of 64707 LinkedIn

Onpartijdig burgemeesterschap belangrijker dan ooit

Wouter Kolff en Pieter Verhoeve 2 reacties

In een pluriforme, veelkleurige en soms gepolariseerde samenleving is onpartijdigheid onontbeerlijk. Burgemeesters krijgen daarom doorgaans veel vertrouwen, ondanks dat  het politiek primaat elders is belegd. Nieuw onderzoek naar het burgemeesterschap, waaruit zou blijken dat dit ambt ‘onhoudbaar’, ‘zorgelijk’ en ‘vol spanningen’ zou zijn, is qua conclusies en oplossingen tendentieus en overdreven.

Het burgemeesterschap is afwisselend. Het kan gebeuren dat je op donderdagmorgen om negen uur met de Officier van Justitie in overleg bent over de aanpak van georganiseerde criminaliteit en een uur later in het verzorgingstehuis een echtpaar bezoekt dat zeventig jaar getrouwd is. Dit hybride karakter van het ambt maakt het mooi, aantrekkelijk en waardevol.

 

Zo oordelen echter niet de wetenschappers Boogers, Peters, Vollaard, Denters en Boogaard. In opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties deden ze onderzoek naar de huidige staat van het burgemeestersambt. In januari 2021 brachten ze hun rapport uit onder de titel met de retorische vraag ‘Teveel van het goede?’

 

Volgens hen zouden er veel spanningen zijn tussen de verschillende rollen die een burgemeester vervult. Vooral zou het ambt te gepolitiseerd zijn en daarmee verzwakt. Als het aan de stellers zou liggen, moet het burgemeesterschap óf gedeeltelijk uitgekleed worden óf verder gepolitiseerd, door de burgemeester direct te verkiezen.

 

Bij het als zodanig lezenswaardige en interessante rapport zijn echter tenminste drie fundamentele vragen te stellen.

 

Krijgt de burgemeester niet te veel aandacht? Er zijn er 352 van in Nederland. Over weinig overheidsfunctionarissen is meer gepubliceerd dan over de burgemeester. Ergens verbazingwekkend. Nederland is immers wethoudersland. Bij de wethouders ligt het politieke mandaat. In tegenstelling tot burgemeesters kunnen zij politieke meerderheden organiseren en hebben wethouders de meeste budgetruimte. De decentralisaties hebben niet zozeer het burgemeestersambt, maar het wethoudersambt meer body gegeven.


Bovendien ligt het politieke primaat bij de gemeenteraad, het hoogste orgaan in een gemeente. De raad heeft behalve de portemonnee (‘het budgetrecht’) ook als enige de verordenende bevoegdheid (de mogelijkheid lokale wetgeving vast te stellen).


De burgemeester is niet los verkrijgbaar. In het huidige stelsel heeft deze een vooral procesmatige, diplomatieke en verbindende rol. Van niemand, voor iedereen. Elke aanpassing van het ambt kan alleen in samenhang met de andere onderdelen in het lokaal bestuur worden vormgegeven. Het feit dat de burgemeester te veel aandacht krijgt in dit rapport kan niet zozeer worden toegeschreven aan de opstellers ervan, als wel aan de opdrachtgever die werkt aan een ‘Agenda Burgemeester’.

 

Klopt de onderbouwing wel? Zoals gezegd, is het rapport lezenswaardig en interessant. De conclusies en aanbevelingen op de rest van het rapport komen echter over als een wankele en gezochte doelredenatie. Uit het rapport blijkt immers dat niet alleen burgemeesters hun eigen ambt hooglijk waarderen, maar dat ook raadsleden en wethouders het functioneren van hun burgemeester een ruime voldoende geven. Ook onder de inwoners is de tevredenheid over de burgemeesters relatief hoog en de afgelopen jaren zelfs stijgende.

