of 59925 LinkedIn

Vrije jongens, niks houdt ze tegen

Dat de crisissfeer afneemt, blijkt misschien nog wel het beste uit de toegenomen onrust in het partijlandschap. Niet alleen in de Tweede Kamerleden imploderen partijen, ook lokaal lijkt het vestigingsklimaat voor de vrije jongens weer aardig op te klaren. In Amsterdam is FvD-raadslid Anton van Schijndel voor zichzelf begonnen en in Den Haag besloot Frans Hoynck van Papendrecht zich bij Henk Krols nieuwe Partij voor de Toekomst aan te sluiten. 

Saillant detail van die laatste actie is dat Frans de eenmansfractie van 50PLUS vormde, zodat met zijn overstap een complete partij uit de Haagse raad verdween. De naambordjes en zijn duoraadslid verweesd achterlatend.

Dat we weer een beetje tijd krijgen voor de dingen die vroeger normaal waren, blijkt ook uit het vaste ritueel rondom nieuws over politieke afsplitsers: een korte opleving van de discussie over zetelroof. Dat ritueel gaat meestal hetzelfde. ‘Kiezersbedrog!,’ roept eerst iemand, ‘lever dan die zetel in!’ ‘Hulde!,’ reageert dan altijd wel weer een ander, ‘leve de eigen mening van de volksvertegenwoordiger.’

Een opmerkelijk onderdeel in deze rituele discussie over zetelroof is het opflakkeren van een bijzonder soort staatsrechtelijke zuiverheid. Op enig moment pakt iemand de Grondwet erbij om te constateren dat daarin wél staat dat volksvertegenwoordigers zonder last stemmen, maar dat politieke partijen of fracties nergens worden genoemd. Bij een sobere, technische Grondwet hoeft dat op zich geen verbazing te wekken.

Er staat van alles niet in de Grondwet. Toch wordt bij politieke partijen de grondwettelijke stilte zwaar in hun nadeel uitgelegd. Partijen zouden er van de Grondwet eigenlijk niet mógen zijn. Ze zijn een dubieus verschijnsel van feitelijke aard dat hoogstens kan worden gedoogd.

In de meest recente discussieronde over zetelrovers trok één van de beste politiek commentatoren van Nederland deze kaart van de staatsrechtelijke onzuiverheid van politieke partijen. In zijn column Zetelrovers zijn niet het echte probleem van het parlement noteerde Hans Goslinga over het constitutionele bestaansrecht van de partijendemocratie: ‘Met de spanning tussen de zuivere regel van de Grondwet en de altijd wat modderige praktijk valt te leven.’

Wellicht wordt de gretige diskwalificatie van politieke partijen ingegeven door het oude Nederlandse wantrouwen jegens kibbelende ‘partijschappen’. Dat wantrouwen is altijd hoog in tijden van crisis. In ieder geval heeft het juridisch diskwalificeren van partijen met zuiver staatsrecht volgens mij weinig te maken. Naast de regel over het lastverbod uit 1814 bevat de Grondwet ook de regels uit 1919 over het algemeen kiesrecht binnen een kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging. Daarmee veronderstelde de grondwetgever welbewust en met zoveel woorden het bestaan van politieke partijen. Niet als een modderige praktijk, maar als ‘de groepen waarin de samenleving zich zou verdelen’ die dan in het parlement naar evenredigheid zouden kunnen terugkeren.

Was het dan niet beter geweest om de politieke partijen toch wat explicieter in de Grondwet op te nemen? Misschien wel. De Duitsers hebben het gedaan, dus het kan in ieder geval prima. En over het voorstel om partijen ook met zoveel woorden een plekje in de Grondwet te geven, is bij ons lang gesproken.

Ironisch genoeg was een belangrijke reden om het niet te doen de bijzondere status van politieke partijen. Naar het woord van de oude Donner: ‘Laten wij […] de officiële erkenning van het partijwezen zo lang mogelijk uitstellen, want het recht brengt naar zijn aard nu eenmaal mee dat zulke erkenning ook regeling meebrengt en wie regelt, beperkt.’ De Grondwet noemt de politieke partijen dus inderdaad niet, maar hij veronderstelt ze wel en koestert hun vrijheid. In de tijd waarin partijen weer betrouwbare kandidaten voor hun lijsten zoeken, is het goed ook dat te bedenken.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.