of 64740 LinkedIn

Een levensvatbaar minderheidskabinet

Over minderheidskabinetten doen veel mooie theorieën de ronde. Ze zorgen voor wisselende meerderheden in het parlement en meer dualisme tussen regering en Staten-Generaal. Zij gaan ons verlossen van de verstikkende coalitiedwang waarmee volksvertegenwoordigers elkaars politieke keel afknijpen. En bovendien: in Denemarken doen ze het ook.

Op die mooie theorieën valt natuurlijk van alles af te dingen. Maar dat neemt niet weg dat het best eens een goed idee zou kunnen zijn om in een versplinterend politiek landschap ervaring op te doen met een kabinet dat niet alleen in de Eerste Kamer maar ook in de Tweede Kamer meerderheden moet regelen en ritselen. Van mij mag dat minderheidskabinet er dus komen.

Ik zie echter in de praktijk wel een probleem opdoemen. Niet bij wetgeving of bij de begrotingen. Daar vallen altijd wel politieke deals over te sluiten. Maar na een paar maanden gaat er ergens in het overheidsapparaat iets goed fout. Dat apparaat is namelijk vrij groot en er werken gewone mensen. Dus gaat er wel eens iets mis. Die missers halen op enig moment de krant en na het oplieren van de maatschappelijke verontwaardiging agendeert de Tweede Kamer een verantwoordingsdebat. Je kunt daarover mopperen als een ‘incidentgedreven verantwoordingscultuur’, maar zo werkt de democratie nu eenmaal.

Aan het einde van zo’n verantwoordingsdebat dient altijd wel iemand een motie van wantrouwen in. En dan wordt het spannend. Of juist niet. Bij een kabinet dat structureel samenwerkt met een meerderheid in de Kamer, schiet aan het einde een matigend mechanisme in werking.

De politieke aandeelhouders in een kabinet hebben immers een gedeeld belang. Vandaag staat de minister van een coalitiepartner te schutteren over een sterfgeval in een politiecel, morgen moet de eigen minister zien uit te leggen hoe het zit met burgerslachtoffers bij een militaire missie van jaren terug. En hoe terecht het ook moge zijn dat politici volle verantwoordelijkheid dragen voor de bevoegdheden die overheidsdienaren over ons uitoefenen, als we alles wat misgaat meteen persoonlijk met de bewindslieden afrekenen, gaat het wel heel hard.

Nederland heeft een relatief open en flexibele vertrouwensregel. Hij is ongeschreven en bepaalt eigenlijk alleen dat áls wantrouwen bij een meerderheid in de Tweede Kamer blijkt, de minister moet opstappen. Hóe dat wantrouwen blijkt, hangt er vanaf. Een Kamer die een compleet begrotingshoofdstuk afzinkt of het salaris van de betrokken minister naar 1 euro amendeert, is wel duidelijk in zijn bedoeling. Maar een Kamer die vooral heel erg kwaad is dat het ergens zo mis heeft kunnen gaan?

Misschien klinkt het maandelijks wegsturen van ministers ook als een mooie theorie en een extra reden om een minderheidskabinet te willen. Maar als bewindslieden permanente schietschijven worden, raakt het evenwicht tussen macht en tegenmacht in omgekeerde richting verstoord.

Ik vraag mij daarom af of een levensvatbaar minderheidskabinet geen aanpassing van de vertrouwensregel vergt. Bijvoorbeeld door bij wet te bepalen dat destructief wantrouwen alleen kan blijken uit een motie die wordt aangenomen met tweederdemeerderheid. Dat betekent dat er, net als nu, altijd een coalitiepartner uit de rijen moet breken om een minister weg te sturen aan het einde van een verantwoordingsdebat.

Natuurlijk blijft het in de tussentijd mogelijk voor gewone meerderheden om alles verder te blokkeren wat die meerderheden niet aanstaat. Als dat een complete begroting is, zal het minderheidskabinet alsnog snel zijn uitgeregeerd. Maar dat is dan de inzet van wisselende meerder heden in het parlement en het dualisme tussen regering en Kamer. Precies zoals de mooie theorieën voorspiegelen.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.