of 59329 LinkedIn

Innoveer welzijn: sluit buurthuis

Reageer

Geef het welzijnswerk een paradoxale impuls door buurthuizen te sluiten. De welzijnswerkers moeten de buurt in.

Behalve de bezuinigingen, zijn er meer redenen waarom er welzijnsgeld verschoven kan worden van ‘stenen’ naar ‘handen’ of van ‘stenen’ naar besparing. De methode van werken moet aangepast worden aan de tijd, het bereik moet verbeteren en de welzijnsluiken moeten open.

 

Verandering komt echter niet vanzelf. Wie deze modernisering wil inzetten, moet keuzes durven maken. De gemeenten zijn nu aan zet. Het welzijnswerk moet vernieuwen. De moderne werker moet erop af, betogen deskundigen zoals Jos van der Lans. Hulp bieden en verbindingen leggen in de eigen omgeving van de mensen, in plaats van ze bezighouden in buurtcentra, daar gaat het om. Het garagemodel moet worden omgevormd tot een wegenwachtmodel. Aldus kan de civil society in stelling worden gebracht zoals bedoeld in de WMO.

 

Door deze werkwijze, die vooral in de eigen thuisomgeving van mensen plaatsvindt, worden veel welzijnspanden overbodig. Naast de verandering van methodologie, wordt met een andere aanpak een groter bereik mogelijk. Het aantal bewoners dat regelmatig aan buurthuisactiviteiten meedoet is verhoudingsgewijs veelal laag.

 

In plaats van een jaar lang elke week dezelfde vijftig sociaal geïsoleerde ouderen een middag te laten sjoelen, zou men maandelijks een nieuwe groep van vijf ouderen kunnen vormen die tijdelijk intensief wordt begeleid. Deze ouderen kunnen daarna hun eigen activiteit organiseren, met een welzijnswerker die op de achtergrond een vinger aan de pols houdt. Op de lange termijn biedt dat een groter bereik en een beter maatschappelijk resultaat.

 

Natuurlijk is het niet altijd zo simpel, maar het gaat om de essentie, namelijk het anders sturen op bereik en effect. Een ander punt is de overmaat aan ‘roostermanagement’. Het in beheer hebben van gebouwen door welzijnsinstellingen, maakt dat veel organisaties in de loop der jaren vooral zijn gaan handelen vanuit de gedachte: ‘Hoe krijgen we de woensdagochtend gevuld?’ In plaats van: ‘Welk probleem moeten we oplossen in de wijk?’

 

De lange termijn accommodatieverplichtingen die instellingen zijn aangegaan, maken vaak dat de focus van het beleid is verschoven van inhoudelijke methoden naar bedrijfseconomisch beheer. Prachtige gesubsidieerde cursusbureaus zijn dan het gevolg. De zaaltjes worden gevuld, maar of de problemen in de wijk gericht worden opgelost is een andere vraag.

 

Een bijkomend gevolg van het roostermanagement is dat er voor welzijn weinig prikkels bestaan om verbindingen te leggen richting andere accommodaties, zoals voetbalkantines, kerkzaaltjes of schoolgebouwen. Verkokering, leegstand en inefficiëntie zijn troef in het gemeentelijke sociale domein.

 

‘Na de brand in het buurthuis, konden we gelukkig binnen 2 weken al onze activiteiten elders onderbrengen’, kopte onlangs de nieuwsbrief van een welzijnsinstelling in het midden des lands. Niet verwonderlijk, want de ruimtes zijn er, maar het is zorgelijk dat er een brand aan vooraf moet gaan alvorens men de andere partners in de wijk opzoekt en ruimtes met elkaar deelt.

 

Het sluiten van het buurthuis is niet alleen een besparing op de accommodatielasten. Het dwingt vooral de welzijnswerker erop af te gaan richting bewoners en waar nodig de samenwerking te zoeken met andere spelers in het sociale domein. Effectievere en efficiëntere werkvormen zullen ontstaan. Ruimtes zijn er genoeg, maar de gemeenten zullen wel een heilig huisje moeten afbreken om de verandering tot stand te brengen.

 

Michel de Visser, voormalig portefeuillehouder welzijn in de Rotterdamse deelgemeente Kralingen-Crooswijk, nu zelfstandig adviseur

Verstuur dit artikel naar Google+