of 59345 LinkedIn

Vertrouwelijkheid moet op de schop

Als je tegenwoordig ergens aandacht voor wil vragen, is het verstandig om de term ondermijning te gebruiken. Bij het actuele ondermijningsvraagstuk is er veel ‘framing’ en er wordt gewerkt met meervoudige werkelijkheden. Dat is niet het geval bij de omlijning van het niet-openbare domein in de gemeente. Sinds een uitspraak van de strafrechter in 2010 is het geheimhoudingsregime uit de Gemeentewet een uiterst wankel gebeuren geworden. In tal van gemeenten is geconcludeerd dat er nu geen touw meer aan is vast te knopen. 

De kwestie is de volgende. Art. 2:5 Awb bevat een algemeen voorschrift over vertrouwelijkheid. Deze bepaling richt zich niet alleen op raadsleden, maar op allen die betrokken zijn bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan. Dan gaat het uiteraard vooral om ambtenaren, maar ook om collegeleden en sommige buitenfunctionarissen. Als deze personen gegevens tegenkomen in bijvoorbeeld stukken waarvan aannemelijk is dat deze vertrouwelijk zijn, dan mogen deze gegevens niet ter kennis van anderen worden gebracht.

Op zichzelf genomen is dit een adequaat voorschrift, maar bezien vanuit de gemeenteraad is het een dubbel en zeer verwarrend parcours. Immers indien door college of burgemeester aan de raad of raadsleden wordt meegedeeld dat het in een bepaald geval gaat om vertrouwelijke gegevens zonder dat aannemelijk gemaakt kan worden dat hier WOB-criteria in het geding zijn, dan moeten raadsleden op grond van art. 2:5 Awb die geduide vertrouwelijkheid in acht nemen.

Buiten de bepalingen uit de Gemeentewet om wordt dan een tweede domein van niet-openbaarheid in het leven geroepen dat aan veel minder strikte criteria is gebonden dan het geheimhoudingsregime. Daarbij kan het gaan om mondelinge aanduidingen of verzoeken, maar ook om schriftelijke stukken. Voor ambtenaren en bestuurders kan dit regime goed functioneren. Voor raadsleden echter niet vanwege de samenloop met de geheimhoudingsregeling uit de Gemeentewet. Als geheimhouding wordt opgelegd moet zijn voldaan aan één van de criteria uit art. 10 Wet openbaarheid van bestuur.

Wordt informatie aan de raad als bestuursorgaan verstrekt, dan moet die geheimhouding door de gemeenteraad worden bekrachtigd. Vindt er geen bekrachtiging plaats dan kan de betreffende informatie zo maar openbaar worden en op straat liggen. Voor een college dat geheimhouding overweegt is dat geen aanlokkelijk perspectief. En dat leidt er in de praktijk nogal eens toe dat die informatie niet aan de raad wordt gegeven.

Door de uitspraak van de strafrechter in 2010 is de vertrouwelijkheidsroute de geheimhouding gaan ondermijnen. De strafrechter redeneert (HR 27-10-2010) dat als ‘vertrouwelijkheid’ wordt gevraagd de andere partij (in casu de raadsleden) moet weten dat schending daarvan strijd oplevert met art. 272 Strafrecht. In de praktijk betekent dit dat indien een college of een burgemeester vertrouwelijkheid vraagt, zonder daarbij een overtuigend beroep te doen op de WOB-criteria voor geheimhouding, er ook dan een strafbaar feit kan ontstaan. En als dat zo is dan is het voor colleges en burgemeesters soms veel aantrekkelijker om de ‘vertrouwelijkheidsroute’ te volgen omdat daarvoor veel minder strenge criteria gelden en geen bekrachtiging nodig is.

Bezien vanuit de gemeenteraad is het bestaan van deze twee niet-openbare domeinen een onding van formaat. Er is dan ook alle reden om art. 2:5 Awb voor de gemeenteraden buiten werking te stellen. En ook om allerlei andere redenen is er aanleiding om het wettelijke geheimhoudingsregime eens flink op de schop te nemen. Pleidooien in die richting zijn er al jaren, maar het wordt nu tijd dat de wetgever in dit dossier ook echt eens in de benen komt.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.