Je kunt je dus met recht afvragen waar de conclusies op zijn gebaseerd. Welk probleem moet worden opgelost? En doen de sterk richtinggevende bouwstenen die op nog geen anderhalve pagina zijn opgetekend recht aan dit vermeende probleem? De opstellers beseften uiteraard dat deze bouwstenen eruit zouden springen. Waar is de onderbouwing hiervan en waar zien we iets terug over de donkere keerzijden van deze bouwstenen?

 

Het hoofdprobleem lijkt te zijn dat het ambt is gepolitiseerd. Misschien is het ambt iets meer gepolitiseerd en meer veeleisend dan vroeger. In het rapport is echter veel aandacht voor het ambt zelf, voor de taken en rollen en voor de vraag hoe anderen en burgemeesters zelf hiertegen aan kijken. Weinig aandacht is er voor de personen die het ambt mogen bekleden. Voor de vraag: is iedereen er wel voor geschikt? Een goede politicus is niet per se een goede bestuurder. En andersom. Het is toch niet zo dat als een burgemeester een keer in het nauw komt, het ambt meteen aanpassing behoeft?

 

In de stelling dat de burgemeesters een te grote druk ervaren, wordt onder meer verwezen naar de lange werkweken. De werkdruk zou met 1 uur toegenomen zijn (van 57 uur in 2013 naar gemiddeld 58 uur in 2019). Gelet de hoeveelheid aan ontwikkelingen lijkt dit een gering feit. Time flies when you’re having fun. Belangrijker lijkt ons echter, dat burgemeesters doorgaans positief zijn over de ambtelijke ondersteuning (7,1), hun scholingsmogelijkheden (7,8) en werkplezier (8,1). Een kleine toename van werktijd is geen evident bewijs dat burgemeesters zouden bezwijken onder werkdruk.

 

Onderdelen van de conclusies zijn soms nauwelijks empirisch onderbouwd. De ondersteuning door de commissarissen van de koning zou bijvoorbeeld onvoldoende zijn. Dit wordt niet bewezen dan met wat algemeenheden (‘de provinciale verschillen zouden naar verluidt groot zijn’ of ‘als het echt spannend wordt, hebben burgemeesters niet altijd het gevoel dat de commissaris achter hen staan’).

Wij hebben ondanks onze relatief lage leeftijd allebei bijna negen jaar ervaring als burgemeester. Wij hebben in verschillende provincies samengewerkt met verschillende commissarissen en herkennen dit beeld niet. Nergens in het rapport blijkt ook om hoeveel burgemeesters (en hoeveel gevoelens) het in dit geval zou gaan. De socratische bescheidenheid dat wetenschappers vooral veel niet weten lijkt hier ver weg. Er worden grote woorden gebruikt zonder stevige onderbouwing.

 

Zijn de oplossingen niet erger dan de kwaal? Besturen is in 2021 mogelijk ingewikkelder geworden, maar ook interessanter. De samenleving is verdeelder en veelkleuriger geworden. Dat stelt inderdaad meer en andere eisen aan burgemeesters dan een eeuw geleden. De oplossingen die Boogers voorstelt, dragen niet bij aan het wegnemen van de spanningsvolle trends die hij signaleert. Zo wil hij het raadsvoorzitterschap wegnemen, OOV-bevoegdheden verkleinen of de burgemeester een eigen kiezersmandaat geven door de burgemeesters rechtstreeks te laten kiezen.

 

Wanneer de burgemeester geen onafhankelijk raadsvoorzitter meer is, wordt hij meer politiek onderdeel van het college, meer onderdeel van het coalitiebeleid en mist hij de processturing in de driehoek met griffier en gemeentesecretaris. Wanneer dit een ‘vierkant’ moet worden met een raadslid erbij, wordt dit nodeloos complex en politieker dan nu het geval is. Verder wordt de neutrale, coachende of spiegelende rol die raadsleden regelmatig verlangen, weggenomen. Een collega raadslid kan die neutrale rol niet overnemen. Het blijft immers een ‘concullega’.

