of 59345 LinkedIn

Woonplaatsvereiste blijft van waarde

Wethouders en burgemeesters wonen in de gemeente waar ze hun functie uitoefenen. Dat beginsel bestaat al lang en is in de Gemeentewet een belangrijk uitgangspunt. Betrokkenheid bij en kennis van de plaatselijke samenleving zijn een pre om deze bestuurlijke functies goed te kunnen uitoefenen. Voor de burgemeester komt daar nog bij dat het dossier van openbare orde en veiligheid nabijheid vereist. 

Maar op iedere regel zijn uitzonderingen en ontheffingen noodzakelijk. De vele waarnemende burgemeesters hebben tot gevolg dat een verplichting om zich in de gemeente te vestigen niet over de hele linie overeind kan worden gehouden. Voor de wethouders is het beginsel onder druk komen te staan toen na de dualisering ook wethouders konden worden benoemd die geen raadslid waren. De wethouder van buiten de raad kan iemand zijn die woonachtig is in de gemeente, maar ook iemand voor wie dat niet geldt.

Bijna 90 procent van de wethouders is woonachtig in de gemeente van functioneren. Het aantal wethouders waarvoor het woonplaatsvereiste klemt, schommelt rond de 10 procent. De huidige regeling brengt met zich mee dat de gemeenteraad jaarlijks ontheffing kan verlenen van het woonplaatsvereiste. Dat kan alleen in bijzondere gevallen en telkens alleen voor de periode van 1 jaar. Daarbij gaat het in sommige gevallen om wethouders die net buiten de gemeentegrens wonen en dan is een al te strikte naleving van het vereiste nauwelijks rationeel. Ook kunnen er allerlei persoonlijke omstandigheden zijn die worden meegewogen bij het verstrekken van een tijdelijke ontheffing. Maar er bestaat ondertussen ook een circuit van wethouders die in achtereenvolgende gemeenten actief zijn en juist voor die categorie is het woonplaatsvereiste een problematische grootheid.

Het was om deze redenen dat voormalig minister Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken voorstelde om de bevoegdheid van de gemeenteraad op dit punt te vergroten. De gemeenteraad zou ook voor een langere periode dan een jaar en ontheffing kunnen geven. Door deze verruiming zou beter maatwerk kunnen ontstaan, waardoor meer recht wordt gedaan aan de autonomie van provincie en gemeente. Dit wetsvoorstel werd met een ruime meerderheid aangenomen in de Tweede Kamer, maar op 4 juni j.l. door de Eerste Kamer verworpen. Tegen stemden de fracties van VVD, CDA, PvdA, 50PLUS, SP en PVV.

Het doorslaggevende argument van de tegenstanders was dat op deze manier het woonplaatsvereiste de facto wordt opgeheven. De huidige ontheffing kan nog als een uitzondering op de regel worden gezien. Bij een ongeclausuleerde bevoegdheid van de raden is er te veel mogelijkheid om de wettelijke regel buiten spel te zetten. Dit argument van de tegenstanders is overtuigend. Bij gelding van het nieuwe regime zou gemakkelijk een praktijk kunnen ontstaan, waarbij al bij de collegevorming de zaak wordt dichtgespijkerd. Kandidaat-wethouders van buiten de gemeenten zouden hun bereidheid afhankelijk kunnen maken van de mogelijkheid voor een ontheffing voor de gehele raadsperiode.

En bij instemming door de coalitie heeft deze politieke afspraak een bindend effect en blijft er van het woonplaatsvereiste weinig meer over en wordt het aan de ‘politiek’ uitgeleverd. De huidige regeling – waarbij de gemeenteraad in mag vullen wat onder een ‘bijzonder geval’ moet worden begrepen – is om die reden zo slecht nog niet en biedt voldoende speelruimte. Dat is helemaal het geval indien wordt geaccepteerd dat het woonplaatsvereiste nog steeds een waardevol uitgangspunt is, zowel voor de burgemeester als voor de wethouder. Het zou misschien zelfs wel beter zijn om de regel wat strenger te maken en voor te schrijven dat de ontheffing maar één keer kan worden gegeven en wel voor de maximale periode van één jaar.  

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Wouter op
In voorkomende gevallen een heet hangijzer, het woonplaatsvereiste. Ik ken het ook wel uit de praktijk. De beschouwing van Douwe Jan Elzinga lijkt mij juist.

Wat ik wel jammer vind is dat hij zijn interessante suggestie, het strenger maken van de huidige eisen door de ontheffing te beperken tot één jaar, weliswaar poneert maar dat die helemaal niet wordt onderbouwd in bovenstaand stuk. Het is nu een beetje gratuit een balletje opgooien zonder dat ik als lezer de argumenten vóór zijn punt kan wegen. Dat komt de kracht van het stuk niet ten goede, maar ik ben er juist wel benieuwd naar! Wellicht later nog eens met de kracht van argumenten op het bekorten van de ontheffing terugkomen?!