straks Horizon Europe genoemd) groeit fors: van 70 naar 100 miljard euro. Voor Nederland is dat belangrijk, want in de huidige periode was die pot goed voor bijna 60 procent van al het Brusselse subsidiegeld dat deze kant op vloeide, ruim 3 miljard euro. Daarmee is Nederland in omvang de zesde ontvanger, met een aandeel van 7,7 procent van de totale toekenningen tegenover een bijdrage van ‘slechts’ 5,2 procent. Dat is dus bepaald meer dan een fair share. De Horizon 2020-pot is een middel voor organisaties uit heel Europa ten behoeve van het stimuleren van zowel technologische als niet-technologische innovaties. Met een stijging van ruim 40 procent van het Horizon-budget, nemen de kansen voor Nederlandse aanvragers navenant toe.

Laagdrempelige projecten
Ook de hoofdthema’s van de andere programma’s bieden veel aanknopingspunten voor decentrale overheden om er projecten aan te koppelen. Op sociaal en maatschappelijk terrein komt er bijvoorbeeld veel meer geld voor integratie beschikbaar. Ingezet wordt op laagdrempelige projecten in combinatie met scholing. Vooral voor gemeenten met een bijvoorbeeld een azc op hun grondgebied of die veel vluchtelingen hebben gehuisvest biedt dat mogelijkheden.

Ook staatssecretaris Keijzer van Economische Zaken is enthousiast over de kansen die de nieuwe programmaperiode biedt. Dit ondanks het feit dat het kabinet minder geld naar Europa wil laten gaan. ‘Dat heeft consequenties voor de fondsen, want er is minder geld te verdelen’, zegt ze. Maar door de samenwerkingsagenda van het rijk, de gemeenten en de provincies en met name regionale ontwikkelingsmaatschappijen ziet ze het vooralsnog niet al te somber in. Wel kan het volgens haar nog enige tijd duren voordat de besprekingen over Europese begroting zijn afgerond. ‘Maar één ding: ga niet stil zitten wachten op dat moment, maar bereid je voor zodat je straks in 2021 al zoveel mogelijk projecten klaar hebt staan.’

Kansen te over dus in de nieuwe ronde. ‘Dat is het probleem niet’, aldus Vincent Ketelaars, directeur van ERAC. Het probleem schuilt veel meer in de concurrentie die moet worden gevoerd met andere overheden die een beroep doen op dezelfde subsidiepotjes. ‘Het gaat er vooral om dat je als gemeente of provincie excellente projecten hebt. Bij voorkeur gaan die ver voorbij de gemeentegrenzen of de grenzen van de provincie dan wel waterschap. Regionale samenwerking wordt erg gewaardeerd in Brussel’, zegt hij. ‘Daar is Nederland gelukkig goed in.’

Verder is van belang dat er in gemeente- en provinciehuizen Europees wordt gedacht. De projecten waarvoor EU-subsidie wordt aangevraagd moeten voor Europa zinvol zijn. ‘Een burgemeester vroeg me eens hoe zijn gemeente beter op de kaart kon worden gezet in Brussel. Ik heb hem geantwoord dat het omgekeerd moet zijn. Hoe zet je Europa op de kaart in jouw gemeente? Wat wil je als gemeente bijdragen aan Europa?’

Bedreigingen
Naast kansen liggen er – natuurlijk – ook bedreigingen op de loer. Zo is er toenemend verzet vanuit Europa-kritische landen tegen de grote stroom geld die vanuit Brussel richting steden vloeit. EU-landen met minder stedelijk gebied oefenen druk uit om meer middelen naar het platteland te laten gaan. Winst van EU-kritische partijen uit met name Oost-Europa bij de komende Europese verkiezingen zou extra voeding kunnen geven aan de druk meer subsidiegeld een niet-stedelijke bestemming te geven. Voor Nederland is zo’n ontwikkeling niet per se gunstig, omdat hier volgens EU-definities nauwelijks platteland is.

Een nieuwe economische crisis zou eveneens de kansen op Europese subsidies kunnen verkleinen. Gemeenten en provincies die zich dan gedwongen zien te bezuinigen, hebben dan mogelijkerwijs minder geld over voor de vereiste cofinanciering van Europese subsidieprojecten. Bij de vorige recessie was die negatieve invloed althans zichtbaar.

