of 62812 LinkedIn

Falend overheidsbeleid: voorkomen is beter dan genezen

Hans Vuijsje 1 reactie

Bij de Corona-crisis hebben we kunnen zien hoe ver de overheid af staat van de praktijk. Waar het bij de intensive care uitstekend werd geregeld door Diederik Gommers en bij acute zorg door Ernst Kuipers, mensen uit de praktijk, stootten zaken die rechtstreeks door het ministerie  werden gecoördineerd steeds op praktische problemen. Dat gold voor zowel de inkoop, de logistiek, de ICT, het opzetten van de vaccinatieprogramma’s, als de aanwijzingen voor scholen.

Het zijn eigenlijk dezelfde problemen zoals die bij veel van de grote beleidsvisies van de laatste veertig jaar zijn opgetreden. Denk daarbij aan de toeslagenaffaire, de marktwerking en de decentralisatie van de jeugdzorg. In al deze beleidstrajecten worden uitvoerders belast met onmogelijke opdrachten. Een voormalig directeur van één van de ministeries, nu gepensioneerd, schreef mij onlangs het volgende: ‘Ooit werkte ik voor de rijksoverheid. Een van mijn chefs zei met enige regelmaat: 'ach dat is uitvoering…' Die persoon is nu minister…’ Een mooie illustratie van de afstand waarmee de overheid nu van de praktijk afstaat. Hij vervolgt: ‘Belangrijkste is dat beleidsmakers met minder dedain naar de uitvoeringspraktijk kijken. En dat vertegenwoordigers van de mensen die dagelijks in contact staan met burgers gelegenheid krijgen hun inzichten naar voren te brengen. Herstel het denkend vermogen in de organisaties, weg met al die externe adviesbureaus.’

 

Voor WOII waren zaken als zorg en onderwijs nog voornamelijk in handen van het particulier initiatief. De overheid bemoeide zich er nauwelijks mee. Vanaf de zestiger jaren begint met de overheidsfinanciering, ook de regelgeving. Het zijn de jaren die gekenmerkt worden door de ontwikkeling van grote beleidsvisies. Bij het onderwijs doet de Mammoetwet zijn intreden. In de zorg begint het met de ziekenfondswet en de Awbz.

 

Hoewel wij in de tachtiger jaren het vertrouwen verliezen in de ‘maakbaarheid’ van de Samenleving blijft het de basis van het Rijksoverheidsbeleid. De invoering van de marktwerking is een voorbeeld hiervan, evenals het streven alle kinderen, ook kinderen met soms ernstige (opvoedings-)problemen, naar dezelfde school te krijgen. In veel gevallen werden die grote visies gebruikt om, onder het mom van mooie idealen, in werkelijkheid te bezuinigen.

 

De betrokkenheid van de Rijksoverheid leidt tot steeds meer regelgeving. Regelgeving die wordt uitgewerkt door hoog opgeleide ambtenaren die goed in grote lijnen kunnen denken maar die nauwelijks ervaring hebben met de dagelijkse praktijk. Steeds vaker worden het organisatiedeskundigen en procesbegeleiders die geen inhoudelijke kennis op het beleidsterrein hebben. Door de blinde vlekken die hierdoor ontstaan, treden onbedoelde effecten op.

 

Zorgverleners hebben te maken met een onoverzichtelijk stelsel van regelingen en instanties die langs elkaar heen werken, scholen krijgen steeds meer taken waarvoor zij niet zijn ingericht en die de druk op de kwaliteit van het onderwijs doet toenemen. Ambtenaren van de Belastingdienst moeten onmogelijke toeslagenregelingen doorvoeren. Effecten die wellicht niet bedoeld zijn, maar wel het resultaat zijn van de beleidsstructuren die wij nu hebben. Duidelijk is dat mensen uit de praktijk meer betrokken moeten worden bij de beleidsvorming.

 

Daarnaast is er echter ook een andere les die van belang is. Dit soort (wettelijke) regelingen moeten van te voren veel beter worden doorgedacht en dan met name op het risico van onverwachte effecten. Veel is immers voorspelbaar. Waar het getallen betreft zijn wij uitstekend in staat voorspellingen/prognoses te maken. We weten wat bepaalde maatregelen in de economie voor financiële effecten zullen hebben. Daarvoor hebben wij een onafhankelijk instituut als het Centraal Planbureau. Maar naar de niet materiële, vaak indirecte effecten van overheidsmaatregelen wordt niet gekeken. Natuurlijk zijn er in de politieke arena discussies daarover, maar die worden vervuild door de schijn van partijpolitieke belangen en druk van pressiegroepen.

 

Het stelselmatig, onafhankelijk en waardevrij doordenken van regelingen, het maken van een risicoanalyse, zou een specialisme moeten worden dat in het proces van beleidsvorming wordt opgenomen.

 

Naast het betrekken van deskundigen op uitvoeringsniveau bij beleidsvorming, zouden onafhankelijke risicoanalyses kunnen bijdragen aan de uitvoerbaarheid van overheidsbeleid en ervoor kunnen zorgen dat de uitvoerders niet steeds worden opgezadeld met onmogelijke opdrachten!

 

Hans Vuijsje, voormalig algemeen directeur Stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW)

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Paul Meijler (oud adviseur MKB nu pensionada) op
Wanneer gaat een krachtig ideologisch leider met kennis en ervaring de kar van BV Nederland leiden?
Het is niet interessant of deze persoon man, vrouw, lid van de PvdA, VVD, CDA of andere partij is maar o.a. voldoet aan de eerdere genoemde criteria