of 59250 LinkedIn

Risicotoetsing door raad en burgemeester samen

Uit de kwestie-Brunssum – de beoordeling van de integriteit van wethouder Jo Palmen – zijn belangrijke lessen te trekken. In de eerste plaats is een beoordeling van integriteit vooraf heel iets anders dan integriteitsonderzoek achteraf. 

In het laatste geval is er iets gebeurd wat kan worden onderzocht. Bij een risico-inschatting vooraf is er altijd een speculatief element, want de wethouder is immers nog niet in functie. Om die reden moeten aan die risicotoets hoge eisen worden gesteld, want ze kunnen bestuurlijke loopbanen maken en breken. Bij deze risicotoetsing moet het daarom bij voorkeur gaan om harde criteria die goed kunnen worden geobjectiveerd. Indien ook ruim baan wordt gegeven aan een oordeel over politiek fatsoen en politieke moraal is het moeras nabij en dreigt al snel een politisering van het integriteitsvraagstuk. De politieke moraal van de een is niet altijd de moraal van de ander.

Indien bijvoorbeeld ook de verbindingen met de Rotary en de herensociëteit in kaart moeten worden gebracht, is het failliet van het integriteitsbeleid nakend. Zo bezien moet integriteitstoetsing vooraf dus vooral gaan over criminele risico’s, dreigende belangenverstrengeling, onverenigbaarheden, verboden handelingen etc. De wetgeving kent daarvoor overwegend duidelijke normen. Samen met de kandidaat kunnen die risico’s in kaart worden gebracht. Maatregelen kunnen worden genomen om die risico’s te verlagen of uit de weg te ruimen.

In de tweede plaats leert ‘Brunssum’ dat een exclusieve activiteit van de burgemeester tot aanzienlijke problemen kan leiden. Burgemeester Winants had een verstoorde verhouding met kandidaat-wethouder Palmen. In dergelijke gevallen is het bijzonder moeilijk om objectief te blijven. Wat voor Winants pleit, is dat hij het vraagstuk van de risicotoetsing fors op de agenda heeft gezet door af te treden. De kwestie-Brunssum was nodig om goed te kunnen zien waaraan deze toetsing moet voldoen en hoe problemen kunnen worden voorkomen. In dat opzicht is ‘Brunssum’ ‘a blessing in disguise’. De provincie Limburg loopt voorop bij deze vorm van integriteitstoetsing ex ante en verdient daarom een pluim. Geheel normaal is dat in deze experimentele fase met enig vallen en opstaan naar het juiste format wordt gezocht.

Een belangrijke les is dat een burgemeester – en ook de commissaris van de koning – niet de bevoegdheid moeten krijgen om over het lot van een kandidaat-wethouder te beslissen. Zou dat wel het geval zijn, dan kunnen gemeenteraden deze rol van de burgemeester en CdK zo maar uithollen door op eigen kracht te voorzien in vormen van integriteitstoetsing. Een tendens in die richting is al zichtbaar. Tal van gemeenteraden nemen momenteel het heft in eigen hand en organiseren een vorm van risicotoetsing voor wethouders, waarbij niet per se is voorzien in een rol van de burgemeester. Omdat de raad de wethouders in autonomie benoemt, kunnen raden die geen zin hebben in bemoeienis de burgemeester zo maar in een isolement brengen. In het rapport dat ik samen met collega Korsten schreef, is daarom voorzien in een gezamenlijke rol van burgemeester en gemeenteraad.

Aanbevolen wordt om de commissie voor de geloofsbrieven een meer permante status te geven en in te richten als algemene integriteitscommissie van de gemeenteraad. De burgemeester kan dan samen met deze commissie integriteitsbeleid uitzetten, integriteitsonderzoek ex post uitvoeren en de risicotoetsing ex ante realiseren. We pleiten voor een wettelijke regeling van deze procedure en een certificering van externe bureaus. In extreme gevallen zou de minister – na een ‘second opinion’ te hebben ingewonnen – een benoeming moeten kunnen blokkeren, maar dat als hoge uitzondering op de regel dat de benoeming van wethouders het hart vormt van de lokale autonomie.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.