of 61441 LinkedIn

Ruimte voor de professional

Dit jaar zijn wij een nieuw decennium begonnen. Dat zal niemand hebben gemist. Maar we zijn ook vijf jaar decentralisaties in het sociaal domein verder. Om dat te markeren, bracht de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een essay uit, geschreven door huisstrateeg Rienk Janssens zelf. 

Daarin vertrouwde woorden over de bewegingen van rijk naar gemeenten, van overheid naar samenleving en van formalistisch geregelde zorg naar ‘echt doen wat nodig is’ door professionals. Vertrouwde klachten ook, over de fuik waar de gemeenten vijf jaar geleden enthousiast inzwommen maar waarin ze nu spartelend zwembaden en bibliotheken moeten sluiten om de zorg op peil te houden. En met de terechte waarschuwing dat negatieve beeldvorming over de decentralisaties het zicht kan gaan belemmeren op hoeveel er wel degelijk beter gaat. Al met al een voorzichtig optimistisch verhaal, dat goed de stemming onder woorden brengt.

Omzichtig wordt het essay echter bij het juridisch kader. Daar heeft de Centrale Raad van Beroep immers de nodige gaten in het project geschoten. ‘Het is vanzelfsprekend niet aan gemeenten om rechterlijke uitspraken te bekritiseren of niet na te volgen,’ aldus Janssens. Dat laatste klopt, het eerste gelukkig niet. Maar inmiddels, zo vervolgt Janssens, ‘laten bestuursrechters zich niet meer alleen voeden door de gemeentelijke juristen maar ook door beleidsmakers die meer dan juristen de geest van de wetgeving op het netvlies hebben.’

Waar die sneer naar gemeentelijke juristen vandaan komt, blijft onduidelijk. Welke rechters nu eindelijk begrijpen wat eigenlijk de bedoeling was, ook niet. In zijn laatste redactioneel in het Nederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht fileert Van Male, de rechter die de resultaatsgerichte indicatie de nek omdraaide, het ingewikkelde PGB-systeem en rijdt hij vast de argumenten naar binnen waarmee de Centrale Raad van Beroep daar straks wat aan kan gaan doen. Dat leest niet echt als het dagboek van een rechter die recent op de hei heeft gezeten met een beleidsmaker.

Of de factor tijd hier de oplossing gaat brengen, zoals het essay concludeert, vraag ik mij af. Ik denk dat er meer nodig is. Het sociaal domein heeft het juridisch kader van het gezondheidsrecht nodig. Daarin respecteert de rechter tot op grote hoogte de medische beoordeling van medici in medische kwesties. De rechtvaardiging daarvoor is geen door beleidsmakers uitgelegde bedoeling van een wet, maar het niveau van professionalisering in de medische beroepsgroep. De ruimte voor de professional is geen lege ruimte. Er is registratie, er zijn richtlijnen, er is tuchtrecht. En dat rechtvaardigt rechterlijke terughoudendheid. De belangrijkste factor in de toekomstige ontwikkeling van het juridisch kader voor het sociaal domein lijkt me dan ook de juiste inzet en het niveau van de professionalisering.

Onlangs vertelde iemand die in de jeugdzorg werkt hoe zij vijf jaar geleden het toekennen van vervoersvoorzieningen over de schutting gegooid kreeg. Immers: ‘eén gezin, één plan, één regisseur’ en: ‘ruimte voor de professional’. Succes ermee. Als gezinscoach heeft ze echter geen bijzondere expertise op het gebied van het leerlingenvervoer. Een professionele richtlijn was er niet, tijd om dat überhaupt na te zoeken in de databank van het Nederlands Jeugdinstituut evenmin. Wel kwamen er klachten over willekeur en natuurlijk over de omvang van de totale kosten. Inmiddels ligt de bevoegdheid om vervoersvoorzieningen toe te kennen weer bij gemeentelijke afdeling waar die vroeger ook lag.

Dit voorbeeld past in andere verhalen over de nog te weinig uitgedachte inpassing van professioneel maatwerk: bevoegdheden sluiten niet aan op de professionaliteit en serieuze professionalisering komt niet van de grond. We hebben vijf jaar over ruimte voor de professional gesproken. Laten we nu vijf jaar steken in ruimte voor de professional

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.