Hoewel het officiële streven is om de bureaucratie in te perken, is de kans reëel dat de administratieve lastendruk juist toeneemt. Dat komt dan door de keuze van het bundelen van een aantal sociale fondsen in het geïntrigeerde instrument ESF+. Dat moet volgens de Commissie een vereenvoudiging met zich meebrengen en dus minder administratieve lasten. Probleem is volgens Ketelaars echter dat de Commissie er twee afzonderlijke verantwoordingssystemen in vermengt: sturing door Brussel (EaSI en YEI) versus regionale programmering (ESF). Ketelaars ziet het lijk al drijven.

Maar in zijn ogen is en blijft de koers van Den Haag veruit de grootste bedreiging. Het kabinet zet er nog steeds op in om de bijdrage van Nederland aan Europa te verlagen. ‘Decentrale overheden worden daar de dupe van. Het geld dat ze nu uit Brussel krijgen voor projecten, krijgen ze nooit vanuit Den Haag. De Haagse werkelijkheid is een andere dan die in het stadhuis of provinciehuis.’


Rotterdam weet Brussel goed te vinden
In harde euro’s haalt de gemeente Rotterdam 47,6 miljoen euro Europees subsidiegeld binnen. De havenstad weet 12 verschillende programmapotjes aan te boren. Een kwestie van ervaring en netwerken. Hans Verdonk, de vooruitgeschoven post van de gemeente Rotterdam in Brussel, legt uit waaraan het succes zoal toe te schrijven is. Het is zeker niet zo dat hij in zijn kantoor in de Europese hoofdstad projecten zit te bedenken die EU-subsidie zouden kunnen opleveren. ‘Wij bedenken als gemeente geen projecten om EU-geld te krijgen. Wij gaan uit van onze eigen projecten en kijken vervolgens of daar uit nationale, provinciale of Europese middelen financiering voor te krijgen is’, aldus Verdonk. ‘Dat is de basis.’

De jarenlange ervaring van Rotterdam met EU-subsidies en de aanwezige expertise in eigen huis – er zijn naar schatting tien ambtenaren actief met het aanvragen en uitvoeren van subsidies – dragen zeker bij aan het succes. Daarbij is de gemeente kritisch op de slagingskans bij het indienen van een aanvraag. De voorbereiding van zo’n aanvraag is doorgaans erg arbeidsintensief. ‘Het heeft weinig zin voor een project van één ton 50.000 euro aan voorbereidingskosten te besteden met een slagingspercentage van maar 5 procent. Je kunt je capaciteit maar één keer inzetten’, zegt hij.

Bepalend voor het succes is het hebben van een groot, vooral internationaal netwerk. Veel EU-subsidies gaan naar grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten. De vele internationale contacten van Rotterdam helpen dan enorm. Niet zonder reden richtte de stad EUROCITIES op, het netwerk van grote steden in Europa. ‘Het hebben en kennen van partners is heel erg belangrijk’, zegt Verdonk. En last but not least: succes zorgt voor succes. Als je de buitenwereld een trackrecord kan laten zien, werkt dat wervend. Niet alleen richting de subsidieverstrekker, maar ook richting andere steden. Die zijn dan makkelijker tot samenwerking te verleiden. Verdonk: ‘En omgekeerd werkt het natuurlijk ook: buitenlandse partners weten je sneller te vinden.’

EU-subsidie gemeente Rotterdam *

ESF - Actieve Inclusie

21,2 miljoen euro

ESF - Duurzame inzetbaarheid

10.000 euro

ESF - Sociale Innovatie

380.000 euro

ESF – GTI

9,2 miljoen euro

Horizon2020

3,2 miljoen euro

Interreg 2 Zeeën

1,3 miljoen euro

Interreg VA Vlaanderen-Nederland

375.000 euro

Interreg VB Noordzee

1,2 miljoen euro

LIFE

4 miljoen euro

URBACT

250.000 euro

Urban Innovative Actions

3,9 miljoen euro

Elena

2,9 miljoen euro


*Cijfers afkomstig uit gemeentelijk administratie

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Gerelateerde artikelen

Vacatures

Van onze partners