of 59130 LinkedIn

VOG voor raadsleden is dode mus

In zijn nieuwjaarsrede riep de cdk van Noord- Holland – Johan Remkes – op tot debat over de positie van decentrale volksvertegenwoordigers en bestuurders, mede in het licht van ondermijning en integriteit. Dat is op zichzelf genomen heel goed want in de aanloop naar de komende raadsverkiezingen zijn er veel misverstanden rond dat thema en op belangrijke onderdelen is er aanzienlijke verwarring. 

Een in het oog springend onderdeel van de nieuwjaarsrede van Remkes heeft betrekking op de positie van raads- en Statenleden. Hij is van oordeel dat ook daar correcties nodig zijn. In toegespitste gevallen zouden raads- en Statenleden hun positie als volksvertegenwoordiger moeten opgeven, bijvoorbeeld indien vast komt te staan dat er sprake is van aantoonbare ondermijning.

In het verlengde hiervan ligt de vraag wat de betekenis is van VOG-verklaringen bij de benoeming van raadsleden. Naar aanleiding van de rechtszaak-Jos van Rey heeft bijvoorbeeld de burgemeester van Roermond laten weten dat er na de raadsverkiezing van maart verklaringen omtrent het gedrag zullen worden gevraagd aan de raadsleden. Nu er cassatie is in de zaak-Van Rey is deze kwestie nog onder de rechter en zal er geen effect voor betrokkene kunnen zijn zolang er geen onherroepelijk oordeel is. Maar ook in algemene zin is het de vraag wat de ruimte voor raden en Staten om hier op te treden, al dan niet via VOG-verklaringen. Ook in vele andere gemeenten worden deze verklaringen gevraagd, waarbij de redenering is dat ook elders in de samenleving een VOG nodig is om aan de slag te kunnen.

Cruciaal verschil is echter dat voor raadsleden het niet hebben van een VOG heel anders uitpakt dan elders in de samenleving. Een aan te brengen extra belemmering voor benoeming is immers een stevige beperking van het passief kiesrecht. Dat kiesrecht wordt beschermd door de Grondwet. Het vrije mandaat houdt in dat nadat een volksvertegenwoordiger door de kiezer is gekozen, het alleen het raadslid zelf is dat beslist over zetelopgave. Geen enkele derde kan hier een beslissende rol spelen. Dat is een uiterst fundamenteel staatsrechtelijk uitgangspunt.

Wel is het zo dat de rechter iemand uit het kiesrecht kan ontzetten. Ook dat is in de Grondwet geregeld. Deze zogenaamde kiesrechtuitsluitingen kunnen door de rechter worden uitgesproken als bijkomende straf. Dat kan echter alleen bij bepaalde delicten en daarbij moet het bovendien gaan om delicten waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd van meer dan een jaar. In de praktijk betekent dit dat deze bijkomende straf vrijwel nooit wordt uitgesproken. In de ondermijningswetgeving kan natuurlijk hier een aanvulling op worden gegeven, maar ook dan kent de Grondwet de belemmering van de langdurige hechtenis en dat betekent dat dit helemaal niets gaat opleveren. Het pleidooi van Remkes lijkt dus op het eerste oog aantrekkelijk, maar heeft bij nader inzien een hoog dode-mus-gehalte.

Dat geldt voorlopig ook voor de VOG-verklaringen. Als een VOG-verklaring niet wordt afgegeven kan op betrokkene een moreel beroep worden gedaan om op te krassen, maar een formeel instrument om een benoeming tot volksvertegenwoordiger tegen te houden is er niet. En in dat geval is ook de VOG-verklaring een dode mus.

Kortom: eerst goed nadenken, dan goed regelen en vervolgens effectief toepassen. En vooral niet nu de illusie oproepen dat het vragen van enkele duizenden VOG-verklaringen in de dagen na de raadsverkiezing van maart een effectief instrument is om integere raadsleden op de zetels te krijgen. Bij raadsleden die de VOGverklaring niet krijgen, ontstaat er dan een enorm politiek en maatschappelijk gedruis, terwijl is verzuimd om te regelen wat daarvan de consequenties zijn. Dat is wel typisch Nederlands, maar slecht voor de democratie.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.