of 59345 LinkedIn

Bibo: meer integriteit

Reageer

De wet Bibob, bedoeld om de integriteit van het bestuur veilig te stellen, pakt in de praktijk onrechtvaardig uit. Een ­pleidooi voor verbetering.

Een ‘beetje integriteit’ bestaat niet, weten wij sinds minister Ien Dales (Binnenlandse Zaken) twintig jaar geleden de integriteit van het bestuur hoog op de agenda zette. Maar dat is geen vrijbrief om overhaast, ondoordacht en ongenuanceerd te werk te gaan.

Dales’ oproep heeft geresulteerd in de wet Bibob, die de integriteit van het openbaar bestuur wil veiligstellen. Goed bedoeld pakt het Bibob-instrumentarium echter nogal eens grof en disproportioneel uit.

Een knelpunt is dat wordt uitgegaan van het ‘vermoeden’ dat een vergunning of beschikking ‘ernstig gevaar’ kan opleveren; oftewel dat strafbare feiten kunnen worden gepleegd. Een dergelijk vermoeden geeft gemeente- en provinciebesturen de bevoegdheid een vergunning te weigeren of in te trekken.

De vaststelling van een dergelijk ‘vermoeden’ blijkt in de praktijk niet eenvoudig. Het bestuur heeft als regel geen kennis van wat de rechter onder handen heeft of waar politie en justitie mee bezig zijn. Het is gedwongen af te gaan op adviezen van het Landelijk Bureau Bibob, zonder de volledigheid, juistheid en actualiteit daarvan te kunnen controleren.

Wethouders en gedeputeerden beschikken niet over een kristallen bol. De inschatting van de kans dat een vergunning wordt misbruikt, is niet beter dan de ­inschatting dat het een natte zomer wordt. Wie in het verdachte hoekje zit, komt er niet gemak­kelijk uit. Er zijn geen verjaringstermijnen, dus kan ­betrokkene bij wijze van spreken zijn hele leven lang worden achtervolgd met iets dat al stafrechtelijk, ­fiscaal of bestuurlijk is afgewikkeld.

Bibob mag niet ontaarden in een instrument om ­mensen of bedrijven blijvend te ‘straffen’. De wet ­bedoelt herhaling te voorkomen. Straffen is volgens de Grondwet voorbehouden aan de rechter. Een extra ‘tik’ uitdelen (bijvoorbeeld door een vergunning in te trekken), staat op gespannen voet met het ne-bis-in-idem beginsel, een grondbeginsel van de rechtsstaat.

Stuitend op deze onvolkomenheden, zijn enkele ­aanpassingen nodig:
1. Stel een maximale terugbliktermijn in en geef ­betrokkenen een wettelijk vastgelegde tweede kans. Dat past in het bestuursrecht en bij de rol van bestuurs­organen. En dat past zeker daar waar ­betrokkenen reeds zijn gestraft, schoon schip hebben gemaakt en er geen daadwerkelijke risico’s meer ­bestaan.
2. Laat alleen een Bibob-maatregel toe, indien gevaar voor herhaling dreigt. Het risico moet, anders gezegd, actueel zijn. Deze beperking sluit aan bij de bestaande algemene bestuursbevoegdheid tot preventief handhavend optreden.
3. ‘Bibob-verdachten’ moeten niet meer ‘veroordeeld’ kunnen worden zonder zicht op de verwijten. Om fouten te kunnen corrigeren, verdient het advies van het Landelijk Bureau Bibob, eventueel geanonimiseerd, ter inzage te worden gelegd.
4. Een Bibob-maatregel moet pas na afronding van een strafzaak worden doorgevoerd. De schade van dergelijk bestuurlijk ingrijpen is al zo groot. Betrokkene is gestigmatiseerd, het bedrijf gedupeerd en een doorstart feitelijk onmogelijk. Dan mag niet achteraf, uit een rechterlijke uitspraak, blijken dat het bestuur te voortvarend is geweest.

Natuurlijk moet het bestuur alert zijn op integriteit. Misschien wel meer dan ooit. Maar dat vergt wel een meer verfijnde aanpak dan nu praktijk is. De voorgestelde aanpassingen maken de bestuurlijke aanpak van integriteitsschendingen tref­zeker, doelgerichter en rechtvaardiger. De Wet Bibob is, als erfenis van oud-minister Dales, een te serieus middel om een onhanteerbaar bot te laten worden.

André Gaastra is advocaat, gespecialiseerd in het ­bestuursrecht. Jan Schinkelshoek, oud lid van de ­Tweede Kamer, is consultant.


Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.