of 59925 LinkedIn

Wie mag zich met wie bemoeien

Ooit vielen de bevoegdheden van de burgemeester om de openbare orde te handhaven buiten zijn politieke verantwoordelijkheid naar de gemeenteraad toe. Een optredende burgemeester handelt als rijksorgaan, was de gedachte, en dan moeten lokale politici niet in de weg lopen. Nog tot na de oorlog hielden sommige burgemeesters dat standpunt vol.

Maar met de ondergang van de Amsterdamse burgemeester Van Hall verstreek de democratische houdbaarheid van deze juridische constructie definitief. In 1969 werd daarom de Gemeentewet gewijzigd en sindsdien is de burgemeester aan zijn raad verantwoording schuldig voor al het ‘door hem gevoerde bestuur’.

Het bestrijden van de coronacrisis sloeg echter een nieuw gat in de politieke verantwoordelijkheid van burgemeesters. Zolang de anderhalvemeterregels effectief via de veiligheidsregio’s lopen, wordt Nederland niet door 355 burgemeesters maar door 25 voorzitters van de veiligheidsregio’s bestuurd. En zij hoeven in die hoedanigheid pas na afloop van de crisis verantwoording af te leggen aan de gemeenteraden van de getroffen gemeenten. Zo luidt de wet, antwoordde minister Grapperhaus begin april op Kamervragen van D66. De 25 coronacrisis bestrijdende burgemeesters treden op als voorzitter van hun veiligheidsregio, en dan moeten de lokale politici niet in de weg lopen.

Gesterkt door deze strakke lijn van Grapperhaus weigerde burgemeester Penn-te Strake een paar dagen later schriftelijke vragen van de Groen- Links-fractie in Maastricht te beantwoorden. Zij had weliswaar het Heuvelland voor dagtoerisme afgesloten en daarmee de Maastrichtenaren feitelijk tot hun eigen stad veroordeeld, maar dat was allemaal in haar hoedanigheid als voorzitter van de veiligheidsregio Limburg-Zuid gebeurd. De raadsvragen zouden na afloop van de crisis schriftelijk worden afgedaan.

Tegen deze achtergrond was het geen uitgemaakte zaak of en hoe burgemeester Halsema politieke verantwoording zou moeten afleggen voor haar optreden rond de demonstratie op de Dam − of het gebrek daaraan. Ook daarbij was juridisch namelijk voor een belangrijk deel geen sprake van een burgemeester, maar van een voorzitter van een veiligheidsregio.

Halsema bleek wel bereid de Amsterdamse raad schriftelijk te informeren over de gang van zaken, op briefpapier van de veiligheidsregio Amstelland. En ook minister Grapperhaus vond opeens dat het toch aan de Amsterdamse raad was om een oordeel te vellen over het optreden van Halsema. Alleen de Tweede Kamer leek daar anders over te denken. Dat kwam hen op een strenge reprimande van de drie belangrijkste burgemeesters van Nederland te staan. Spies, Van Zanen en Bruls schreven in De Volkskrant: ‘Het is niet aan de Tweede Kamer om te oordelen over het optreden van een burgemeester of voorzitter veiligheidsregio in een (specifieke) lokale of regionale situatie. In ons bestel legt een burgemeester verantwoording af aan de gemeenteraad en een voorzitter veiligheidsregio in een crisissituatie aan alle gemeenteraden van de inliggende gemeenten van de betreffende veiligheidsregio.’

Als er dan politici in de weg moeten lopen, zo was kennelijk hun gedachte, dan toch de lokale. Kamerlid Van der Staaij (SGP) sputterde daags na zijn berisping nog dat hij als Kamerlid toch wel degelijk de minister had mogen aanspreken op het niet gebruiken van zijn bevoegdheid om een voorzitter van een veiligheidsregio te ontslaan. Staatsrechtelijk had Van der Staaij daarin volstrekt gelijk, de brief van Bruls en consorten was op dat punt te kort door de bocht. Maar het was als destijds met de openbare orde bevoegdheden van Van Hall: de juridische constructie had zijn democratische houdbaarheid overschreden.

Het ligt daarom, net als toen, voor de hand om de wet aan te passen en het gat in de politieke verantwoordelijkheid ook formeel te dichten. Een tijdelijke wet die de noodverordeningen vervangt maar GRIP-4 in stand laat, biedt daarvoor een uitstekende gelegenheid.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.