 

Wat betreft de eigen portefeuille van de burgemeester het volgende. Inderdaad is deze de afgelopen vijftien jaar (vaak op initiatief van de wetgever) gevuld met nieuwe bevoegdheden en taken. Deze worden echter proportioneel en ingetogen ingezet. Via artikel 180 Gemeentewet zijn burgemeesters gehouden hierover verantwoording af te leggen aan de gemeenteraad. Uit recente onderzoek van de Universiteiten Utrecht en Nijmegen  blijkt bovendien dat hoewel de burgemeesters kwetsbaarder worden, zijn onafhankelijkheid juist bij de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot de openbare orde ‘van grote meerwaarde is’.

 

Met het verleggen van bevoegdheden van burgemeesters naar wethouders maakt dat ook deze bevoegdheden (veel) meer onderdeel gaan uitmaken van het politieke spel. De vraag is ook of partijen als het Openbaar Ministerie, de politie en andere partners de voorgestelde de-neutralisering wenselijk achten en of dit het resultaat ten goede komt. Ook voor integriteitskwesties en ongewenste invloeden op de lokale politiek, lijkt het wenselijk de onafhankelijke, nabije  burgemeester tenminste een signalerende en gezagvolle rol te laten vervullen.


Tot slot komt richting iedere kabinetsformatie de ‘gekozen burgemeester’ als een oude koe uit de sloot tevoorschijn. Het is onze stellige overtuiging dat een gekozen burgemeester nog gepolitiseerder zal opereren en het eigen netwerk moet gaan verzorgen om gekozen of herkozen te worden. Een eigen mandaat voor de burgemeester conflicteert potentieel met het kiezersmandaat van raad en wethouders. Niet doen dus.

 

Kortom, Boogers schreef een boeiend rapport. De trends zijn herkenbaar, de oplossingen lijken echter voor de bühne. Ja, het lokaal bestuur moet worden versterkt en gemoderniseerd. Om te zorgen dat raadsleden en wethouders in staat worden gesteld goede politieke keuzes te maken in verbinding met inwoners. En om te zorgen dat burgemeesters dat proces goed kunnen faciliteren. De checks en balances in het lokaal bestuur in Nederland zijn best gezond. En het burgemeesterschap moet daarbinnen boeiend, divers en onafhankelijk blijven.


Zijn burgemeesters dan nooit moe? Hooguit om het bestaansrecht van het ambt rond verkiezingstijd te moeten bediscussiëren; het burgemeesterschap zelf is iedere dag een grote vreugde en eer het te mogen bekleden.

 

Wouter Kolff, burgemeester van Dordrecht
Pieter Verhoeve, burgemeester van Gouda

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Jacques Nuijens (Beleidsadviseur) op
Het artikel begint met de zinsnede: "In een pluriforme, veelkleurige en soms gepolariseerde samenleving is onpartijdigheid onontbeerlijk."
En dat moet m.i. de kern van het burgemeestersambt zijn: onpartijdig, niet politiek.
Ik heb zelf (als ambtenaar) kunnen ervaren hoe belangrijk dit is om de inwoners bij elkaar te kunnen houden en samen weer verder te gaan.
Alstublieft geen (gepolitiseerde) gekozen burgemeester.
Door Wim Knol (Raadslid) op
Op het rapport van Boogers cs is ongetwijfeld het nodige af te dingen. Datzelfde geldt voor het verweer van Kolff en Verhoeve. Als raadslid ervaar ik regelmatig dat de burgemeester meer van het college en bijgevolg de coalitie is dan van de raad. Dat klemt temeer doordat het onvolprezen dualisme ver te zoeken is in de bestuurlijke praktijk. Ook het bewaken van de integriteit laat te wensen over. Kortom, de burgemeester is minder onafhankelijk en neutraal dan de enthousiaste burgemeesters menen.